Het einde van de ideologische samenleving HONDERD JAAR STRIJD OM SOCIALE ZEKERHEID IN TEKSTEN EN STUDIES

WE ZIJN BEZIG een periode af te sluiten. Er waart niet alleen een vaag soort fin de siècle-gevoel door de samenleving, maar meer specifiek valt te wijzen op de even stille als fundamentele verbouwing van ons sociale zekerheidsstelsel en het centrale assensysteem daarin, de verhouding tussen overheid en de sociale...

De parlementaire enquête onder leiding van het Kamerlid F. Buurmeijer (1992-1993) was een onmiskenbaar signaal van een ontwikkeling die door sommigen wel is aangeduid als het herstel van het primaat van de politiek, dat wil zeggen dat platte belangenbehartiging weer onder publieke controle werd gesteld. In een dergelijke visie paste ook het feit dat in maart 1995 de Tweede Kamer het liberale voorstel ondersteunde om de wettelijk verplichte adviesaanvrage bij de Sociaal-Economische Raad te schrappen.

Maar er lijkt meer aan de hand te zijn. Het meest opvallende in de ontwikkelingen is ten eerste dat de veranderingen in de sociale zekerheid worden behandeld als een samenklontering van allerlei technische vragen en problemen, die gewoon efficiënt en pragmatisch kunnen worden opgelost. De notie dat het hier gaat om het hart van de verzorgingsstaat, om de 'ordening van de samenleving', is vrijwel geheel weggevallen. Vandaar dat het ook zo'n onsamenhangende discussie is.

Ten tweede is het opvallend dat de veranderingen niet gedragen worden door ideologische opvattingen. Het is immers niet zo dat de ideologische grondslagen van de verzorgingsstaat, gelegd door confessionelen en sociaal-democraten, nu zijn vervangen door liberale gedachten - iets in de sfeer van de vervanging van de staat door de markt, van recht door zorg, van gemeenschap door individu.

Juist het ontbreken van wat meer abstracte ideeën, morele gedrevenheid of theoretische reflectie verklaart grotendeels de oorverdovende stilte rond de aanhoudende verbouwingsoperaties, onder Lubbers al aangevangen en door Paars stevig voortgezet. Het gaat me hier niet om een aanklacht - want er is geen weg terug - maar om vast te stellen dat op deze manier een patroon van denken en doen is weggevallen, dat ongeveer een eeuw lang de Nederlandse samenleving heeft gekenmerkt.

Dit patroon kan worden aangeduid als een ingewikkelde verstrengeling van corporatieve ordening en verzuiling. Omdat er binnen elke zuil werd vastgehouden aan de gedachte dat er een dwingend verband was tussen opvattingen over levensbeschouwelijke, politieke, economische en wetenschappelijke vragen, waren er talloze koppelingen aangebracht tussen politiek, georganiseerde belangenbehartiging en heel veel subsidies.

Daarmee ging vrijwel elk debat ook over principes - en daarover kon uiteraard niemand het ooit eens worden. De Nederlandse samenleving werd dan ook absoluut niet bijeengehouden door een consensus, zoals vaak wordt beweerd, maar door het compromis. Over vrijwel alles bestonden altijd ongeveer vier meningen, maar na enig ideologisch siervuurwerk deelde men de verschillen - en dat keer op keer. De periode waarin dit soort mechanismen functioneerde, lijkt voorbij: de 'ideologische samenleving', die ongeveer een eeuw heeft geduurd, kan nu door de historici worden bijgezet op de dodenakker van het verleden.

