Heel even de illusie dat het leven draaglijk is KEES OUWENS ZOEKT VERLOSSING IN HYPNOTISERENDE ORAKELTAAL

0 N DE FILM Teorema van Pasolini (1968) raakt een vermogend Milanees gezin op drift door de verschijning van een mysterieuze adonis, die tijdens een logeerpartij achtereenvolgens met alle leden van het gezin, inclusief de dienstmaagd, naar bed gaat....

Tussen de scènes zijn beelden van een stuivend en schroeiend woestijnlandschap gemonteerd, hetgeen ertoe uitnodigt het verhaal symbolisch op te vatten. De logé wordt door het gezin als een Verlosser gezien die, alvorens in het niets te verdwijnen, heel even de illusie biedt dat het leven draaglijk is.

Doordat er in de film vaak secondenlang zwijgend alleen maar gekeken wordt, suggereert Pasolini dat de interpretatie van de gebeurtenissen in de eerste plaats een kwestie van individuele waarneming is: de verlossing is geen feit, maar een theorema, een door - verraderlijke - combinatie en deductie verworven inzicht.

Aan het slot van de film ziet de vader op het station een mooie jongen zitten, en wanneer deze lonkend wegloopt, kleedt de keurige industrieel zich en plein public uit. De camera registreert zijn op de grond vallende kleren, zijn blote voeten, en hoe hij zich tussen de mensen door een weg baant naar buiten, waar hij zich onmiddellijk in het woestijnlandschap bevindt. Naakt rent hij daar rond, wanhopig schreeuwend. Of God hem hoort, blijft een raadsel; dat Hij geen hulp biedt, staat vast. Men kan zich levendig voorstellen waarom de Moederkerk niet erg ingenomen was met deze film.

In zijn nieuwe gedichtenbundel Van de verliezer & de lichtbron verwijst Kees Ouwens expliciet naar Pasolini. De titels van de zes afdelingen vormen, zoals dat ook in zijn vorige bundel het geval was, samen het laatste gedicht:

ontkleding onder de kap van het kopstation

en om de voeten ligt de dracht als een puinkegel

die naakt zijn om de man de weg te bereiden

als het geslacht de blikken scherpt om ze te schennen

tot het halflicht verbrandt in het zicht de perrons te buiten

waar de vulkaan de kreet is en de voetzool de as schoeit

Waar het in dit boek kennelijk om gaat, is enerzijds een poging zich van materiële franje te ontdoen en de wereld naakt en zuiver tegemoet te treden, en anderzijds het inzicht dat verlossing uiteindelijk uitblijft. De verliezer uit de titel is hij die zichzelf verlossen wil, maar het gevecht verliest.

Verwijzingen naar het katholieke geloof zijn frequent in al het werk van Ouwens, wiens taal ook bijbels gekleurd is. In deze bundel treffen we bijvoorbeeld Mozes aan, die na veertig jaar weer voor de Schelfzee staat, maar inziet dat het water deze keer niet zal wijken.

Tegelijkertijd is het gedicht de herinnering aan een vroegere strandvakantie, en weet de spreker dat de zekerheden van toen voorgoed verleden tijd zijn:

Ga de zee niet weerzien veertig jaar later

Geoordeeld zal worden: het is niet de zee

het is water

De titel van de bundel heeft naast de religieuze ook een filosofische kant, hetgeen wordt bevestigd door een paar verwijzingen naar Schopenhauer, volgens wie de wereld weliswaar echt bestaat, maar zich voor de mens toch primair als Vorstellung manifesteert. De mens is een lichtbron die de wereld om zich heen niet objectief waarneemt, maar projecteert. Ook voor Ouwens is het bestaan een theorema. Zo krijgt de mens goddelijke eigenschappen, want het alziend oog schept zijn eigen universum:

Ja, ik weet dat het zo is, want dit,

heer

en meester, heb ik afgelezen van uw drang

om niets uit het oog te verliezen

In dit kader verwondert het niet dat we in enkele gedichten ook verwijzingen naar Einsteins relativiteitstheorie en naar de quantumfysica tegenkomen, een theorie waarin de relatie tussen waarnemend subject en waar te nemen object op scherp gesteld is.

Dat Ouwens' wereld niet alleen zijn eigen creatie is, maar bovendien een compleet en gesloten universum, komt zelfs tot uitdrukking in de structuur van de bundel, die letterlijk van A tot Z loopt: het eerste gedicht heet 'Aan de lezer', terwijl in het laatste gedicht de letter Z domineert. Aangezien dit in de vorige bundel ook zo was en daar bovendien via het woord 'zeis' een verband met het dorp Zeist werd gelegd, ligt het voor de hand aan een cyclische levensreis te denken. De in Zeist geboren dichter komt na een lange reis weer terug bij zijn uitgangspunt dat tevens zijn dood betekent.

