Het leven als een komische opera

GIACOMO CASANOVA heeft zich, naar eigen zeggen, bij het schrijven van zijn memoires door geen ander systeem laten leiden - als dit al een systeem is - 'dan mee te waaien met de wind'....

Zijn vriend Lorenzo Da Ponte, de geniale librettist van Mozart en Salieri, ontmoette in een van zijn dromen Casanova op de Weense Graben. Die raadde hem aan in dromen en visioenen te geloven, ook al kon je je vergissen. 'Wie in dromen gelooft, is gek; en wie er niet in gelooft, wat is die dan?' Al bevielen diens principes en zijn gedrag hem niet, toch was Da Ponte erg gesteld op Casanova's bijzondere adviezen over 'het waaien met de wind' of over het dromen, 'die om de waarheid te zeggen' - schrijft hij in zijn memoires - 'goud waard waren en waarvan ik weinig heb geprofiteerd, maar waarmee ik veel baat had kunnen hebben'. Na tegenslagen of ontgoochelingen werd zijn ziel door het dromen bevrijd, en kon Da Ponte 'opnieuw door de lieflijke, verrukkelijke velden van de Muzen dwalen'.

Lorenzo Da Ponte, die een opwindend leven heeft geleid 'omringd door de Muzen, de Gratiën en het genot van gastvrijheid en vriendschap', was een avonturier en een homme à femmes. Hij onderhield verschillende liefdesaffaires tegelijk; hij was geliefd bij de vrouwen en geacht door de mannen, de grandi, de machtigen en de rijken.

Hij werd op 10 maart 1749 in Ceneda geboren, 'een kleine maar niet onaanzienlijke stad in de staat Venetië'. Eigenlijk heette hij Emanuele Conegliano. Toen Da Ponte 14 jaar oud was, bekeerde zijn vader zich met de hele familie tot het katholieke geloof, waarbij Emanuele de naam kreeg van zijn peetoom, monseigneur Lorenzo Da Ponte, de bisschop van Ceneda, 'een bijzonder vroom iemand, weldadig gewetensvol en in ruime mate begiftigd met alle christelijke deugden'.

Op zijn vijfde verloor Lorenzo zijn moeder. De bisschop nam alle kosten voor studie en levensonderhoud voor zijn rekening. 'Vaders laten zich in het algemeen weinig gelegen liggen aan hun kinderen in hun eerste jaren', herinnert hij zich in het eerste deel van zijn vita. 'Ik werd dan ook volkomen verwaarloosd: op mijn elfde was lezen en schrijven het enige dat ik kon.'

Op zijn vierentwintigste werd hij tot priester gewijd, maar de abate Da Ponte heeft nooit het priesterambt uitgeoefend. Hij gaf les en schreef prikkelende gedichten en schotschriften; Da Ponte was een elegant satirisch-humoristisch dichter. Daardoor raakte hij zijn aanstelling als professor 'in de schone wetenschappen' aan het seminarie van Treviso kwijt. Omwille van zijn libertijnse levenswijze en zijn vele liefdesgeschiedenissen werd Da Ponte ook uit Venetië verbannen, na een formele aanklacht wegens 'echtbreuk en concubinaat van een plichtvergeten priester'. Da Ponte vluchtte naar Dresden en Wenen.

In Wenen werd hij, op voorspraak van Antonio Salieri, poeta dei teatri imperiali, 'keizerlijke theaterdichter'. Salieri bezorgde hem zelfs een audiëntie bij keizer Jozef II. Later, in de salon van baron Raimund von Wetzlar, leerde Da Ponte Mozart kennen (Da Ponte schrijft consequent Mozzart), voor wie hij de libretti schreef van Le nozze di Figaro, Don Giovanni en Così fan tutte. 's Nachts schreef hij voor Mozart, preciseert hij in zijn levensgeschiedenis, 'en dan stel ik me voor dat ik Dante's Hel lees. 's Morgens schrijf ik voor Martini (hij bedoelt: Martin y Soler) en dan zal ik het gevoel hebben dat ik Petrarca bestudeer. De avond is voor Salieri en hij zal mijn Tasso zijn.'

Na de dood van de keizer, en mede door schandalen en afgunst, eindigden de Weense gloriejaren van Da Ponte in februari 1790. Bedrogen en verketterd verliet hij Wenen. Hij trok naar Triëst, waar hij Anna Celestina Grahl ontmoette, die hij Nancy noemde en die hem de rest van zijn leven vergezelde. In Londen, waar hij tien jaar heeft gewoond, schreef hij nog enige onbeduidende libretti voor tweederangs componisten en emigreerde vervolgens, om aan zijn crediteuren te ontkomen, in 1805 naar Amerika. Da Ponte werd er, eerst in Pennsylvania en later in New York, achtereenvolgens drogist of liever 'grossier in drogerijen en houdbare levensmiddelen', boekhandelaar en docent Italiaanse letterkunde aan Columbia University.