DE EERSTE voorbereidingen daartoe werden in 1991 getroffen, met drie onlangs verschenen publicaties als resultaat: het gaat daarbij achtereenvolgens over een Tilburgse dissertatie 'Geene wet, maar de Heer' van Mirjam Hertogh over de confessionele bijdrage aan de opbouw van het stelsel van sociale zekerheid in Nederland tussen 1870 en 1975, de daarmee samenhangende studie van Joop Roebroek naar de wortels, de ontwikkeling en de ideologische vooronderstellingen van de Nederlandse sociale politiek en de verzorgingsstaat in de negentiende en twintigste eeuw onder de titel 'De beschavende invloed des tijds' en een soort bronnenuitgave van kernpublicaties uit het debat over de plaats en functie van de vakbeweging in Nederland tussen 1891 en 1991, Honderd jaar sociaal, onder redactie van Jan Peet, Bert Altena en Hein Wiedijk.

Terwijl de laatste samenhangende historische analyse van sociale zekerheid en sociale politiek ruim een halve eeuw geleden verscheen, beschikken we nu ineens over ruim zeventienhonderd pagina's, die bij elkaar drie kilo wegen.

Honderd jaar sociaal - Teksten uit honderd jaar sociale beweging en sociaal denken in Nederland is het resultaat van een lange en hier en daar omslachtige onderneming. Aanvankelijk was het de bedoeling een aantal bronnen te presenteren van het protestants-christelijke sociaal denken, maar na verloop van tijd werden de katholieken erbij gehaald, die op hun beurt de socialisten uitnodigden deel te nemen.

Om deze volgorde aan te houden: het begon met de rede van Abraham Kuyper op het Christelijk-Sociaal Congres dat in november 1891 werd gehouden, met van die prachtige zinnen als: 'Voor wie, om gevaar voor zijn geldkist af te wenden met ons in het gelid wil treden, is hier geen plaats. Het is hier heilig land en wie het betreden wil, moet eerst den voetzool van het egoïsme ontbinden. (. . .) Er is lijden om u heen, en die dat leed lijden, zijn uw broeders, zijn uw naamgenoten, van uw eigen vleesch en van uw eigen gebeente.'

In datzelfde jaar verscheen ook de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII, waarin betrekkelijk onomwonden werd vastgesteld dat de staat 'verdelende rechtvaardigheid' moest betrachten, dat wil zeggen: voor het welzijn van de proletariërs zorgen. Nu was dit alles voor een deel natuurlijk de reactie op de schokkende voorstellen van de socialisten en nog meer misschien van het succes dat zij boekten bij het organiseren van de arbeiders. De bronnenselectie had wat de socialisten betreft dan ook kunnen beginnen met het Communistisch Manifest uit 1848, waarvan enkele exemplaren ook in Amsterdam met warme instemming werden gelezen.

Maar goed, dat zou een beetje flauw zijn geweest, en gelukkig kon er ook voor de socialisten iets gevonden worden dat in 1891 speelde, namelijk het besluit van het Internationale Socialistencongres om waar mogelijk een Nationaal Arbeids-Secretariaat op te richten, als contact voor de zich ontwikkelende vakorganisatie. Zo werd Christiaan Cornelissen in Nederland de eerste 'arbeids-secretaris', als aanvoerder in de 'voorpostengevechten van den klassenstrijd, die straks algemeen zal ontbranden'.

Het zwaartepunt in de gekozen teksten valt op de manier waarop de vakbeweging zichzelf diende te organiseren en welke taak zij in de samenleving diende te vervullen, met als eindpunt een beschouwing van Karin Adelmund over 'politiek en sociale democratie' uit 1990 en Til Gardeniers over 'sociale kwesties en de menselijke verantwoordelijkheid' uit 1991 (als afronding van een in dat jaar gehouden Christelijk-Sociaal Congres).

Een redelijk uitvoerig overzicht van feiten en gebeurtenissen uit het sociale leven en een cijfermatig overzicht van de ontwikkeling van de vakbeweging sluiten het boek af. Hoewel het reeds vrij omvangrijk is, had het overigens nog wel wat dikker mogen zijn geweest: niet alleen heeft er kennelijk geen liberaal ooit iets geschreven dat als 'sociaal denken' kon worden aangemerkt, maar te regelmatig werd er bovendien geschrapt in teksten of moet de lezer genoegen nemen met een zeer beperkte selectie uit een beschouwing of document.

