Sportpsychologie

Help, de Sportzomer is begonnen! Wat bezielt de sporthater?

Het begin van de Sportzomer is niet voor iedereen een feest. Sporthaters moeten zich maandenlang staande houden tijdens Code Oranje. Missen ze een gen, komt het door een slechte jeugd? Of is er iets anders aan de hand? Een verslag vanuit de patiëntenvereniging.

null Beeld Thomas Nondh Jansen
Beeld Thomas Nondh Jansen

De schok went nooit. Zoals een paar weken geleden. Bewoners van een buurtje verderop hadden ineens – het startschot moet vanuit een parallel universum zijn gegeven – hun gevels en straten behangen met vlaggetjes en slingers. Code Oranje in het hele rampgebied. Een alarmsignaal voor leden van de Patiëntenvereniging Sporthaters Verzameld (PSV). Ze gaan beginnen – wegwezen!

‘Ze’: de meute en de media die zich snollebollekend overgeven aan het vermaledijde fenomeen ‘Sportzomer’, sinds 11 juni ‘officieel’. Wie er allergisch voor is, weet wat er in de lucht hangt: sport, sport en sport. Elke dag urenlang, op tv, op de radio, in de krant, op sociale media; bij etentjes of in het café (als dat weer mag) of op het terras. Niets tegen sporten en bewegen (sommige PSV-leden zijn zelf enthousiast beoefenaar), maar het oeverloze gezever is niet te doen, voor wie de leegte niet verdraagt.

De symptomen: gaapneigingen en slaapreflexen bij de eerste woorden van de sportcommentator op radio (elke ochtend opgewonden, ongeacht de sport) of tv. Uitslaand eczeem bij de ontdekking dat alwéér een kennis zijn juli het liefst doorbrengt op de bank, acht uur per dag bier lurkend bij een stel mannen op een fiets. Verbijstering bij het pleidooi van EU-voorzitter Ursula von der Leyen voor het doorgaan van de Olympische Spelen in Tokio, die zonder blozen stelde dat ‘het grootste sporttoernooi van de wereld kan verbeelden hoe de wereld samen optrekt in het bedwingen van de coronapandemie’.

De handicaps zijn talrijk voor de sporthater: patiënt verliest langzaam het contact met de wereld door niet te weten wie Virgil van Dijk of Bauke Mollema is. Sociale uitsluiting dreigt op etentjes, borrels en op het werk. De tijdlijn van sociale media is raadselachtige codetaal, als zeven van de tien ‘trending topics’ steevast achternamen van spelers of afkortingen van spelende landen (‘#NEDFRA’) blijken. Permanent slalommen tussen de nieuwszenders, om de hinderlijke interrupties met ‘sportflitsen’ te omzeilen – het vreet energie.

Uit de mode

‘Sport is voor imbecielen’ was in de vorige eeuw nog het credo waarmee Rudy Kousbroek goede sier kon maken. Kousbroek was een intellectueel en is al tien jaar dood – beide kwalificaties zijn uit de mode geraakt. Bij de verhardgrassing van het voetbal (begin jaren negentig verscheen het eerste ‘literaire boekblad’ over dat spel) zag ook de intelligentsia groen licht voor het Grote Gezever. Kousbroek zou nu als sneue loser worden afgezonken in het open riool van Twitter.

De patiëntenvereniging heeft uitstekende ambassadeurs in mopperpot Maarten van Rossem en Arjen Lubach. Maar op besloten avondjes rijst langzaam het inzicht dat de sportkoorts zich wel als een pandemie over de wereld heeft verspreid, maar dat het probleem ligt bij de patiënt met zijn ongewone allergie voor het virus van de verdwazing.

Wat is dat toch? Ontbreekt een gen? Heb je een mentale stoornis, is er iets fout gegaan in je jeugd? Of is er iets anders aan de hand wanneer de rondjes van Max Verstappen je maar niet kunnen boeien?

Grote vragen, die raken aan kernpunten als ‘waarom houdt de een van rood en de ander van blauw?’ Oftewel: waarom verschillen mensen? Levensvragen die een stukje in de krant verre overstijgen. Serieus onderzoek hiernaar bestaat niet. Toch een poging, aan de hand van geleerden. Zeg het, dokter, wat is er loos met ons?

Om onszelf te begrijpen, moeten we eerst naar de anderen kijken. Naar de sporters en de juichende toeschouwers. Wat sporters, ook de zondagswieler in knalgroen lycra, beweegt, daar is de wetenschap wel uit. Hun geluk komt vanuit de amygdala, het ‘emotiegebied’ van de hersenen. Daar worden ‘gelukshormonen’ als dopamine aangemaakt. Samen met adrenaline – aangemaakt door prestatiedruk – wordt de sporter actiever en energieker.

Dat sporten (of beter: bewegen) tot op zekere hoogte gezond is, weet iedereen. Het verbetert de zuurstoftoevoer naar de hersenen, waardoor we beter denken en (door een verbeterde bloeddoorstroming naar de hippocampus) het geheugen versterkt wordt.

