F. BORDEWIJK

Volgende week gaat Karakter in première, een film gebaseerd op Bordewijks gelijknamige boek uit 1938, in een regie van Mike van Diem....

F. BORDEWIJK IN 1962 in een serie radiogesprekken met Nol Gregoor voor de AVRO: 'Ik maak een onderscheid tussen de schrijver en zijn boek. De schrijver is voor mij allerminst van belang. In het geheel niet (...) Het leven van de schrijver heeft eigenlijk geen belang, moet geen belang hebben voor de lezer (...) Wat de mens van zichzelf wil prijsgeven - en hij geeft natuurlijk iets prijs in ieder werk van kunst, dus ook in een boek - dat zit in het boek zelf. En als men het er niet uit kan halen, dan deugt het boek niet. Zo is mijn idee.'

Nol Gregoor in 1982 in een interview met J.A. Dautzenberg en Will Tromp over dit radiogesprek met F. Bordewijk: 'Ik heb er nu echt geen duidelijk beeld meer van, wel weet ik dat ik er een punthoofd van kreeg. Ik had het idee van: man, praat toch gewoon over je werk en je persoon, en als er iets bij is wat je niet kwijt wilt, dan zeg je: dat vertel ik niet, of wat dan ook, maar maak het allemaal niet zo verschrikkelijk moeilijk.'

De journalist en schrijver Ed van Eeden, bezig met een biografie over F. Bordewijk: 'De zoon van Bordewijk wil nog steeds niet praten, dat is jammer. Hij heeft z'n pa op diens sterfbed beloofd dat hij niks zou zeggen tegen een biograaf. Bordewijks dochter, Nick Funke-Bordewijk, was wat openhartiger, maar die is vorig jaar overleden.'

Wim Noordhoek, radiomaker bij de VPRO: 'Als je de zoon van Bordewijk aan het praten krijgt, dan doe je iets wat volgens mij nog nooit iemand gelukt is.'

Een medewerker van advocatenkantoor Bordewijk in Schiedam, waar de zoon werkt: 'Het spijt me, maar de heer Bordewijk wil de pers niet te woord staan, noch over de film Karakter, noch over zijn vader.'

Nick Funke-Bordewijk, de dochter, in 1984 in een gesprek met Wim Noordhoek van de VPRO: 'De sfeer thuis was, wat zal ik zeggen, kunstzinnig. Vader had zijn praktijk en als hij thuis kwam schreef hij. Moeder had haar muziek. Dat was de sfeer. Als we elkaar spraken, dan was het aan de maaltijden (...) Veel van vaders werk is tot stand gekomen in de huiselijke kring, met een karton op schoot en daarop een cahier, alles met de hand geschreven. Moeder zat dan aan de piano te componeren, mijn broer en ik hadden ruzie of een discussie, maar vader bleef rustig doorschrijven, die kon zich totaal afschermen, dat was heel merkwaardig.'

Siem Bakker, docent Neerlandistiek aan de Universiteit van Nijmegen en schrijver van de kleine Bordewijk-biografie Ik ben maar een dilettant: 'Bordewijk was erg op de centen, geloof ik, net als een gewone man. Hij hield van een goeie sigaar en een drankje op z'n tijd. Hij was ook een aardige werkgever. Op een dag werd ik gebeld door een studente. Ze zei: ''Mijn tante wil graag met u spreken.'' De tante had een jaar als secretaresse voor Bordewijk gewerkt op het kantoor in Schiedam. Daar was hij advocaat. Ze vertelde hoe geduldig en vriendelijk Bordewijk voor haar was. Ze was de jongste van drie secretaresses. Ze had geen opleiding. Ze zei: ''Hij hielp me.'' Je kunt weinig slechts over Bordewijk lezen, hoor.'

Dirk Coster in 1935 in De Stem over Bordewijks boek Bint: 'Wil de heer Bordewijk de schoft ten troon heffen, ten koste van den normalen mensch (...) wil hij kruipen voor dom en bruut geweld, wil hij ons vaderlandsche en historische verleden bezoedelen door er ideeën over te luchten die zelfs in het brein van een polderjongen niet zouden opkomen (...) dat zou alles nog verdragelijk zijn, er zijn meer slecht gedachte en geschreven boekjes op de wereld, en ach, wat komt er allemaal niet op in het hoofd van een intellectueel die stikvol angsten en zenuwkwaaltjes zit, hoe droomt hij niet van de sterke man die geen kwaal en angsten kent (...) Maar dat deze onsmakelijke lef-droom in ons tot nu toe gezonde Holland unaniem geprezen en deftig beschouwd wordt (...) dat bewijst dat ook in ons land de hysterie en de intellectuele verdomming reeds ver is gevorderd. Zouden wij dan toch dichter bij het derde Nederlandse rijk zijn dan we denken? Neen, goddank, het krantenvullende, complexenverwerkende literatendom is nog lang het eenvoudige en gezonde Nederlandse volk niet, het volk der arbeiders, der ingenieurs, der leeraren, der doctoren...'

Bint, de schooldirecteur uit Bordewijks gelijknamige boek uit 1934: 'Ik eis van ieder: tucht. Ik ben hoogst modern. De tijd is voorbij van gemoedelijkheid, van verbroedering. Dit geslacht is te bandeloos (...) Men moet de cirkelgang durven gaan. Er is snelle verwildering. Men moet ver teruggrijpen en snel, naar het oude systeem van macht en van vrees. Dit oude is het nieuwste, het beste, het enige. Ik eis: een stalen tucht. Nu ga.'

De schrijver Pierre H. Dubois in het essay Over F. Bordewijk uit 1953: 'Toen Bordewijk zich (de angst voor de chaos) bewust werd (...) herkende hij tevens datgene wat in hemzelf de chaos overmeesteren kon, de kracht tot orde en de macht tot tucht (...) En zo ontstond de roman Bint.'