Desondanks is het juist door de gekozen werkwijze mogelijk te zien hoe de drie hier vertegenwoordigde stromingen zich langzaam aan de liberale hegemonie ontworstelden, onderling een modus vivendi vonden en ten slotte ernstig op zoek moesten naar een nieuwe betekenis in de samenleving (het ledental van de ANWB is ruim twee keer zo groot als van de vakbeweging).

OM DEZE BRONNEN een plaats te geven in een breder kader kunnen we te rade gaan bij de twee andere studies. In 1991 begonnen Joop Roebroek en Mirjam Hertogh aan een historisch onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse sociale politiek, in opdracht van de commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Dit onderzoek, dat uitmondde in twee studies, beperkte zich niet tot de moeizame martelgang van het totstandkomen van allerlei sociale wetten, maar koos juist voor een analyse van de opvattingen die daar achterzaten.

Er ontstonden immers drie visies op 'de sociale kwestie', een protestants-christelijke ('souvereiniteit in eigen kring'), een katholieke ('subsidiariteit') en een sociaal-democratische ('socialisatie' en 'functionele decentralisatie'). Nu zou het wat ver gaan om opbouw en ontwikkeling van deze 'vertogen' hier nader uiteen te zetten, tot en met de laatste stuiptrekkingen in de recente jaren van bezuiniging en reorganisatie.

In deze visies ging het nooit om zo maar deze of gene wet, maar werd voortdurend altijd alles in verband gebracht met het dichterbij brengen van een meer ideale samenleving. Alle strijdvragen (verplichte of vrijwillige verzekering, werknemers- of volksverzekering, verhouding tussen staat en maatschappij in de uitvoeringsorganisatie) werden in dat licht behandeld. Het probleem was alleen dat juist door dat ideologische gewicht men ook wel gedwongen was onderling een sterke concurrentiestrijd aan te gaan, waardoor het niet meeviel het compromis te vinden.

Roebroek en Hertogh poneren bovendien de stelling dat de uiteindelijke opbouw van de verzorgingsstaat niet het gevolg is van een compromis tussen confessionelen en sociaal-democraten, zoals veelal wordt aangenomen, maar gebaseerd is op een overwinning van protestanten en katholieken. Over de mate waarin het inderdaad een confessionele overwinning was, valt overigens nog wel te twisten. Dat neemt niet weg dat deze twee studies nog lange tijd centraal zullen staan in het verdere debat over sociale zekerheid en sociale politiek.

Het ware te hopen dat de huidige informateurs en onderhandelaars nog even tijd kunnen vinden om kennis te nemen van deze boeken. Aan daadkracht schijnt het 'paars' niet te ontbreken, maar aan het belang van een even fundamenteel als principieel debat wordt wat minder gewicht gehecht. De behoefte daaraan lijkt verdwenen te zijn, tegelijk met het voorbijgaan van de 'ideologische samenleving'.

Het siervuurwerk heeft een eeuw lang gespetterd, soms overtuigend of zelfs ontroerend, vaak nogal vergeefs, regelmatig ook wat langdradig en vermoeiend. Maar deze drie boeken maken ook duidelijk wat we missen nu het is gedoofd.

Piet de Rooy

J.M. Peet, L.J. Altena, C.H. Wiedijk (redactie): Honderd jaar sociaal - Teksten uit honderd jaar sociale beweging en sociaal denken in Nederland.

Sdu; 818 pagina's; * 59,90.

ISBN 90 12 08548 9.

Mirjam Hertogh, 'Geene wet, maar de Heer' - De confessionele ordening van het Nederlandse socialezekerheidsstelsel (1870-1975).

VUGA Uitgeverij; 413 pagina's; * 79,-.

ISBN 90 5749 214 8.

Joop M. Roebroek & Mirjam Hertogh: 'De beschavende invloed des tijds' - Twee eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland.

VUGA Uitgeverij; 535 pagina's; * 89,-.

ISBN 90 5749 218 0.

Meer over