Fries doet riedels in zijn spraak

Friezen gebruiken bij het praten veel tweeklanken die in het Nederlands ontbreken: 'ai' bijvoorbeeld, of 'ioe'. Het is net alsof ze een beetje zingen....

HOE KOMT HET toch dat het Fries zo wezenlijk anders klínkt dan het Nederlands, terwijl beide talen in alle andere opzichten erg op elkaar lijken? Een van de redenen is dat in het Fries meer klinkers met elkaar gecombineerd kunnen worden dan in de Nederlandse standaardtaal. Het lijkt alsof de Friezen van zowat elke enkelvoudige klank een heel riedeltje maken.

Dat is ook wel een beetje zo, stelt drs. W. Visser, taalkundige en deskundig op het gebied van de klankleer aan de Fryske Akademy in Leeuwarden. Een klinker staat in de Friese uitspraak vaak niet in zijn eentje in de kern van een woord. Visser promoveert op 13 oktober aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij onderzocht bij het Fries de opbouw en inhoud van wat taalkundigen een syllabe noemen.

Een syllabe is zoiets als een lettergreep, met dien verstande dat 'lettergreep' vooral een begrip is uit de spellingsleer. De syllabe hoort daarentegen thuis in de klankleer. Een Fries woord als kikkert (kikker), valt uiteen in de lettergrepen 'kik' en 'kert'. Moet het worden opgedeeld in syllaben, in blokken klank, dan wordt het 'ki-kert'.

Visser heeft bekeken hoe de opbouw van de syllabe in het Fries eruit ziet. Elke syllabe, legt Visser uit, bevat een kern. Die kern is een klinker, maar kan ook bestaan uit een reeks klinkers. Daarentegen bestaat die kern in het Fries vaak uit een opeenvolgingen van klinkers die het Nederlands helemaal niet kent, of zelfs uit een medeklinker.

Voor en achter die kern kunnen medeklinkers van verschillende pluimage worden uitgesproken. Sommige combinaties van klanken kunnen in het Nederlands niet, zoals 'lj' aan het begin van het woord, behalve in het aan het Fries ontleende fierljeppen (samengesteld uit de woorden fier en ljeppen), terwijl ze in het Fries wel een bestaand woord opleveren: ljocht voor 'licht'.

Dat soort kennis over wat wel en niet kan in een syllabe zit wel in de hoofden van Friestaligen, maar ze zijn tot nu toe niet stelselmatig beschreven. Vissers proefschrift wil voorzien in die leemte.

Zo beschijft hij twee opvallende aspecten in de syllabe-vorming van het Fries die de Nederlandse standaardtaal niet of in veel mindere mate kent. Visser zet de verrassende hoeveelheid Friese tweeklanken op een rij. En hij heeft geprobeerd uit te zoeken hoe het kan dat wij toch een soort klinker horen op de plaats van de 'ingeslikte' stomme 'e' in woorden als 'boer'nrookworst'.

Tweeklanken - altijd twee klinkers - vormen in het Fries een verhaal apart. Het Nederlands kent er in principe drie: 'ei', 'ui' en 'au'. De 'oe', de 'eu' en de 'ie' horen er niet bij - dat zijn eenklanken die alleen op schrift worden weergegeven met twee letters. Voorts neigt de uitspraak van een aantal eenklanken in het Nederlands meer en meer in de richting van de tweeklank. Een woord als 'zee', eindigend op de éénklank 'ee', wordt vaak uitgesproken als 'zeej'. Dat laatste verschijnsel komt in het Fries ook voor: seej.

Het Fries kent echter ook heel veel echte tweeklanken. Door de manier waarop hij het begrip tweeklank definieert, komt Visser tot een lijst van meer dan twintig. Dat komt doordat in het Fries combinaties van twee eenklanken mogelijk zijn die in het Nederlands niet mogen.

In beide talen bestaan eenklanken die worden gevormd door de tong laag in de mond te houden ('a', 'o'), er zijn er waarbij de tong hoog gespannen staat ('ie', 'oe'). Bij de derde soort blijft de tong centraal steken: 'u'. In een tweeklank worden twee korte klanken in één vloeiende beweging uitgesproken. Daarbij mag niet elke klank met elke andere klinker worden gecombineerd.

Het Fries kent tweeklanken waarbij een lage tong-klank wordt gevolgd door een hoge ('ai', 'oi'), een hoge die voorafgaat aan een lage klank ('io', 'ioe'), en een hoge of een lage klinker gevolgd door een centrale ('o-e', 'oe-e'). Wat meer is: er bestaan in het Fries zelfs combinaties van drie klinkers, zoals in swiet (zoet), dat wordt uitgesproken als 'soe-ie-et', of fjouwer (vier) dat klinkt als 'fie-ou-er'. Het totale pakket van mogelijke combinaties levert dus een lange reeks samengestelde klinkers op.

Voorts kan in het Fries, en in een aantal oost-Nederlandse dialecten, de syllabe als kern een medeklinker hebben. Dat kan niet in het standaard-Nederlands. Het gaat om de 'l', -'m', 'n', 'ng' en de 'r'. Medeklinkers die een hoge sonoriteit, een hoge luidheid hebben. Daartoe moet wel een zogeheten 'stomme e' worden ingeslikt, als in 'boer'nkool'.

Zo kent het Fries de uitspraak 'lèp'l' voor 'lepel'. Daarin kan de slot-'l' zodanig worden uitgesproken dat hij de functie overneemt van de weggevallen klinker die de kern van de syllabe zou moeten zijn.

Het wegvallen van die 'e' zou anders namelijk een syllabe zonder kernklank opleveren, en dat bestaat niet, volgens de wetten van de fonologie. Een leppel, uitgesproken met een gewone slot-'l', is ook volgens de Friezen niks. Visser geeft een fonologische formule om het vervangen van die weggevallen 'e' door een medeklinker te verklaren. Het resultaat is wat hij noemt een volwaardige syllabe die als kern een enkele medeklinker heeft met een hoge graad van luidheid.

Grappig is dat het standaard-Nederlands met die '-en' precies het omgekeerde doet: de 'n' valt bij de uitspraak weg, terwijl de 'e' wordt gehandhaaft: 'boerekool'. Hetzelfde woord, dat in de kern kennelijk dezelfde klinkers en medeklinkers combineert, wordt aan de oppervlakte door Friezen en sprekers van het Nederlands verschillend uitgesproken.

Mieke Zijlmans

Meer over