In 1807 publiceerde Da Ponte in New York zijn Storia compendiosa. Het was een beknopte autobiografie, de voorloper van zijn vijfdelige Memorie, zijn 'herinneringen' die vanaf 1823 - hij is dan 74 - verschenen. Zijn memoires, 'ter lering en vermaak' geschreven, lezen als een schelmenroman; la vita come opera buffa, 'het leven als een komische opera'. In het picaresk aandoende eerste deel, meent de vertaler Anton Haakman in zijn nawoord, is hij kennelijk door Casanova beïnvloed. Hij vertelt galante avonturen. In de volgende delen echter 'verandert het karakter van de memoires: daar verschijnt telkens een oudere, soms wijzere, soms wat klagerige man op het toneel'.

'Wat ik hier wil gaan vertellen zal waarschijnlijk ongeloofwaardig lijken', verontschuldigt Da Ponte zich, en hij daagt zijn lezers uit 'te logenstraffen wat ik hier schrijf'. Voortdurend waarschuwt hij voor de geruchten en het geroddel, voor de leeglopers, de kwaadwilligen en de valse vrienden. Hij was geofferd aan de haat en nijd en het eigenbelang van die schurken, 'weggejaagd uit een stad waar ik elf jaar had geleefd van de eerlijke verdiensten van mijn talent; verlaten door mijn vrienden, die ik zo vaak met uitgesproken weldaden had overladen; gesmaad, vervloekt, vernederd door leeglopers, door hypocrieten, door triomferende vijanden'. Uiteindelijk was hij ook uit het theater verjaagd, 'dat zonder mij niet meer had bestaan'. Dat Da Ponte zich bewust was van zijn onschuld, troostte hem niet, 'maar verdubbelde juist mijn wanhoop'.

Omnia non dicam, sed quae dicam, omnia vera, luidt het motto van zijn memoires, 'ik zal niet alles zeggen, maar wat ik zal zeggen is allemaal waar'. Over zaken die, zoals Dante zegt in zijn Inferno, 'hier beter verzwegen kunnen worden zoals het toen passend was ze te bespreken', laat hij ons in het ongewisse. Zijn lezenswaardige memoires zijn daardoor onbetrouwbaar. Ze zijn ook door een aanzienlijke geldingsdrang gekleurd. Wat is waar in zijn herinneringen? Of beter, wat verzwijgt hij? Hij verscheurde naar eigen zeggen weleens een bladzijde, want hij wilde 'geen oude wonden openrijten'. Dat zou alleen maar opnieuw tranen wekken, en zinloze zorgen opleveren, 'zowel in mijn hart als in dat van . . .'.

In het derde deel van zijn Memorie, wanneer hij schrijft over een door hem beminde mooie vrouw van een eerzaam Venetiaans burger, ontbreekt er 'door een merkwaardig ongelukje' aan dit verhaal een bladzijde. Die had hij al geschreven toen hij, om de inkt met zand te drogen, in plaats van de zandstrooier per ongeluk de inktpot pakte en er inkt over uitgoot. 'Omdat ik geen tijd heb hem over te schrijven', suggereert Da Ponte zijn lezers, 'laat ik het aan de lezer over hier in te vullen wat hij maar wil.'

Het is moeilijk, ook na lezing van zijn memoires, hem recht te doen wedervaren. Da Ponte, lees je in Mozart-biografieën, was een grillige persoonlijkheid, tegendraads en weerspannig, een pluimstrijkende door avonturendom en affaires met vrouwen geblaseerde opportunist, die - aldus Wolfgang Hildesheimer - 'vooral en bij alles op zijn eigen voordeel bedacht was, voornamelijk op zijn aandeel in Mozarts roem bij het nageslacht'. Een 'karakterloze', zegt de Mozart-biograaf Erich Valentin; een 'gewetenloze', volgens een andere kenner, Arthur Schurig.

De laatste jaren van zijn leven leefde Da Ponte teruggetrokken. Hij had, verklaarde hij een jaar voor zijn dood, nog slechts één leerlinge, een jong meisje dat hem alleen kon betalen 'met glimlachjes en liefkozingen'. Op 17 augustus 1838 bezweek hij. Hoewel zijn stoffelijke resten in 1850 verloren zijn gegaan, is Lorenzo Da Ponte niet helemaal vergeten. De glans van de onsterfelijke Wolfgang Amadeus Mozart straalt uiteindelijk ook op hem af, zijn beste, of liever gezegd: zijn enige goede tekstdichter.

Meer over