Het hoofd, de wereld, het grabbelen

Op de radio interviewt Petra Possel Martin Reints. Die vertelt naar aanleiding van zijn nieuwe dichtbundel hoe hij denkt, namelijk alle kanten uit, soms tegelijk hangend in parallelle werelden....

Dat is niets nieuws. Toch beweert de interviewster vanaf dan dat dat hetdus is wat een dichter maakt. Zij heeft dat namelijk niet. Nou, ik wel. Hetgaat er in mijn hoofd nog wel wat wilder aan toe dan bij Reints. Als datde dichter maakt, ben ik een hele grote. Maar ik ben geen dichter.

Reints had duidelijk ook geen vrede met de idee als zou dichten alleendat zijn: niet doelbewust van A naar Z denken, niet betogen, nietfunctioneel denken. Taal is, zou ik zeggen, vormgegeven denken, zoalsbewegen vormgegeven adem is. De taal van een dichter is vormgegevenassociatie. Misschien had Reints zijn verbazing over Possels dweperigedistinctie tussen dichters en niet-dichters ruw moeten wegwuiven, maar danwas vast de vraag gekomen naar die vormgeving, waarom zus en niet zo, endaar moet je maar zin in hebben. Reints is niet zo van de hapsnap-bewering,meen ik uit zijn meticuleuze werk op te maken. Nota bene: hij telt zijnwitregels mee, zei hij terloops. Zo'n opmerking kan me uren boeien.

Hoe werkt een hoofd en wat is literatuur? Er is te veel moois overgezegd, dan dat ik hier even een kreet zou willen toevoegen, maar ik denkaan een artikel, ooit, in De Revisor, over hoe een vertaling van eenliteraire, dus niet per se functionele tekst tot stand kwam. Je had versieéén, en dan versie twee, enzovoort, en bij ongeveer versie vijf was hetklaar, zei de schrijver van het artikel. Je kon aan de hand van dieverschillende versies de stijgende lijn zien. Kijk maar: hier is het albijna goed. Wat een frikkig hoofd, dat zo ordelijk werkt, weet ik nog datik toen dacht. Zo werkt een schrijver of dichter echt niet, en ook deherschrijver die een vertaler is niet. Er moet aan het eind weliswaar ietszijn gemaakt met een eigen innerlijke logica, maar toch niet na zulkstelselmatig geknutsel. Schrijven, en ook vertalen, is behalve schrappenen gommen een bij uitstek sponzige, associatieve, open bezigheid.

Het hoofd, zelfs dat van de droogstoppel, is een grabbelton. In hetverlengde daarvan is de wereld waarmee het zich voedt dat ook. Je vindt erallerhande flarden verleden, heden en toekomst. Alleen via vrije associatieis iets van dat multidimensionale door de schrijver op te roepen. Hijbloemleest de wereld. We weten het: kinderen grabbelen zich wild om ietsals orde te ervaren. Zij zijn onze ware, ongestuurde bloemlezers, en wiedaar niet door geboeid is, is gek, maar schrijvers zijn het niet.

Ik merk dat ik als lezer én maker steeds meer hou van de min of meerlukrake bundeling, vol witregels zogezegd die je toestaan zelf scharnierenaan te brengen. Lange tijd gold bij ons 'Gij zult niet bloemlezen'; nuprofileert Menno Wigman zich fier als 'bloemlezer'. Dat is mooi en het isgoed. Het is postmoderne winst dat dat mag. De kritiek op deze voorliefde,dat ze slordig is, verwant aan het verfoeide zappen, anti-intellectueelmisschien, ligt voor de hand, maar mijn intuïtie laat zich niet bedriegen.Ik wil ook bloemlezer zijn.

Bloemlezen hoort erbij, zoals grabbelen erbij hoort. Een mens begint alsbloemlezer, en op een gegeven moment, na al die pogingen tot enigszinssluitende ordening, wordt hij het opnieuw. Wigman is óf kind gebleven, ófvroeg oud, óf allebei. Zijn net verschenen bloemlezing, samen met RobSchouten gemaakt, heet A thing of beauty, ondertitel De bekendste gedichtenuit de wereldliteratuur, een echt grabbelboek. Het vindt net als de pil metdoor Joost Zwagerman bloemgelezen, Nederlandse verhalen eerder dit jaar,gretig aftrek.

Pal na Sinterklaas verscheen De armen van de inktvis, een keus uit hetwerk van één persoon: Max Pam. Er staat ongeveer Pams hele journalistiekebemoeienis met taal en literatuur in, dus is het nauwelijks eenbloemlezing, maar wat een fijn grabbelboek, ook dit. Ik schreef het eerder:Pams gehak op kunstsubsidiëring is mij te zuinig en hij vindt een beetjegauw iets aanstellerij, maar hij is scherp en geestig, en vrijmoedig,ondanks die stokpaardjes. Als notoire Hermans-fan schuwt hij de afrekeningniet, dus wie een hang heeft naar leedvermaak kan hier ook terecht.

Tussen van alles door interviewt Pam Cees Nooteboom, die onder meervertelt hoe hij ooit als columnist weg moest bij de Volkskrant. Hij was teimpopulair. Pam, wél populair, moest vorig jaar als columnist weg bij eenandere grote krant. Van de redenen weet ik niets. Columnisten komen en zegaan, wat niet wil zeggen dat ze verdwijnen. Maar daarover misschienvolgende keer, op de rand van oud en nieuw.

Meer over