Het antwoord van moslim-ideologen

VOLGENS EEN wijdverbreide legende speelde er een glimlach rond de lippen van Sayyid Qutb, toen hij op 29 augustus 1966 in een gevangenis in Caïro naar de galg werd geleid....

Zijn meest invloedrijke boek, Wegwijzers, publiceerde Qutb in november 1964. Hierin beschuldigde hij de toenmalige leiders in het Midden-Oosten ervan niet islamitisch, maar gahili te zijn. Deze term wordt algemeen gebruikt voor het pre-islamitische tijdperk op het Arabisch schiereiland, maar Qutb en zijn geestverwanten gebruikten naast de betekenis 'pre-islamitisch' tevens de connotaties 'barbaars', 'anti-islamitisch', 'chaotisch', 'wetteloos'. Daardoor krijgt de beschuldiging gahili te zijn impliciet de betekenis een afvallige van de islam te zijn. En op afvalligheid staat de doodstraf.

Met deze beschuldiging van afvalligheid aan het adres van de Arabische heersers tekende Qutb zijn eigen doodvonnis, maar zijn invloed op de na hem komende generaties is enorm geweest. Hij creëerde een coherente ideologie die veel moslims heeft geïnspireerd tot actie, vaak zelfs tot moord in naam van de islam. Niemand die het islamitisch fundamentalisme bestudeert, kan om de persoon van Qutb heen en ook in de recente studie van de Leidse arabist Johannes Jansen, The Dual Nature of Islamic Fundamentalism, wordt een prominente plaats voor Qutb ingeruimd.

De verdienste van Jansen is dat hij de leerstellingen van Sayyid Qutb plaatst in een traditie van denkers die worstelden met de vraag hoe een eeuwenoude religie kan worden gecombineerd met de moderne politieke tijd. Hiertoe belicht hij twee figuren die de geschiedenis van de islam enorm hebben beïnvloed: Gamal al-Din Al-Afghani en Taqi al-Din Ahmad Ibn Taymiyya, die respectievelijk in de negentiende en de dertiende eeuw leefden.

Al-Afghani leefde in een tijd dat het westen op het toppunt van zijn macht stond en bijna de hele islamitische wereld onderworpen had. Al-Afghani stelde tegenover de tijd waarin hij leefde, het glorieuze verleden uit de periode van de profeet Mohammed en zijn eerste opvolgers. In zijn ogen was de achteruitgang van de islamitische wereld een straf van God, omdat de moslims niet leefden volgens de voorschriften van de islam.

Sinds de tweede helft van de negentiende eeuw zijn steeds meer moslims de mening toegedaan dat de islam niet of niet goed wordt toegepast en dat dit maar één ding kan betekenen: moslims moeten geregeerd worden door moslims die de wetten van God toepassen. In hun ogen zijn de wetten van de islam vastgelegd in de traditionele handboeken van de islamitische sharia.

Deze versimpeling van de islam tot de eis de islamitische wetgeving in te voeren, maakt het islamitisch fundamentalisme uniek en zowel politiek als religieus op hetzelfde moment, aldus Jansen. Volgens hem staan de islamitische fundamentalistische stromingen die sinds de jaren zeventig van deze eeuw groot zijn geworden, alle in deze ideologische traditie.

Jansen, die zich voornamelijk op Egypte baseert gezien de intellectuele dominantie van het land, benadrukt dat de fundamentalistische beweging niet gezien mag worden als de beweging van de armen en de machtelozen. 'Was het alleen dat geweest, dan zou het aantal volgelingen zelfs veel groter zijn geweest.' Hij ziet hierin eerder een beweging van moslims die verlangen naar het islamitische millennium. Jammer genoeg werkt hij deze verklaring niet verder uit; zijn bewering blijft daardoor een beetje in de lucht hangen.

Elders beweert hij dat in zijn ogen het islamitisch fundamentalisme het natuurlijke antwoord op de secularisatie van de heersende elite in de moslim-wereld is. Dat gaat misschien op voor landen als Egypte en Algerije, maar is een te algemene stelling om te kunnen gelden voor de hele islamitische wereld. De fundamentalisten zijn in landen als Egypte inderdaad al in grote delen van de samenleving met hun ideologie doorgedrongen. De islamisering van de moderne natiestaat is in die landen in volle gang. Maar ook een religieuze samenleving als Saudi-Arabië heeft te kampen met een fundamentalistische oppositie en in landen als Libanon en Palestina is het verzet eerder politiek georiënteerd.

Jansen overtuigt niet met zijn nadruk op de ideologische grondslagen van het fundamentalisme. Terecht stelt hij dat de harde politiemaatregelen die in de meeste landen in het Midden-Oosten worden toegepast, het fundamentalisme nooit zullen weten te onderdrukken. Willekeurige arrestaties, moord en marteling zullen de fundamentalisten eerder versterken in hun zienswijze dat de macht van de haast alomtegenwoordige staat in handen van de beste moslims gelegd moet worden die dan vervolgens de door God gegeven wetten ten uitvoer zullen brengen.

Door zich te concentreren op de geschriften van de verschillende fundamentalistische ideologen laat hij te veel de sociale werkelijkheid buiten beschouwing. De meeste analyses van het fundamentalisme richten zich bijna uitsluitend op deze realiteit en de kracht van Jansens' werk ligt erin dat eindelijk de ideologische basis weer eens helder naar voren wordt geschoven. Maar ook hij komt niet tot een verklaring waarom door sommigen de kloof tussen droom en daad ineens wordt overschreden. De klemmende vraag blijft nog altijd waarom iemand uit naam van een betere wereld onschuldige vrouwen en kinderen de keel afsnijdt om zich vervolgens weer aan de studie van de Koran te wijden.

Charles Schoenmaeckers

Johannes J.G. Jansen: The Dual Nature of Islamic Fundamentalism.

Hurst & Company; 198 pagina's; ¿ 100,40.

ISBN 1 85065 274 0.

Meer over