Mankementje in de evolutie

Met de toeschouwer is iets merkwaardigs aan de hand, leert de wetenschap. De bankhanger die op een mengsmering van bier en chips door de huiskamer dolt wanneer Raymond van Barneveld een pijltje in de roos werpt, is slachtoffer van een mankementje in de evolutie van de mens, zegt Mark van Vugt, evolutionair psycholoog aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

‘Lang waren toeschouwers en deelnemers bij sport dezelfden’, zegt hij. Bij stammenstrijden uit de vroegste geschiedenis was elke toeschouwer ook deelnemer aan gevechten. Dat de moderne mens ook op de luie sofa opwinding ervaart bij het kijken naar sport, is volgens Van Vugt relatief nieuw in de evolutie van de mens. De toeschouwer ervaart het kijken als zelf deelnemen: ‘Studies wijzen uit dat het mannelijke sekshormoon testosteron in het bloed toeneemt bij kijken naar sport op tv. De toeschouwer ervaart positieve emoties wanneer het ‘eigen’ team wint, bij verlies neemt het stresshormoon cortisol toe.’

Dat mankementje is een mismatch, ‘een soort hijack van ons systeem’. Die dient zich ook aan bij het kijken naar pornografie, zegt Van Vugt: ‘Je hele hormoonsysteem wordt geactiveerd, zonder dat je zelf actief deelneemt aan de handelingen. Het brein leidt je als het ware om de tuin, de toeschouwer wordt voor de gek gehouden.’

Het fenomeen heeft een (Engelse) naam: basking in reflected glory. Door zich te associëren met een succesvolle ander (persoon of groep) krijgt de toeschouwer het gevoel zelf ook succesvol te zijn. Teren op andermans eer. Niet het Nederlands elftal heeft gewonnen, maar ‘wij’.

Er zit dus een steekje los bij veel sportliefhebbers, concludeert de patiëntenvereniging tevreden. Of er iets schort aan de hormoonhuishouding van sporthaters is onbekend, maar je zou in elk geval kunnen concluderen dat ze zich niet door zichzelf voor de gek laten houden. Psycholoog Van Vugt bevestigt dat: ‘Mensen met een hoger IQ zijn minder gevoelig voor die misleiding.’

Groepsdier

De laatste categorie baseert haar sportliefde dan ook op twee andere basismotieven: ‘competentie’ en ‘affiliatie’. Het oefenen in competenties, vaardigheden, hoort tot de fundamentele behoeften van de mens, volgens Van Vugt. Dat verklaart de massale sportliefde voor een deel: liefhebbers (maar lang niet alle) sporten zelf ook. ‘Als je voetbalt, ben je waarschijnlijk eerder geïnteresseerd om het ook op tv te volgen’, zegt Van Vugt, die zelf meer tennis is gaan kijken sinds hij voetballen verruilde voor die sport. Wie niet sport, loopt op dit punt dus al achter. Zoals een sportfilosoof eens zei: da’s logisch, toch?

Bij minder beoefende sporten als handbal, baanwielrennen of badminton komt iets anders kijken: affiliatie. Oftewel identificatie met spelers of een team, omdat die uit dezelfde stad, hetzelfde dorp of land komen. Die wordt gedreven door een behoefte aan cohesie, groepsvorming en ‘gemeenschappelijk succes’. Dat gaat het makkelijkst met sporten die geliefd zijn door de grootste massa, zoals voetbal en wielrennen.

Dat is een overblijfsel uit de evolutie: gezamenlijk optrekken vergroot de kans op overleven in een wereld vol bedreigingen. Het groepsdier mens staat samen sterk; elk individueel succesje wordt een collectieve glorie. Over sport gaat het dan allang niet meer, maar dat is vaker bij sport. Het sneeuwbaleffect wil dat als een sport eenmaal wordt uitgezonden op tv, meer mensen dat van belang gaan vinden – wat op zijn beurt het gedeelde kijkplezier kan vergroten.

Afzetten tegen de rest

Wie zich aan dat mechanisme onttrekt, is mogelijk van nature minder groepsdier, of haalt zijn affiliatie ergens anders vandaan. Volgens Van Vugt gaat het dan vaker om individualistischer personen, analytischer en kosmopolitischer: ‘Associatie met je eigen stam is dan minder belangrijk voor je.’ Dat zou je een al of niet ‘genetische’ variatie in de mensheid kunnen noemen, die de verscheidenheid vergroot en daarmee, volgens de evolutieleer, weer de kans op behoud van de soort vergroot. De mensheid mag de sporthater wel dankbaar zijn.

Het zijn niet zozeer aanwijsbare persoonlijkheidsstructuren die de sporthater tekenen, maar eerder attitudes, zegt Nico van Yperen, bekend sportpsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen. Waar sport voor de ene toeschouwer een middel is om zich te afficheren met de speler of club van eigen afkomst, kan de sporthaat voor een ander juist (onbewust) een middel zijn om zich ‘af te zetten tegen het klootjesvolk’, zoals Van Yperen het desgevraagd omschrijft. ‘Je manifesteert je zo met je eigenheid: ik ben anders dan anderen.’

