Geweld creëert zuiverheid

Is het nog mogelijk in een land dat zo door etnisch geweld is gespleten, een multiculturele samenleving te creëren? Antropoloog en Oost-Europa-deskundige Ger Duijzings is optimistisch over Kosovo....

ANTROPOLOOG Ger Duijzings koos in 1992 Kosovo uit om veldwerk te doen voor zijn promotie - in de veronderstelling dat het daar rustig zou zijn. In Kroatië had in 1991 een oorlog gewoed, in Bosnië was in april 1992 oorlog uitgebroken, maar in Letnica, een Kroatische enclave in de 'zwarte bergen' in het uiterste zuidoosten van Kosovo, verwachtte hij geen problemen. In Kosovo was het 'de Serviërs tegen de Albanezen' - de Kroaten in de enclave, meende Duijzings, stonden buiten het conflict.

Dat bleek een misrekening. Tussen juli en december 1992 vluchtte de meerderheid van de Kroatische bevolking weg uit de enclave. Die trok naar het 'moederland' Kroatië, waar ze in huizen van gevluchte Serviërs moesten wonen, in West-Slavonië. In december 1993 zocht Duijzings ze weer op - erg gelukkig waren ze er niet. De autochtone Kroaten keken neer op deze 'Albanezen'.

Door het vertrek van de Kroaten uit Kosovo stond Duijzings met lege handen. Wat nu met zijn proefschrift? Noodgedwongen besloot hij de verzameling etnografische studies waaraan hij sinds zijn doctoraalscriptie had gewerkt - allemaal gewijd aan Kosovo - te bundelen. Vorige maand promoveerde hij op Religion and the politics of identity in Kosovo.

Duijzings verdedigt de stelling dat de etnische identiteiten (Serviër, Albanees, Kroaat) niet altijd zo 'hard' zijn geweest als ze nu lijken. In rustiger perioden waren die identiteiten vaak 'dubbelzinnig'. Om te overleven in onzekere en vaak gewelddadige omstandigheden 'hebben mensen regelmatig hun identiteit ingewisseld voor een andere, of een ander geloof aangenomen'.

De Kroatische enclave Letnica is een goed voorbeeld van die dubbelzinnige identiteiten - helemaal met lege handen kwam de antropoloog toch niet uit Kosovo terug. In een indrukwekkend hoofdstuk dat leest als een journalistiek verslag, beschrijft hij de exodus van de Kroatische Kosovaren. In datzelfde hoofdstuk beschrijft hij de schimmige identiteit van veel bewoners van de regio.

Zo woonden in het dorp Stubla katholieke Albanezen die ooit moslim waren geweest, of beter, tegelijk katholiek én moslim, zogeheten 'crypto-katholieken' - afhankelijk van de situatie veranderden ze van kleur, als een kameleon. De katholiek-Albanese vrouwen van Stubla droegen nog steeds dimije (een harembroek die traditioneel door moslimvrouwen wordt gedragen).

In het naburige Vrnavokolo woonden Kroaten die vloeiend Albanees spraken, dit in scherp contrast met andere Kroaten in de regio, die niets met het Albanees te maken wilden hebben. De Albaneestalige Kroaten bleken familiebanden te hebben met etnische Albanezen uit Stubla. Ook de Kroatische, Albaneestalige vrouwen uit Vrnavokolo droegen dimije, terwijl in het dorp Vrnez, op letterlijk twee huizen afstand van Vrnavokolo, de vrouwen juist gekleed gingen in traditioneel-Kroatische rood-witte dracht. 'In de enclave', schrijft Duijzings, 'leek niemand te zijn wat hij was.'

Zo rijst uit het proefschrift een genuanceerder beeld op van Kosovaarse identiteiten dan de gangbare tweedeling Serviër/Albanees. Inmiddels is die tweedeling voor een belangrijk deel waarheid geworden, een feit geschapen door de oorlog, door geweld. Ook dat is een belangrijke gedachte in Duijzings proefschrift: geweld creëert zuiverheid, creëert vastomlijnde identiteiten waar die dubbelzinnig waren. Volgens Duijzings is in het oude Joegoslavië doelbewust gebruik gemaakt van geweld om bevolkingsgroepen te homogeniseren. Sterker nog: door het gebruik van geweld is precies die situatie ontstaan (lees: geschapen) die nu juist aanleiding was om geweld te gebruiken.