Zeer curieus is het in vijf gedichten genoemde driemanschap Ziesenis, Helis en Ernoul - bij dezen wordt een boekenbon uitgeloofd aan de lezer die de herkomst van dit gezelschap opheldert. De heren verbeelden niet alleen de goddelijke drieëenheid, ze doen ook denken aan Plato's gelijkenis van de menselijke ziel, waarin het verstand de menner is die de twee paarden van de hartstochten in bedwang moet houden. Ook een associatie met de bekende psychoanalytische categorieën Es, Ich en Über-Ich speelt zonder twijfel mee.

Lezers die het werk van Ouwens gevolgd hebben, zullen in deze bundel weer allerlei bekende elementen ontmoeten, zoals zijn belangstelling voor een landschap waarin weiden, rivieren en populieren overheersen. De veerman staat klaar om de dichter, al of niet met een obool onder de tong, over te zetten.

Typerend is ook een veelvuldig voorkomen van financiële en economische metaforen, als acht hij zich de bijbelse rentmeester van zijn schepping. Wrang is een gedicht over een moeder, buitengewoon aangrijpend een requiem voor een vader: 'Mijn vader en ik hebben elkaar altijd aangekeken over/ een wijdste tussenruimte heen// Om de waarheid te zeggen: onze blikken meden elkaar/ in dat niemandsland.'

Vlak voordat de man sterft, lijkt het heel even of er tussen vader en zoon een vorm van communicatie ontstaat:

Door mijn voorbehoud heen naar hem toegebogen,

riep ik zijn verlorenheid aan met het woord

dat ik mij niet heugde hem gezegd te hebben ooit,

en dat, lettergreep ongelijkluidend herhaald, als een

tweeling uit mijn mond viel, en ge heten was: Papa

Waarna de vader met gesloten ogen glimlacht als een zuigeling.

Ouwens' relatie met de wereld om hem heen, 'de werkelijkheid van anderen', is problematisch. Als deze gedichten iets meedelen, is het wel een besef van volslagen eenzaamheid. Enkele malen werpt de dichter de mogelijkheid van zelfmoord door verdrinking op, maar een echte optie is deze 'ondodelijke doding' niet. Zelfmoord is immers een doden om de dood te slim af te zijn, het is een ontoelaatbare vorm van eigenrichting. Als je afwacht gaat het vanzelf:

Tenminste eenmaal per dag dood je

naar vermogen in je het restant van

de vorige, dood je dat in je wat zich

doden laat per keer

(. . .)

Ten slotte komt aan het doden een

eind maar weet je niet of dat valt op

het moment dat je afsterft

Ouwens maakt het zichzelf, maar daarmee ook de lezer niet gemakkelijk. Zijn vorige bundel bestond goeddeels uit onverstaanbaar geraaskal van een in zichzelf opgesloten, 'omnachte' neuroot, een Hölderlin in zelfgekozen isolement. Met Van de verliezer & en de lichtbron is Ouwens terug onder de mensen, al kijkt hij nog onwennig om zich heen. Een als ongrijpbaar ervaren wereld kan niet anders dan in moeizame formuleringen, 'in de gewrongenste zegging' heroverd worden.

Zijn lange, syntactisch vaak ontsporende zinnen vol abstracta en gesubstantiveerde infinitieven doen in hun obsessieve gevecht om de waarheid te ontsluieren aan de filosofische weerbarstigheid van de Romeinse dichter Lucretius denken, soms ook aan de omzichtig tastende taalmuziek van Leopold. Hier en daar proef je in de plechtstatigheid een reviaanse humor.

De eerste twee woorden van de titel, 'Van de', plaatsen het boek misschien in de traditie van de laatste bundels van Lucebert, niet toevallig een liefhebber van Hölderlin. Want als we Ouwens ergens moeten plaatsen, is het tussen Hölderlin en Schopenhauer in, denkend en schrijvend in een torentje waarvan de poort weer openstaat:

Hij had in de periferie geleefd maar zou de werkelijkheid

gaan zien zoals zij geworden was sinds hij voor het laatst naar haar keek.

De hypnotiserende orakeltaal van Ouwens zuigt de lezer die ervoor openstaat onherroepelijk op. Deze dient minstens een half uur aan elk afzonderlijk gedicht te wijden, maar wordt voor zijn worsteling dan ook beloond met een bevrijdend soort luciditeit, een illusie dat de woestijn om ons heen tot op zekere hoogte kenbaar is. Ouwens is op zijn manier de vermeende verlosser uit Teorema.

Een bundel van dit kaliber verschijnt slechts eenmaal per decennium. In 2044 zal ter gelegenheid van Ouwens' honderdste geboortedag in Zeist een standbeeld worden onthuld, terwijl hooggeleerde biografen naarstig speuren naar de mens achter de profeet. Wij, zijn tijdgenoten, zullen blijken hem niet begrepen te hebben. Maar we hebben het in elk geval geprobeerd.

Piet Gerbrandy

Kees Ouwens: Van de verliezer & de lichtbron.

Meulenhoff; 92 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 290 5490 5.

Meer over