Die attitude zou je, denkt Van Yperen, relatief vaker moeten aantreffen bij mensen die minder nationalistische gevoelens koesteren. ‘Als je fervent voorstander van de EU bent, ben je waarschijnlijk minder voor je eigen landenteam.’

Partijdig

De crux van sport kijken is gebaseerd op partijdigheid, zegt Van Yperen. Het is de lol ervan, voor de meesten. De echte liefhebber die het intrinsiek om de sport gaat, wil dat de beste of mooiste speelstijl wint, ongeacht wie dat betreft. Dat is zeldzaam: veel toeschouwers gaat het om iets anders, of om meer dan alleen de sport.

Dat zovelen altijd weer voor voetbal lijken te kiezen (en zelden voor badminton of polsstokhoogspringen), heeft volgens Van Yperen te maken met verschillende factoren. Deels is het cultureel bepaald, soms mede door genetische aspecten: Nederlanders zijn relatief lange mensen, daarom hebben ‘wij’ op het hoogste niveau meer volleyballers en basketballers, terwijl tafeltennis meer in de Aziatische genen zit en hardlopen op het hoogste niveau wordt beoefend door Kenianen en Ethiopiërs.

Daarnaast zijn voor de toeschouwer afkomst en opvoeding bepalend voor de sportsoort, zegt Van Yperen. ‘Je houdt van voetbal omdat je ouders dat ook al deden. Datzelfde geldt voor wandelen of musea bezoeken: je ontwikkelt je vanzelf in waar je mee opgroeit.’

Ook daarin kan de individuele sporthater zich weer afzetten, om zo op zoek te gaan naar een eigen identiteit, buiten afkomst om.

De wereldwijde liefde voor voetbal heeft volgens Van Yperen te maken met de factor toeval, die het spannend maakt. ‘Bij hardlopen kun je op basis van eerdere metingen redelijk betrouwbaar de uitslag voorspellen. Dat is minder boeiend. Bij voetbal kan de bal alle kanten op rollen, de ogenschijnlijk betere ploeg kan altijd verliezen. Bovendien zijn er nauwelijks spullen nodig om het te beoefenen, waardoor het wereldwijd in alle milieus gespeeld kan worden. Dat is met cricket of schermen toch anders.’

Ongevaarlijke tegenstander

Wie dat allemaal koud laat, is slechts een mens met eigenschappen, of persoonlijkheid, zo is de conclusie. Toch de knellende vraag vanuit de patiëntenvereniging: bestaat er een medicijn? Wat kan de sporthater anders doen om zich staande te houden in de sportpandemie?

Psycholoog Van Yperen: ‘Het is natuurlijk helemaal niet erg als je niet van sport houdt. Iedereen heeft dingen die hem of haar niet interesseren. Wie er in het dagelijks leven hinder van ondervindt, hoeft geen pilletje te slikken, maar zou kunnen proberen zich toch te verdiepen in bijvoorbeeld voetbal. Om de band met collega’s of familie te versterken. Maar waarschijnlijker is dat de gemeenschappelijkheid met collega’s en familie al groot genoeg is. Omdat je andere eigenschappen hebt waarom ze je waarderen. Dat is maar goed ook: wanneer iedereen elkaars kopie is, krijg je alleen maar meer concurrentie. De sporthater is een ongevaarlijke tegenstander voor liefhebbers. Daarnaast wijst onderzoek uit dat je met vrienden weliswaar gemeenschappelijkheid moet hebben, maar dat er ook complementaire eigenschappen nodig zijn die je interessant maken.’

De liefhebbers mogen de sporthater dus wel koesteren. Voor die laatste categorie gloort intussen hoop. Volgens Van Yperen kan de collectieve sportliefde weleens ten onder gaan aan het teveel. ‘Vroeger werden hooguit twee wedstrijden per maand op tv uitgezonden, nu zie je ze dagelijks op vele zenders. Zelf kijk ik nog maar zelden een wedstrijd uit. Er wordt zo veel uitgezonden dat de gemeenschappelijkheid dreigt weg te vallen.’

Op de patiëntenvereniging werd het glas geheven. Een euforisch gevoel van overwinning ging door de zaal.

De Sportzomer bestaat niet

Bestaat de Sportzomer wel? Nee. Het is geen natuurverschijnsel, maar een verzinsel van innig verstrengelde media en marketing. De term klonk eerder, maar na de komst van commerciële televisie (1988) brak het wolkendek open. De publieke omroep (de NOS voorop) begon zich te wapenen in de allesverwoestende oorlog om kijkcijfers en sportrechten. In 2004 trapte de omroep de eerste Studio Sportzomer af. Makkelijk scoren, door een aantal evenementen – zoals de jaarlijkse Tour, EK’s, WK’s en Olympische Spelen – te verpakken onder één noemer. Voor de huidige ‘Sportzomer’ heeft de NOS 420 uur livesport aangekondigd, waaronder 220 uur Olympische Spelen.

Meer over