Wild Idee

Explodeerde onze creativiteit doordat we in grote groepen leefden?

De wetenschap barst van wilde ideeën die nog onbewezen zijn. Maar hoe overtuigend zijn ze? Deze week: de menselijke vindingrijkheid kwam pas echt op gang toen we in grotere groepen leefden.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

Wat is het idee?

Vuistbijlen. Speerpunten. Vishaakjes. En dan: grotschilderingen, kralenkettingen en lichtgewicht pijlen. De mensheid bestaat al honderdduizenden jaren, maar de meest verfijnde uitvindingen deden we pas in de laatste paar tienduizend jaar.

Volgens een verzameling theorieën kwam dat niet doordat het creatieve kwartje eindelijk viel in ons brein, maar door iets veel eenvoudigers: we gingen in grotere groepen leven. Want alleen dan, met genoeg mensen bij elkaar, krijgt innovatie echt vaart, stelt cultureel evolutiebioloog Joseph Henrich van Harvard University in Plos Computational Biology. Het wiel hoeft dan niet telkens opnieuw te worden uitgevonden.

Wat is er zo wild aan?

Het grote-groepen-maakt-meer-innovatie-mogelijkidee zou een hoop raadsels over de mensheid oplossen. Zo graven paleoantropologen steeds meer prehistorische menselijke schedels op die nagenoeg evenveel hersenpanruimte boden als bij moderne mensen. De belangrijkste is 300 duizend jaar oud en lag in een grot in Marokko. Dat maakt de kans dat onze hersenpan pas 50 duizend jaar geleden een plotselinge groeispurt onderging om speciale uitvindingen te doen steeds kleiner, schrijft Mark Thomas in Science.

Thomas vermoedt ook dat groepsgrootte verklaart hoe mensen konden verschillen van neanderthalers, waarvan immers inmiddels ook wel duidelijk is dat ze cultuur hadden en uitvindingen deden, maar die toch uitstierven. Neanderthalers leefden in groepjes van tientallen mensen, in plaats van honderden, en dat kan net dat belangrijke beetje vindingrijkheid hebben afgeknot, schrijft hij.

Waarom zou het kunnen kloppen?

Dat er een minimumgroepsgrootte nodig is voor mensen om dingen van elkaar te leren, staat buiten kijf, zegt emeritus hoogleraar biologische antropologie Carel van Schaik aan de universiteit van Zürich. ‘Die aanname moet gewoon kloppen, tenzij er sociale processen zijn die innovatie tegengaan als er meer mensen zijn.’ Van Schaik onderzocht zelf hoe groepen chimpansees en orang-oetans in dierentuinen gereedschapstrucs leren.

En ja: er zijn voorzichtige aanwijzingen dat een grotere groep meer vindingrijkheid stimuleert. Zo zien Australische onderzoekers dat taal sneller vernieuwt in grote bevolkingsgroepen. En als Henrich en Thomas de steentijd opnieuw laten afspelen in computersimulaties, zien ze dat met grotere groepen de kans toeneemt dat mensen meer vaardigheden opdoen en vooral ook dat ze deze vasthouden.

Wat spreekt de theorie tegen?

Toch is het verhaal ook weer niet zó eenduidig. Wetenschapsfilosoof Krist Vaesen van de TU Eindhoven, tevens verbonden aan de archeologietak van de Universiteit Leiden, wijst op wat ongemakkelijke vondsten. De grottekeningen aan de wieg van de creativiteitsexplosie? Daar stopten mensen ook weer mee. ‘Van twaalfduizend jaar geleden vinden we alleen stenen met wat cirkeltjes erop’, zegt hij. ‘Uitvindingen kwamen en verdwenen en we zien in opgravingen geen duidelijke relatie met groepsgrootte.’

Misschien was er niet eens een plotse innovatieversnelling in de steentijd die een verklaring behoeft, zegt zowel Van Schaik als Vaesen. Dat idee berust vooral op hoe speciaal archeologen bepaalde vondsten vinden. Vaesen: ‘Maar misschien zijn de dingen die wij interessant vinden, helemaal niet zo interessant. Het kan allemaal ook heel geleidelijk zijn gegaan. Misschien waren neanderthalers net zo innovatief en stierven ze door dom toeval uit. We weten het niet.’

Meer over