Het toppunt van Rhodos

In het bergdorp Isidores begint een wandelpad naar het hoogste punt van het Griekse eiland Rhodos, de berg Ataviros. Een gemarkeerde route, ver van de toeristennesten....

HENK BLANKEN

BIJ Prasonisi hield het op. Het eiland, het uiterste zuiden, de laatste verstofte weg over militair oefenterrein, tachtig kilometer van de hoofdstad. Honderden meters lang lag hier een strand zo breed als de zee. Mateloos zand, witbepleisterde restaurants, een douche, en van drie kanten genoeg wind om honderden windsurfers in alle staten van opwinding te houden.

Zoals Martin, een Zwitser. Hier ontmoette hij Irini, een Griekse. Ze huwden. Openden een taverna. En veertig kamers voor plankzeilers.

Die kamers stonden nu, begin mei, nog leeg.

'Amper wind vandaag', zei Martin.

'Het eind van de wereld', zei ik.

'Het eind van Rhodos', zei Martin.

Het ligt niet voor de hand op Rhodos te gaan lopen. Bussen rijden van strand tot strand. Wie niettemin het binnenland wil zien, de dertig kilometer brede oprisping tussen twee brandingen, huurt een Fiat Cinquecento met schuifdak, of een scooter, en desnoods een fiets, ofschoon dat laatste al van Homerische overmoed getuigt. Want fietsen, laat staan wandelen, is hier bijkans even dwaas als kamperen op de noordpool of een Club Med-arrangement in Mongolië.

Vanaf mei is Rhodos immers twaalf uur zon per etmaal, en nul uur regen. Een costa in de Egeïsche zee die tot voor enkele jaren even populair was als alle andere costa's, en om dezelfde redenen.

De noordpunt is er grondig verpest van geraakt. Maar het eiland is wel wat gewend. Door de millennia heen is Rhodos keer op keer onder de voet gelopen, aanvankelijk ook door stammen die je toen niet, maar nu wel als autochtoon Grieks zou kunnen beschouwen, maar vanaf de vroege middeleeuwen door lieden die er geenszins thuishoorden. Te beginnen met de kruisridders - op weg naar, of op de vlucht uit het heilige land -, en hun in 'tongen' onderverdeelde denominaties. Nog altijd staan in Rhodos-Stad aan de Odos Ipoton, een met twintigste-eeuwse kinderkopjes geplaveide straat, de gotische herbergen van Italianen, Fransen, Spanjaarden en Provençalen - en het ligt voor de hand het massatoerisme daar te laten beginnen. Maar wat bij de broederschap der johannieters - die vroege voorloper van Wild & Risky Travel - nog 'Avontuur! Eenvoudige Logies' moet zijn geweest, is verworden tot genot dat slechts wordt getemperd door het dagelijkse welke-factor-zonnebrandcrème-dilemma.

Niettemin ging ik lopen. Zou ik mij niet verlagen tot een strandstoel in een toeristennest waar men zich vanaf een hoogwerker aan een elastiek naar beneden kon laten stuiteren. Evenmin zou ik de eerste backpackers volgen, de voorhoede van een horde die over de eilanden spoelt, en die, zich op de veerboot verdringend voor de loopplank, onveranderlijk doet denken aan de spermatozoïden uit Woody Allens Everything you always wanted to know. . .

Ga wandelen. Zoek het binnenland. Mijd de meute.

Dát was het plan.

Dus huurde ik bij aankomst een Cinquecento en reed, dak open, radio aan, naar Charaki.

Dorp op een steenworp van de oostelijke autoweg tussen Rhodos-Stad en Lindos, een van de drie, rond duizend voor Christus al machtige steden - de andere twee zijn Kamiros aan de westkust, en Ialissos in het noorden, maar alleen Lindos wordt vanwege zijn acropolis - een ridderburcht bovenop klassieke relicten - dagelijks door een meute touringcars aangedaan. Voorbij Lindos kruipt alles echter langzaam onder de knoet van het massatoerisme vandaan. Hotels worden nietiger. Appartementencomplexen blijven vaker steken in een betonskelet. En met elke kilometer zuidelijker naar het zanderige Prasonisi worden de stranden havelozer, tot zich ten slotte in Plimmyri een lege baai opent. Kapel. Vissersboten. Riet. Vuilcontainer. Cactus. Waslijn met inktvis. Twee Cinquecento's - meer niet.