Pierre H. Dubois nu: 'Dat essay was de uitwerking van een lezing die ik gehouden heb samen met Bordewijk. Wij gingen samen op tournee. Voor de pauze hield ik mijn lezing en na de pauze las hij dan voor. Er waren een aantal werken van hem waar ik geen pest aan vond. Dat wist hij en uitgerekend uit die werken las hij voor. Dat vond ik verschrikkelijk. Hij was een man die geen vrienden had, voor zover ik weet. Hij was altijd heel afstandelijk.

'Ik heb hem zelf betrekkelijk goed gekend. Wij zaten in het begin van de jaren vijftig allebei in de Campertstichting en wij hielden samen lezingen in het land. Ik ben wel bij hem thuis geweest. Hij was vriendelijk, beleefd, heel keurig, maar je kreeg geen contact met hem, hij was geen warme man. Ik ben goed bevriend geweest met zijn dochter, wij tutoyeerden elkaar. Ik heb er bij haar op aangedrongen dat zij haar medewerking zou verlenen aan de biografie van Reinold Vugs. Ik zei tegen haar: ''Die biografie komt er toch wel. Als jullie niet meewerken, dan gebeurt het zonder jullie.'' Maar ze vertikte het, net als haar broer. Als ze mij iets vertelde over haar vader, dan zei ze erbij: ''Je moet me zweren dat je het tegen niemand zegt.''

'Uit die raadselachtige geslotenheid van dat gezin is tenslotte mijn gedachte voortgekomen van de orde en de tucht als wapens tegen de angst voor de chaos. Het is maar een psychologische theorie, en ik geef hem graag voor een betere, al is hij wel overgenomen.'

De schrijver W.F. Hermans over Bordewijk in 1979: 'Zijn uiterlijk had niets artistieks, zijn conversatie niets frivools. Zijn optreden was vriendelijk, maar afgemeten en op een afstand. Zo is hij altijd 'meneer Hermans' blijven zeggen, al was hij 37 jaar ouder dan ik (...) Iemand die hem beter kende dan ik, ben ik nooit tegengekomen en ik kende hem al zo slecht.'

Mevrouw Bordewijk-Roepman aan het einde van de levensschets van haar echtgenoot uit 1953, het enige wat ze over haar man heeft geschreven: '(Zijn leven) bevat zoveel belangrijks dat ik er - enerzijds - alle bladzijden van de dikste foliant mee zou kunnen vullen, en dat mij - anderzijds - de achterkant van een postzegel daartoe voldoende zou zijn. Ik zal u op weg helpen. U zult het niet vinden in de kleine woorden, doch in de ruimte daartussen. Het is iets dat het roest van de tijd niet aanvreten kan, dat het water van alle oceanen niet uithollen kan, waar de meest giftige pijl machteloos op afstuit. Maar wat het is vertel ik u niet.'

Reinold Vugs, schrijver van de in 1995 verschenen biografie F. Bordewijk: 'Lees mijn boek. Lees het einde van hoofdstuk 7. Daaruit is wel wat aardigs te putten. Meer heb ik niet te zeggen.'

Het einde van hoofdstuk 7, getiteld Naderende oorlog, uit de biografie van Reinold Vugs: 'Vier maanden voor zijn dood schreef de auteur aan W.F. Hermans: 'Inderdaad, er zijn sporen van sadisme te vinden: ontzag voor de wrede en perfecte misdaad, voor de onmenselijke tucht. Maar ik objektiveer dit bij verder schrijven steeds.' Deze fascinatie, bijna bezetenheid voor het slechtste en zwartste in de mens loopt als een rode draad door zijn werk (...) Onder schone schijn schuilt chaos (...) De mens voert een constante strijd om het dierlijke en monsterlijke in hem te onderdrukken en bedwingen (...) De begrippen 'angst' en 'tucht', die de kern van Bordewijks werk raken, houden hiermee direct verband. De angst voor het 'primitieve zelf' kan alleen door tucht verdrongen worden, of beheersbaar worden gemaakt (...) 'Angst' was voor Bordewijk de motivatie van zijn schrijverschap. Hij moest zich 'uitschrijven' om de angst beheersbaar te maken.'

Bordewijk in het gesprek met Nol Gregoor: 'U gebruikt de uitdrukking 'van je af schrijven', maar dat heb ik nooit gedaan, nee. Ik heb natuurlijk wel een behoefte eraan te schrijven, maar niet om iets bepaalds in mezelf te overwinnen als het ware door het op papier te zetten. Nee, daar ben ik misschien te nuchter voor en te koel.'

Reinold Vugs in hoofdstuk 7: 'De schrijver Bordewijk (Hyde) kon niet zonder de advocaat (Jekyll). De advocatuur was de rem op de oerimpulsen van de schrijver, of omgekeerd: het schrijven in de avonduren was een ventiel waaruit Bordewijk de stoom kon afblazen die hij als advocaat overdag had opgebouwd.'

Ed van Eeden, de schrijver die werkt aan Bordewijks biografie: 'Reinold Vugs heeft een eerbiedwaardige hoeveelheid werk verzet. Hij heeft veel onbekende dingen aan het licht gebracht. Maar ik weet zeker dat er nog meer te vinden is. Ik ben ervan overtuigd dat ik tenslotte een soort sleutel zal vinden.'

Bordewijks dochter in het interview met Wim Noordhoek: 'Vader was gebittengek, ook in z'n werk. Daar lette hij altijd op. Waarom weet ik niet. Een van de eerste dingen die vader altijd vertelde van mensen die hij ontmoet had, was de staat van het gebit. Vreemd he? Maar ja, je begint met bijten.'

Meer over