Een concreet voorbeeld daarvan is Bosnië, waar moslims in de Servische propaganda afgeschilderd werden als fundamentalisten, die een jihad tegen de Serviërs zouden beramen. Om zich daartegen te verdedigen - zo heette het - ontketenden de Serviërs een oorlog, wat tot gevolg had een opleving van het islamitische geloof onder Bosnische moslims.

Ook in Letnica drong de oorlog andere identiteiten dan de etnische naar de achtergrond. Vóór de oorlog in Kroatië ontleenden de Kosovaarse Kroaten hun identiteit aan het katholicisme, aan hun dorp, of aan de familieclan. Daar lag hun loyaliteit. In 1992 veranderde dat. De Kroaten begonnen zich te identificeren met Kroatië, het land dat ze altijd met gemengde gevoelens hadden beschouwd: het land van melk en honing, ja, maar ook een land onderhevig aan westerse invloeden, waar traditionele waarden niet meer in ere werden gehouden, een decadent land. In tijd van oorlog voelde men niettemin mee met het broedervolk. De Kosovaarse Kroaten vreesden dat in Kosovo hetzelfde kon gebeuren als in Kroatië - en voor die vrees was reden.

Want onder invloed van de oorlog verslechterden de verhoudingen tussen Serviërs en Kroaten in de regio in rap tempo. De contacten die voorheen bestonden, werden afgebroken, en het wantrouwen nam nog toe toen extreem-nationalist Vojislav Seselj, nu vice-premier van Servië, een bezoek aan de regio bracht en verklaarde dat alle Kroaten naar Kroatië 'gedeporteerd' moesten worden. Er waren incidenten, er werden huizen in brand gestoken, en het duurde niet lang eer de uittocht op gang kwam - naar het 'moederland', waar Kosovaarse Kroaten beschouwd werden als primitief en vies, 'oriëntalen' die niet thuishoorden in een geciviliseerde wereld. Terwijl die oriëntalen zelf er juist trots op waren dat ze hun 'Kroatische identiteit' onder moeilijk omstandigheden, moeilijker dan in Kroatië zelf, hoog hadden gehouden.

DUIJZINGS (37) ging in 1986 voor het eerst naar Kosovo, om onderzoek te doen in Prizren. 'Om heel banale redenen', had hij als student Joegoslavië gekozen. 'Er werd nauwelijks veldwerk gedaan. In Nijmegen, waar ik studeerde, hield eigenlijk niemand zich bezig met Oost-Europa, iedereen ging naar Italië, Spanje, Marokko. En ik kende Joegoslavië, ik was er op vakantie geweest.' In 1985 was hij begonnen Servo-Kroatisch te leren. 'Ik dacht, met die taal kan ik overal in Joegoslavië terecht. Dat was ook wel zo, maar in Prizren bleken de oude stedelijke families bij voorkeur Turks, in vroeger tijden de taal van de elite, te spreken, ongeacht de etnische achtergrond (Servisch, Albanees, Turks, zigeuner).

'Ze onderscheidden zich daarmee van de plattelandsbevolking. Prizren heeft, of had, echt nog dat stadse chauvinisme. Andere talen die in Prizren gesproken werden, waren Albanees, Servisch en Romani (door zigeuners). Dus soms zat ik met een paar mensen aan tafel, er komt iemand bij zitten, er komt nog iemand bij zitten, en er wordt voortdurend van taal gewisseld. Dat is dan niet meer te volgen.' Inmiddels is Duijzings docent Servische en Kroatische studies aan de Universiteit van Londen, en geeft hij daar les in de antropologie van de Balkan.