Maar halverwege lag dus al Charaki.

Vissersdorp zonder vissers. Ronde baai. Komvormige kade waaraan pandjes vertimmerd tot rooms-to-let, eethuis of zonnebrandwinkel. Meer openbare telefoons (drie) en parkeerplaatsen (volop) dan waaraan twee dozijn vissers behoefte kon hebben. Een dorp van niks, en daarom een zegen. En omdat bovenop een kale rots aan het eind van de baai de ruïne staat van een Byzantijns kasteel. Met de verovering van deze burcht waren de kruisridders in 1306 aan Rhodos begonnen. En uitgerekend hier sloten ze degenen uit hun midden op die zich overgaven aan aards genot.

Dat vroeg om een fles van de beste Rhodos-wijn.

En een zeebaars waarvan Manolis verontschuldigend meldde dat ie een halve kilo groot was. Maar voor het eerst in weken, zei Manolis, als om iets goed te maken, regende het eens niet.

Bij het kabbelende water kwebbelden een kleine Brit en zijn echtgenote over Turkije. Over het water trok een boot met drinkwater. En toen kwam ook de maan nog op als een bloedrode sinaasappel die - 'Look at that', zei de Brit, alsof die maan van hem was - keurig in tweeën werd gesneden door laag hangende wolken.

Manolis ruimde de graten en de glazen op. Ik vroeg of hij weleens bij die burcht was geweest; dat zou je toch denken als iemand een leven lang aan de sokkel van zes eeuwen geschiedenis woont.

'Als kind', zei Manolis. 'De schoolmeester zei dat er tussen de stenen gouden munten lagen.'

Hij had zich rotgezocht.

Een uur of wat later waren ze in het donker verdwenen. Die burcht. En Manolis.

Het was niet veel, Charaki, maar minder moest mogelijk zijn. Dus reed ik de volgende dag door het dal van de Gaidouropatamos, een kilometers brede vallei vol boomgaarden, sinaasappels, pijnbomen, olijven, een trotse cipres. Daarna nog even over een pas geasfalteerde autoweg door een maanlandschap - alles weggeshoveld of afgebrand -, maar al snel door het binnenste binnenland. Vogels, vlinders, pick-up-truck, Hollanders op een brommer, een vrouw met magere schapen en kromme benen, tot in Laerma.

In dat dorp ging ik onder een boom zitten kijken naar landerijen en wijngaarden, en vroeg aan de Griek die Nescafé bracht wat voor boom dat was.

'Eucalyptus', antwoordde hij, waarna zomaar raki op tafel kwam en het niet hielp dat het half tien 's ochtends was.

gfsfc,0,0,5,45D E LAATSTE tien kilometer tot Agios Isidoros liepen steeds steiler omhoog in de richting van Ataviros-gebergte. Vergezichten! Dalen! Geuren! En een weg met kuilen waarboven ik de god van Fiat kon horen brommen.

De kleine Brit in Charaki had gezegd dat in het bergdorp Isidoros, tegen de zuidoostelijke flank van de berg, een wandelpad begon naar het 1215 meter hoge toppunt van Rhodos.

Is te doen, had hij gezegd. Heb-het-zelf-ook-gedaan.

Vanaf een parkeerplaats onderaan een kloof, achter het met ijzerdraad dichtgebonden hek, begon warempel een gemarkeerde route. Zoiets als een Veluws paaltjespad, maar om ondoorgrondelijke redenen genummerd. Rode verf tot ergens in de twintig, waarna het tellen opnieuw begon in blauw, en weer naar rood verschoot, en de tel kwijtraakte, om onbekommerd opnieuw te beginnen.

Zwetend en klauterend, en wat later opgelucht over een flauw klimmend pad van versteende boomresten en gruis in alle tinten grijs, vroeg ik mij af wat de plaatselijke wandelvereniging had bezield toen ze die spuitbus de berg opstuurden. Het hield niet op, dat nummeren, ook niet voorbij de zwarte geiten en de witte schapen, en evenmin toen het pad beter begaanbaar werd en niet gemener dan een duinwandeling. Maar toen ik na vijf kwartier bij twee reusachtige eiken en een winderig plateau kwam, en voor het eerst aan de andere kant van Rhodos de zee kon zien, schoot me te binnen dat ik al halverwege was geraakt, en dat nu dus ook die Brit en de laatste driehonderd meter hoogteverschil eraan moesten geloven.

