Het leven, moe en achterdochtig

IN HET BRILJANTE kinderboek Bij Uil thuis van de Britse schrijver Arnold Lobel staat het ontroerende verslag van een avond waarop Uil, een ondanks zijn eenzaamheid montere vogel, besluit dat het weer eens tijd wordt tranenthee te gaan drinken....

In meer dan één opzicht doen de gedichten van Toon Tellegen aan het proza van Lobel denken. Tellegens gedichten zijn - nu al twaalf bundels lang - bij uitstek anekdotisch, in die zin dat er steeds een verhaaltje wordt verteld. En net zomin als een kind zich bij het verhaal over Uil zal afvragen waar het dier woont, hoe het aan de kost komt, en of het niet een beetje raar is dat een vogel thee zet, is de lezer van Tellegens poëzie geïnteresseerd in de antecedenten van de wonderlijke personages die zijn werk bevolken. De gebeurtenissen zijn doorgaans ronduit absurd, maar worden op een dermate vederlichte wijze beschreven dat je je ogenblikkelijk gewonnen geeft en pas bij nader inzien beseft hoe vreemd Tellegens mededelingen zijn.

Ook het vaak onnadrukkelijk filosofisch gehalte van de gedichten herinnert aan Uil, die zich bijvoorbeeld het hoofd breekt over de vraag of hij tegelijkertijd boven en beneden kan zijn. Zo heeft Tellegen het over een ik die een streep trekt en zich stellig voorneemt nooit verder te gaan dan 'tot hier'. Maar natuurlijk gaat hij wel degelijk verder, 'en overal zag ik mensen,/ haastig en ernstig,/ en iedereen trok een streep,/ iedereen ging verder'. Dit is pure ethiek, maar verwoord op de nuchtere toon die het handelsmerk vormt van alle grote jeugdliteratuur, waartoe ook Tellegens eigen kinderboeken behoren.

Daar komt bij dat deze poëzie voor een belangrijk deel uit directe rede bestaat, compleet met alle haperingen en zelfcorrecties die echte spreektaal kenmerken. Zo is er een man (veel van Tellegens gedichten gaan over 'een man') die tot een kuil roept: 'Ik ga weg. . . Nee, ik blijf. . . Nee, ik ga weg. . .'; en elders zeggen voorbijgangers: 'Uw pijn is geen pijn. Daar is geen sprake van.'

Arjan Peters heeft er onlangs in Cicero op gewezen dat het proza van Arnon Grunberg voortdurend zondigt tegen de strenge stilistische wet die herhaling van woorden verbiedt. Verleent die overtreding Grunbergs zinnen een drammerig karakter, bij Tellegen kun je op sommige momenten rustig van een obsessief ritueel spreken, een bezwering van al het erge dat ons belaagt: ' 'Het was toch geen pijn?', zeggen ze nog tegen elkaar./ 'Nee, het was geen pijn. Het was in elk geval geen pijn.'/ Dan denken ze weer aan iets anders.'

Typisch voor Tellegen is het feit dat de zwaarwichtige herhaling van het woord 'pijn' gevolgd wordt door de opgeluchte constatering dat de toverformule inderdaad resultaat heeft. Een andere eigenschap van Tellegens taalgebruik is de in bijna alle gedichten optredende personificatie van abstracte begrippen. Zo is het in deze poëzie heel gewoon dat 'ja' een taak heeft, dat vrede een blauwe jas draagt, en dat het leven, moe en achterdochtig, zijn sleutels kwijt is.

Het werk van Tellegen is wel in verband gebracht met dat van Pierre Kemp en Kees Ouwens, maar erg overtuigend zijn de overeenkomsten niet. Kemp is bondiger en geestiger dan Tellegen, en de gestoorde betogen van Ouwens zijn oneindig veel moeilijker. Tellegens nieuwe bundel, die, zoals de titel al aangeeft, over niets anders dan liefde gaat, lijkt eerder schatplichtig aan de weemoedige ironie van Nescio en Piet Paaltjens, zoals in dit pijnlijke misverstand:

Een man schreef een brief,

hij werd verteerd door verdriet

en schreef en schreef,

en de zon ging onder en de zon

ging op

en een vrouw las zijn brief.

Iemand riep:

'Hoe gaat het met hem?'

En die vrouw zei:

'Heel goed, lees maar.'

Met de Romeinse dichter Catullus deelt Tellegen het vermogen tot vlijmscherpe psychologische analyse. Beiden beschrijven vaak gespleten persoonlijkheden die zichzelf met enige meewarigheid observeren. Niet voor niets heet een van Tellegens bundels Ik en ik. Maar waar Catullus in odi et amo ('ik haat en heb lief') slechts constateert dat zijn gevoelens tegenstrijdig zijn, wordt deze tweespalt door Tellegen geconcretiseerd, en daardoor zo mogelijk nog ingewikkelder gemaakt:

Ik kan liefhebben en ik kan haten

en ik weet ook heel goed waarom -

maar ik kan niet blijven en ik kan niet weggaan

en ik weet nooit waarom.

Menig criticus heeft zich ondertussen geërgerd aan de vormeloosheid van Tellegens pozie. Inderdaad wekken zijn gedichten vaak de indruk niet meer dan terloops genoteerde invallen te zijn, hetgeen na enige bladzijden doet verlangen naar een paar dwingend geformuleerde versregels. Maar juist die achteloze toon staat er borg voor dat de lezer zich ondanks zichzelf laat meevoeren naar een wereld waar oorlogen 'zich vervelen en landerig woeden in buitenwijken en moerassen' en God zijn jas vergeet. Misschien komt het daardoor dat Tellegen het zich kan veroorloven zonder omwegen de grote woorden te gebruiken waarom het iedere dichter uiteindelijk gaat:

Het is winter en ik ben een dichter

die over liefde schrijft en over niets, niets anders,

ooit.

Piet Gerbrandy

Toon Tellegen: Over liefde en over niets anders.

Querido; 61 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 214 8364 5.

Meer over