Heldin of hysterica

Bataven!', begon een vlugschrift 'dat in april 1806 in een groot aantal Nederlandse boekwinkels te koop lag – 'Bataven! Nu alle verdrukkingen en uitmergelingen, welken sedert den 12den junij 1798 door U geleden zijn, en zich steeds vermenigvuldigd hebben; ja dat gij sedert bijkans een Jaar onder de willekeurige magt...

door Jan Blokker

Een illegaal pamflet?

Strikt genomen niet. Dat wil zeggen nog niet. Formeel was de Bataafse Republiek in het voorjaar van 1806 nog niet ter ziele – pas in juni moest raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck plaatsmaken voor koning Lodewijk Napoleon. Tot die tijd bestond onder een vooruitstrevende grondwet in ieder geval op papier nog vrijheid van drukpers.

Maar de vooruitstrevendheden hadden hun langste tijd gehad. De Bataven zaten de facto al onder de duim van die 'Eéne', met wie de pamflettist niemand anders dan de Keizer in Parijs kan hebben bedoeld. En rechtens zou diens macht vanzelfsprekend bijna onherroepelijk worden vanaf het moment dat z'n broer het als filiaalchef in Holland voor het zeggen kreeg.

De auteur van de oproep aan de 'Bataven' nam dus zonder enige twijfel een risico door al meteen even strijdbaar als openlijk voor de dag te komen. 'Ik Vrees niets; ik ben Republikein en CHRISTEN', heette het in het 'Voorberigt', en het pathos zette zich voort tot de laatste zinnen van de inleiding, die gericht waren aan de aanstaande bewindhebbers:

'Gij die de Bataven zoekt te onderdrukken, gelukt het ulieden, weet dat mijne landgenoten langen tijd de uiterste verbittering in hun hart kunnen verbergen, maar dat hunne wraak eens, vroeg of laat, onverhoeds u treffen zal. Gij ziet hoe eene Vrouw, door niemand ondersteund, handelt.'

Een vrouw – dat was in die dagen de grote verrassing. Een vrouw die kennelijk bereid was het in haar eentje op te nemen tegen 'een vreemden overheerscher', en die zichzelf op de titelpagina van de brochure brutaalweg met naam en toenaam bekendmaakte, als om te benadrukken dat ze inderdaad nergens bang voor was. Iedereen mocht weten dat ze Maria Aletta Hulshoff heette, en in Amsterdam woonde.

Van haar kant geen spoor van twijfel over de Zaak die ze wilde dienen. Het centrale Haagse gezag dat nog net 'Bataafs' was, aarzelde even – alsof het serieus overwoog zo niet het 'vuilaardig geschrift' dan toch de schrijfster te negeren. Hoe minder gedoe met de nieuwe Franse bazen, moeten de helden gedacht hebben, des te beter.

Maar Hulshoff zelf was er kennelijk veel aan gelegen haar 'Oproeping' van zo veel mogelijk daken geschreeuwd te krijgen – en omdat de tekst intussen uit de winkelcirculatie was genomen, bleef er maar één optie over: een proces.

Wat dreef haar? En wie was ze precies? Allebei moeilijk te achterhalen.

Interessant aan Maria Aletta ('Mietje' voor intimi) is vooral het feit dat ze met haar 28 jaren – ze was als dochter van een doopsgezinde predikant geboren in 1781 – een radicale patriot is gebleven. Haar protesten tegen het Bataafse bewind en de Franse inmenging waren niet ingegeven door zoiets als vaderlandsliefde of een vroeg 'nationalistisch' sentiment; die dingen bestonden nog niet zo erg in die dagen.

Mietjes trouw gold de idealen van de Franse revolutie die in 1795 over de bevroren rivieren naar Holland waren overgewaaid, en die drie jaar later tot de vooruitstrevende constitutie hadden geleid – maar die inmiddels naar haar oordeel steeds schaamtelozer werden verloochend en verraden. In Frankrijk was de glorieuze Republiek immers al verworden tot een dictatoriaal keizerrijk. In Nederland, dat nota bene ineens een koning moest slikken, predikten de laatste Bataafse autoriteiten verzoening met de gehate Oranjeklanten! Tegen de kennelijke stroom in wilde Hulshoff de eer van het oude Bataafse patriottisme hooghouden, en haar landgenoten bezielen met nieuw revolutionair elan.

Dat waren natuurlijk nobele doelstellingen, maar de vraag is toen geweest, en is altijd gebleven, of ze niet ook een beetje een hysterica was, met een enigszins pathologische hang naar martelaarschap.

Eenmaal gearresteerd liet ze zich bijstaan door de patriotse advocaat Johan Valckenaar, die op zijn beurt ook nog de beroemde Bilderdijk inschakelde. De heren (die kort daarna allebei naar de gunsten van Lodewijk Napoleon zouden gaan lonken) schreven een pleitnota waarmee Hulshoff vast zou zijn vrijgesproken – maar Hulshoff gaf ze hun congé omdat in het pleidooi aan haar toerekeningsvatbaarheid werd getwijfeld. Omdat ze, zou je ook kunnen zeggen, niet vrijgesproken wilde worden. Ze kreeg tenslotte twee jaar 'verbeterhuis'.

Had ze het gewraakte pamflet alleen geschreven, of had ze zich, net als bij eerdere gelegenheden, als dekmantel laten gebruiken door een groepje patriotten? En zo ja, wat zouden die er dan ten koste van de arme Maria Aletta mee hebben willen bereiken? Van iets dat ook maar in de verte zou lijken op verzetsacties is in de 'Franse tijd' geen sprake geweest. Johan Joor, die de ongehoorzaamheden een paar jaar geleden in een dikke studie inventariseerde, sprak van 'onrust, opruiing en onwilligheid'. Meer is het ook nooit geworden.

Busken Huet vatte het een kleine honderd jaar later nog krasser samen, en sprak over 'een oudevrouwezamenleving, en eene opeenvolging van oudevrouwegouvernementen', die het hoofd hadden moeten bieden 'aan gebeurtenissen die naauwlijks te staan geweest waren door een onverschrokken en vindingrijk heldegeslacht.'

Zou Mietje Hulshoff in dat gezelschap de enige 'kerel' zijn geweest?

Zo is ze lang herdacht en gehuldigd, in ieder geval tot het begin van de vorige eeuw, toen ze gedurende de eerste emancipatiegolf als een lichtend voorbeeld aan de meisjes werd voorgehouden. Maar ook in een periode waarin de jaren van burgerstrijd, revolutie, Franse bezetting en inlijving zich in hernieuwde historiografische belangstelling mogen verheugen, zou degelijk biografisch onderzoek aan haar welbesteed zijn.

Maar dan niet op de manier van Geertje Wiersma, die de nog bestaande lacunes in onze kennis opvulde met quasi-literair impressionisme en amateurpsychologie die ertoe leidt dat een aanslag op Bonaparte, waarvan Hulshoff in haar verhitte fantasie misschien ooit nog wel eens heeft gedroomd, in de titel van het rare boekje bijna een feit is geworden.

We weten overigens dat het met de republikeinse Kaat Mossel uiteindelijk nog goed is afgelopen. Ze is nog even naar Amerika geëmigreerd, keerde in 1820 naar huis terug, leefde betrekkelijk teruggetrokken in de hoofdstad van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en was toen ze in 1846 overleed niet meer radicaal, maar christelijker dan ooit.

Meer over