De berg Ataviros zelf is een geboggelde. Gortdroog. Vreemd rond. Een klompvoet. Bovenop, de bouwval van een hut. Tussen wat zwerfstenen een jolige vlag. Op wat struikgewas na was het er kaal, en toen ik - zo, dat zit erop, geen mens gezien, mission accomplished - struikelend en door de mist langs de ruïne van een steenoude tempel naar beneden liep, wilde ik weten waarom die hut wél, maar dat heiligdom niet op het hoogste punt stond.

Geen Griek, gids of god om het aan te vragen.

En daarom bedacht ik, langs de andere kant van de berg afdalend naar Embronas, in de richting van de antieke stad Kamiros, dat het allemaal op een misverstand moest berusten:

Toen namelijk lang geleden de koning en koningin bovenop deze berg waren aangekomen, hadden ze een hemeltergende ruzie gekregen. Beneden bij Kamiros-aan-zee had de zon geschenen, maar rond de top van de bult dreven dikke flarden mist.

'Jezus, Althemenis', wilde de koningin zeggen, maar ze zei het niet omdat het daarvoor nog duizend jaar te vroeg was, en er ook nog heel veel moest gebeuren. Na Christus trouwens ook. Oorlogen bijvoorbeeld, en invasies van Romeinen, Franken, kruisridders, Turken, Italianen, Duitsers en Britten. Aardbevingen ook. En bosbranden. En niet te vergeten de twintigste eeuw met Romeinen en Franken, en nog eens al die anderen - de kruisridders uitgezonderd.

Omdat de geschiedenis nog moest beginnen, verwenste de koningin de koning in andere termen van gelijke strekking. Ze vond Althemenis een idioot omdat ie uitgerekend op deze steenpuist zo nodig een tempel voor Zeus moest bouwen.

Dat het heiligdom op de top moest komen, en niet gezellig aan het strand, kwam omdat Althemenis van hier uit Kreta kon zien. Dat was een gewichtige zaak voor de Kretenzer, die naar Rhodos was verbannen toen een orakel had voorspeld dat hij zijn vader zou vermoorden.

Met zijn vrouw stond Althemenis dus op die berg weg te waaien. Voor het eerst in weken was het droog - twaalf uur zon, nul uur regen, had het orakel nog zo gezegd -, maar rond de top mistte het dat het een aard had. Ze zagen geen hand voor ogen, laat staan de bergtop. Waar die precies was, daarover viel te twisten. Hij wees naar het heuveltje links. Zij gesticuleerde koppig naar rechts.

Althemenis won omdat het antieke tijden waren en omdat hij bezwoer dat zijn vrouw, als ze dan per se haar gelijk wilde halen, ze dat ook met de eerste steen mocht doen.

Tot op de huidige dag staat de tempel daarom ter rechterzijde van het pad dat zich omhoog klauwt uit het dal, en elf meter lager dan die bouwvallige hut en lullige vlag. Als de mist optrekt, heb je een hemelsbreed uitzicht op zee - zij het niet op Kreta.

Om het eiland helemaal over te steken, en te eindigen op de plek waar volgens de overlevering Althemenis aan land was gekomen, moest ik alleen nog naar Kamiros, een van de drie steden die al gebouwd waren voordat de antieke Grieken zich vergisten en aan Rhodos-Stad begonnen - die eerste Finex-locatie, zeg maar. Van hier af liep links de weg naar Prasonisi, langs kale kust en geblakerde bossen en een nieuw Kamiros dat het nooit verder had geschopt dan waar de antieke stad was geëindigd, als een vervallen agrarische nederzetting.

Bij de opgraving begon het te regenen en stapten Duitse bejaarden uit een touringcar.

'Also, wohnen und Urlaub machen kann man hier nicht.'

Althemenis dacht daar anders over.

Ik zag het voor me.

Hoe de Kretenzer op het strand staat, naar het ruisen van branding luistert, een schaap ruikt aan het spit, en de donkere vlekken in zee ziet maar niet de lege flessen en het vrachtschip dat voor anker ligt of een Boeing die naar Athene klimt.

Maar toen Althemenis opkeek, en die buitengewone bult zag, moet hij gedacht hebben wat na hem elke toerist heeft gedacht.

Die berg, daar wil ik op.

Meer over