Sinds 1997 doet hij onderzoek voor het NIOD (voorheen het RIOD) naar de politieke en etnische situatie in en rondom Srebrenica in de jaren vlak voor en tijdens de oorlog. 'Ik moet voor het NIOD een soort cultuur-historisch achtergrondverhaal schrijven bij de val van de enclave, ik bestrijk de hele aanloopperiode. Je kunt niet goed begrijpen wat er in de oorlog is gebeurd als je niet ook begrijpt wat er vóór de oorlog is gebeurd.'

Hij heeft de stad een paar keer bezocht. Met de Servische bevolking van Srebrenica, die sinds de oorlog erg wantrouwend staat tegenover alles wat uit het buitenland komt, heeft Duijzings toch kunnen praten, 'maar alleen over de vooroorlogse periode, en over het begin van de oorlog. Niet over 1995. Daar krijg je niks over te horen. Maar dat is ook niet het doel van mijn deel van het onderzoek. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat ik niet op zoek ben naar daders, maar naar wat er in de jaren vóór ''Srebrenica'' gebeurd is. Daarover willen ze hun verhalen best kwijt.'

Is het nog mogelijk in een land dat door geweld zozeer gespleten en 'gehomogeniseerd' is - zowel Bosnië als Kosovo - een multiculturele samenleving te creëren, zoals de internationale gemeenschap wil? Vooral voor Bosnië ziet Duijzings het somber in. 'Daar zie ik niet snel de oude situatie terugkeren. Dat heeft ook te maken met de opstelling van de internationale gemeenschap, die het etnisch zuiveren in zekere zin gelegaliseerd heeft. Men beschouwde de situatie op een gegeven moment als een gegeven, en heeft de nationalisten als belangrijkste gesprekspartner geaccepteerd.

'In Kosovo is men toch wat voorzichtiger opgetreden, met een principiële stellingname tegen het etnisch zuiveren. Zelf denk ik dat als je ooit de multiculturele samenleving wilt herstellen, het belangrijk is onderscheid te maken tussen daders en mensen die geen vuile handen hebben gemaakt. Daar ligt echt een taak voor het Tribunaal in Den Haag. Door de werkelijke daders voor het gerecht te slepen, kan er een loutering plaatshebben, waardoor men weer met de ander kan samenleven.'

Voor zijn onderzoek voor het NIOD sprak hij ook met Bosnische moslims die in een Servisch gevangenkamp hebben gezeten. Uit die gesprekken bleek hem dat juist zij, die de misdadigers van gezicht kennen, een scherp onderscheid maken tussen daders en niet-daders. 'Ze hebben, verrassend genoeg, geen hekel aan alle Serviërs. Eigenlijk vooral degenen die niet direct met de daders te maken hebben gehad, bijvoorbeeld hun vrouwen, die niet in een kamp hebben gezeten, beschouwen alle Serviërs als schuldig. Zij maken geen onderscheid tussen de goeden en de slechten.'

Maar ook is er verschil tussen de stedelijke en de plattelandsbevolking. Onder moslims afkomstig uit de regio Srebrenica (stad en omliggende dorpen), merkte Duijzings dat er twee stromingen zijn, een nationalistische en een gematigde. 'Die gematigde groep wil graag terug, die zegt: in principe is samenleven mogelijk, op voorwaarde dat de daders berecht worden. Dat zijn moslims die uit de stad komen, die een multiculturele achtergrond hebben. Er is echt een groot verschil in Bosnië tussen stad en platteland.

'In de stad kwamen veel gemengde huwelijken voor. De dorpen zijn vaak etnisch zuiver. Vooral in die dorpen blijkt in de periode voorafgaand aan de oorlog door de nationalisten campagne te zijn gevoerd. Daar vielen stemmen te halen. De stad lieten de nationalisten links liggen. Wat minder bekend is, is dat er ook een heleboel Serviërs zijn geweest die uit Srebrenica zijn weggetrokken toen de oorlog begon, die wilden daar niets mee te maken hebben. Nu worden die Serviërs, als ze na de oorlog zijn teruggekeerd, met de nek aangekeken, want dat zijn verraders. Maar het geeft toch hoop dat er nog moslims en Serviërs zijn, afkomstig uit Srebrenica, die met elkaar willen samenleven. Ze hebben alleen de conjunctuur niet mee.'

Meer over