Het boek als oorlogsmonument

Van schrijvers wordt meer verwacht dan mooie boeken: maatschappelijke betrokkenheid, visie, engagement bij grote conflicten. Maar soms is er een boek dat zonder die bewuste opzet toch een schokeffect veroorzaakt....

NA DE Eerste Wereldoorlog kwam in Duitsland een stroom literaire oorlogspublicaties op gang die in 1928 een absoluut hoogtepunt bereikte met Im Westen nichts Neues. Erich Maria Remarque, nom de plume van Erich Paul Remark (1898-1970), was redacteur van Sport im Bild toen hij zijn roman schreef. Aanvankelijk gaf hij het manuscript aan uitgever Samuel Fischer, maar die geloofde dat niemand meer in oorlogsliteratuur geïnteresseerd was. Uitgeverij Ullstein zag er meer in, maar wilde voor alle zekerheid de roman eerst als feuilleton laten proeven in de Vossische Zeitung. De talloze positieve reacties van het lezerspubliek zetten alle twijfel aan de kant en begin 1929 verscheen het als boek. Ruim een jaar later waren een miljoen exemplaren verkocht.

Im Westen nichts Neues beschrijft de laatste twee oorlogsjaren waarin een klas middelbare scholieren, opgehitst door een leraar, zich vrijwillig meldt voor het front. Na enkele weken Pruisische dril komt de groep in de loopgraven. De jongens bemerken al bij het eerste trommelvuur hun vergissing. Niks heldendom, hier wordt voornamelijk geleden en gesneuveld. 'We hebben alle gevoel voor elkaar verloren, we herkennen elkaar nog nauwelijks als de ander door onze gejaagde blik wordt opgevangen. Wij zijn de gevoelloze doden, die slechts door een truc van een gevaarlijke tovenaar nog lopen en doden kunnen', zegt hoofdpersoon Paul Bäumer.

Met dit boek had Remarque de juiste toon te pakken. Hij gaf een stem aan een 'verloren generatie', die in Duitsland een hardnekkig oorlogstrauma trachtte te verwerken. Zijn boek was een monument voor de miljoenen doden en verminkten, voor wie erkenning was uitgebleven. Ook andere schrijvers trachtten een literaire vorm voor de doorstane oorlogsellende te vinden. Maar de meesten bleven steken in een soldatesk nationalisme, of in een mythisch heldendom zoals in Ernst Jüngers In Stahlgewittern, waar de loopgraven de bakermat vormen van een 'nieuw mensentype'.

Opvallend was dat Remarque beslist geen politiek boek had willen schrijven, maar dat het buiten hem om juist inzet werd van heftige politieke discussies. In Duitsland veroorzaakte het boek een stroom recensies, artikelen, essays, ingezonden brieven en brochures. Het toonde aan dat Duitslands worsteling met het oorlogstrauma in volle gang was. Het boek ontsteeg de literatuur en werd middelpunt van de actuele politiek met als voornaamste inzet het 'waarheidsgehalte' van de roman. Democraten, marxisten en nationalisten, vrijwel iedereen had wel een mening over het boek.

De film van het boek, All Quiet on the Western Front, die kort daarna in Hollywood werd opgenomen, vergrootte de belangstelling nog meer en maakte de discussie nog luidruchtiger. Zo verstoorden bij de première in Berlijn SA-lieden met witte muizen de voorstelling. Dit had een luid protest van de Gesellschaft für Tierrecht tot gevolg, die niet wilde dat witte muizen als politiek wapen werden ingezet.

Boek en film waren een schande voor de heldhaftige frontsoldaat, vonden de nazi's. Kort nadat Hitler aan de macht was gekomen, organiseerde Goebbels in samenwerking met nazi-studenten boekverbrandingen in geheel Duitsland, onder meer op de Berlijnse Opernplatz. Ze maakten er een groots spektakel van. Onder het motto 'Weg met de on-Duitse literatuur!' smeten studenten stapels voor hen ongewenste boeken, die ze her en der uit bibliotheken hadden bijeengegaard, op de brandstapel.

De zorgvuldig geregisseerde voorstelling werd omlijst met marsmuziek van SA- en SS-kapellen. Geheel volgens de nazi-liturgie riep een spreker de namen af van de schrijvers wier werken in de vlammen moesten: 'Tegen het literaire verraad tegenover de soldaten van de Wereldoorlog, voor de opvoeding van het volk in de geest van de waarachtigheid! Ik geef aan het vuur prijs de geschriften van Erich Maria Remarque'. De toenmalige correspondent van de NRC was getuige van de scène: 'De meeste namen zeggen het hier verzamelde publiek blijkbaar niet veel. Bij het uitroepen van den naam Remarque komt er nog een hoeraatje', berichtte hij.

