GROTE WOORDEN

LANG geleden schreef Simon Carmiggelt een klassiek stuk over de geheimzinnige term 'epibreren'. Die was uitgevonden door een paar ambtenaren met de afspraak dat er nooit inhoudelijke betekenis aan gegeven mocht worden....

Bureaucratie is overal, ook buiten de overheid, en dus worden op alle kantoren Jiskefetterige stopwoorden, jargon, kromtaal, running gags en gewild lollige taal gebruikt. De groeiende serie Op het Werk (in Dag In Dag Uit) getuigt er overvloedig van. Maar juist ambtenaren krijgen eerder op hun donder. Hun taal en cultuur wekten al in 1619 de gramschap van de Leidse stadssecretaris Jan van Hout. 'Waarom zo deftig, zo hooghartig, zo Haegs? Waarom zo ingewikkeld, zo onpersoonlijk, zo schools?', vroeg ooit literaturoloog Garmt Stuiveling in wanhoop. Journalist Herman van Run: 'Steeds dezelfde antieke inteelttaal.'

'Dat het gros van de bevolking het smoor heeft aan ambtenaren is voor een deel te wijten aan het ambtelijke taalgebruik', aldus Tini Visser in Beste Brave Burger (1981). De ambtenaar is 'bediende van het volk op het erf van stad en land. Hij heeft eigenlijk een geweldige baan en meer idealisme en fut dan de meeste mensen denken. Maar door zijn fossiele taal komt hij zelf over als een fossiel. Dat maakt hem tot een mikpunt van allerlei grappen. Op verjaarspartijen wordt hij soms met hoongelach begroet.'

Landmachtbevelhebber H.A. Couzy huurde de journalist Rien Robijns als ghostwriter voor zijn memoires. Desondanks: 'De matrix-organisatie werd gekenmerkt door een groot aantal kruis- en dwarsverbanden, die zo waren gelegd dat ze wel in de knoop moeten raken.' (...) 'In die constructie moest de bevelhebber enorme achterhoedegevechten leveren om zijn koers recht te houden. Hij moest (...) ook voortdurend de strijd aanbinden met zijn functionele directeuren. De bevelhebber werd zo een gekooide leeuw, die wel heel hard moest brullen om eens een keer zijn gelijk te krijgen.'

'Het onderhavige verzoekschrift bevindt zich, naar het zich laat aanzien, in de terminale behandelingsfase', noteerde onderzoeker Jan Renkema (De Taal van Den Haag). Naast 'onderhavig' zijn populair: 'desbetreffend', 'voornoemde', 'mitsgaders', 'dezerzijds' en het befehlerische 'onverwijld'. De (sporadische) hoffelijkheid ruikt naar perkament: 'Het zij mij vergund het navolgende onder Uw aandacht te brengen'. Ook is er de ing-ziekte: 'De beide ministers zijn bij de onderhandeling tot de constatering van hun in bijna alle kwesties aanwezige overeenstemming gekomen.'

Godfried Bomans citeerde in 1966 een verkeersreglement: 'Waar langs een zijbaan een pad aanwezig is dat door naar hun richting gekeerde borden volgens model 40 van de bijlage als rijwielpad is aangeduid, is het bestuurders van rijwielen verboden de rijbaan te volgen of een ander langs de rijbaan gelegen pad voorzover dat niet eveneens door naar hun richting gekeerde borden volgens de modellen 40 of 41 van de bijlage is aangeduid.' Blijf dus op het fietspad.

Kamervoorzitter Anne Vondeling begon in 1973 de Commissie Duidelijke Taal en stond bij parlementariërs als schoolfrik bekend, omdat hij woorden als 'adstrueren', 'clausule', educatief', 'interpretatie', 'prioriteit' , 'partiële' en 'substantiële' uit hun schriftelijke vragen schrapte. Sindsdien is een hele industrie ter verbetering van het ambtelijk en bestuurlijk proza ontstaan.

Onder een schrijven van mijn 'stadsdeel' stond: 'Deze brief is met grote zorg opgesteld. Toch is het mogelijk dat u het taalgebruik onduidelijk vindt. U wilt een duidelijkere brief? Streep aan wat vragen bij u oproept en stuur de bewerkte brief...'. Ik kreeg weerzin bij de volzin: 'De mogelijke realisatie van een nieuw milieudepot in Haagse Hout laat door de te doorlopen procedure helaas nog op zich wachten.' Maar dat kwam misschien doordat het oude depot maar vast was gesloten.

De taal van de overheid is nu modern: daar is nu, als in een bedrijf, overal 'aansturing' - al of niet 'integraal'. En veel 'synergie', soms al vóór de ochtendkoffiepauze. Mits men maar een eigen 'scharrelruimte' houdt. Minister Dijkstal vorig jaar: 'Blauwdrukachtige stappenplannen ter reorganisatie van de rijksdienst beschouw ik als een gepasseerd station.'

Jan Renkema heeft er verscheidene malen op gewezen dat de overheid wel degelijk volledig, precies, zakelijk en waardig moet schrijven. Maar niet overdonderend, neerbuigend, archaïsch of onnodig ingewikkeld. In Taal mag geen Belasting zijn (1994): 'Ambtenaren schrijven niet zoveel slechter dan wetenschappers, ingenieurs, redacteuren van programmabladen of letterenstudenten. Maar als het om onze positie als burgers gaat - en dan nog om onze eigen portemonnee - vallen fouten en onvolkomenheden meer op.'

Meer over