Maar niet alleen in Duitsland had Im Westen een ongekend succes, ook daarbuiten werd het werk van de ex-sportredacteur enorm populair. De eerste Nederlandse vertaling, van de hand van Annie Salomons, verscheen bij de Utrechtse uitgeverij Erven J. Bijleveld. Het bleek voor de kleine firma een gouden greep. Het boek zou jarenlang als een ongeëvenaard succesnummer op de fondslijst prijken. Inmiddels is het boek aan zijn zesentwintigste druk toe. Ronald Jonkers heeft er een modernere vertaling van gemaakt.

Hoe kon het dat dit oorlogsboek ook in Nederland, dat toch tijdens het wereldconflict aan de zijlijn stond, zo'n succes werd? De pacifistische gedachte heerste in brede lagen van de bevolking. De sociaal-democratie koesterde het 'gebroken geweertje'. Grote groepen jongeren, verenigd in verzuilde bewegingen als AJC (Arbeiders Jeugd Centrale) en VCJB (Vrijzinnig Christelijk Jongeren Bond), voerden een actief anti-oorlogsbeleid. In 1929 richtten verschillende jeugdorganisaties de Jongeren Vredes Federatie (JVF) op.

Een andere reden voor Remarque's populariteit in Nederland was dat zijn boek alom werd besproken. Simon Vestdijk schreef in mei 1929 in het Algemeen Handelsblad dat het een boek was 'waaruit het tusschen de jaren 1890 en 1900 geboren geslacht kan lezen hoe hun kameraden vernietigd zijn voor een gril, voor een materieele bevrediging van een generatie die zelfs niet in staat was de resultaten te plukken van hun waanzin'. Bordewijk noemde nog in 1953 Im Westen het 'literair meest verantwoorde oorlogsboek ooit geschreven'.

Remarque's realistische grafrede over zijn generatie kreeg ook veel waardering van de literaire bladen. Jan Campert prees in Groot Nederland de overtuigende wijze waarop Remarque zijn gegeven behandelt: 'Zij duldt geen critiek omdat zij niets verbloemt, omdat zij (letterlijk) ter zake diendende is.'

Remarque had beslist geen aanklacht willen schrijven, maar het boek was helemaal niet zo onpartijdig als het zich aankondigde, schreef de dichter J.C. Bloem in De Gemeenschap. 'Dit boek, hoezeer objectief bedoeld, heeft wel degelijk een onbewust-pacifistische strekking', aldus Bloem. Volgens de dichter had Remarque wel een compositiefout gemaakt door hoofdpersoon Paul Bäumer te laten sneuvelen. Daarover werd Bloem terechtgewezen door zijn collega Martinus Nijhoff, die in De Vrije Bladen uit de doeken deed waarom het juist een artistieke deugd was Bäumer wél te laten sneuvelen. Maar getuige Bloems reactie daarop, eveneens in De Vrije Bladen, was hij daarvan na Nijhoffs betoog allerminst overtuigd.

Menno ter Braak deed nogal zuinigjes over het boek. Hij vond Im Westen van veel minder belang dan bijvoorbeeld Journal d'un homme van Jean Guéhenno.

Ook minder enthousiast was de recensent in het katholieke tijdschrift de Boekenschouw: 'Het is een somber en pessimistisch boek, neerdrukkend, verstikkend haast als een giftgas. Men dient dit werk te lezen met een gasmasker.' Voor jongere mensen ongeschikt, oordeelde de criticus, en hij verwachtte dat ook de meeste oudere lezers het boek met weerzin terzijde zouden leggen. Hij kreeg ongelijk.

Over de filmversie schreef L.J. Jordaan in De Groene Amsterdammer van 24 januari 1931 : 'Wij hebben gevechten van allerlei aard, van allerlei formaat, van allerlei heftigheid op de film leeren kennen. Zoo gruwelijk-suggestief, zoo meesleepend, zoo meedogenloos als deze stormaanval, heb ik nog nimmer iets gezien. En toch is het geen oogenblik heroïek, geen oogenblik grootsch, zelfs geen oogenblik spannend - het is alleen maar afschuwelijk!'

Terwijl de film in Nederland volle zalen trok, was Im Westen in Duitsland inmiddels verboden. Maar talloze Duitsers van vlak over de grens profiteerden van de voorstellingen in het Enschedese theater Alhambra. Honderden Duitsers, aangevoerd met autobussen en extra treinen, bezochten dagelijks de voorstellingen. Tot de nacht van 17 op 18 februari 1931. Toen werd in de bioscoop ingebroken en de filmspoelen werden verbrand.

Volgens een bericht in de Twentsche Courant was de actie vrij zeker het werk van Duitse nazi's. De brandstichting kreeg echter een averechts effect: er werd onmiddellijk in Londen een nieuwe kopie besteld en twee weken later bleek de stroom bioscoopbezoekers uit Duitsland zelfs groter als daarvoor.

Zo bleek Remarque's schepping inderdaad een 'onvernietigbaar fenomeen', zoals L.J. Jordaan het met zijn tekening in De Groene had uitgebeeld.

Meer over