REPORTAGE

Een uniek Wagenings proefveld toont de rol die tijd speelt bij natuurherstel

Het wegen van de biomassa op het Ossekampen Graslandexperiment bij Wageningen in 1958, het jaar van de aanleg. Beeld WUR
Het wegen van de biomassa op het Ossekampen Graslandexperiment bij Wageningen in 1958, het jaar van de aanleg.Beeld WUR

De stikstofuitstoot moet 70 procent dalen om de natuur te herstellen, volgens een recent rapport. De metingen op een uniek proefveld bij Wageningen speelden hierin een rol – maar ze hebben er ook nog iets anders ontdekt.

Niets aan dit grasveldje bij Wageningen, verscholen achter een opgedoekte veehouderij die oogt als het decor van Once Upon a Time in the West, doet vermoeden hoe bijzonder het is. Het Ossekampen Graslandexperiment, zoals het veldje heet, is het op een na oudste proefveld in Europa waar de effecten van bemesting op de natuur worden gemeten. Dat gebeurt al sinds 1958.

De aanblik: een grasvlakte die is opgedeeld in zestien veldjes van 2,5 bij 16 meter. De stroken liggen pal naast elkaar, maar ze worden al decennia lang op een andere manier behandeld. Op de ene strook wordt gevoed met stikstof, fosfor of kalium, op andere stroken met alle mogelijke combinaties, of juist helemaal niets. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk wat de effecten van stikstof op de begroeiing zijn. De metingen hier speelden een rol in het rapport dat elf ecologen onlangs publiceerden, waarin zij concluderen dat minstens 70 procent reductie van stikstofuitstoot nodig is om de natuur te herstellen. Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer en plantenecologie en een van de drijvende krachten achter dit experiment, beschreef zijn bevindingen op de Ossekampen uitgebreid in het wetenschappelijk tijdschrift Diversity and Distributions.

De bebouwing van Wageningen rukt langzaam op naar dit proefveld, gelegen tussen de stuwwallen van Wageningen aan de ene en Rhenen aan de andere kant. Hier op de klei, dicht bij de Rijn, lagen in de jaren dertig en veertig nog grote oppervlakten bloemrijke weide, waarin ook veel bijzondere plantensoorten voorkwamen. Iets meer naar het noorden, op het veen, lagen bloemrijke hooilanden vol orchideeën. Totdat landbouw en (kunst)mest het landschap beslissend beïnvloedden.

Het wegen van de biomassa in 2007. Beeld WUR
Het wegen van de biomassa in 2007.Beeld WUR

Boven het grasland scheert een eenzame kievit, er klinkt een enkele tureluur en zelfs een veldleeuwerik. Op het eerste gezicht oogt de grasvlakte hier monotoon. De leek zou er schouderophalend aan voorbijlopen. Maar, zoals Berendse zegt: ‘Als je op de knieën gaat, gaat er een wereld voor je open.’

Kraailook en veldzuring

In juni staat het hier volop in bloei. Nu, op een kille voorjaarsdag met regen in de lucht, moeten we het hebben van de details. Samen met de Wageningse collega-onderzoeker Rob Geerts wijst Berendse op de verschillen in de stroken. ‘Kijk’, gebaart Geerts: ‘Kraailook, familie van ons uitje. Rood zwenkgras, veldzuring, de scherpe boterbloem. En hier nog een witte klaver, een echte beweidingssoort.’

Allemaal soorten die even verderop ontbreken, op de strook die volledig bemest werd met stikstof, fosfor en kalium. Daar staat fioringras, grote vossenstaart, wat scherpe boterbloem en behoorlijk wat Engels raaigras. ‘Veel monotoner dan het onbemeste veld hiernaast’, zeggen de twee. De conclusie is duidelijk: ‘Mest is de pest’, zo vat Berendse die kernachtig samen.

In de eerste dertig jaar van dit experiment daalde de diversiteit van plantensoorten gestaag. Vooral lage kruiden en korte grassoorten namen af. Het gevolg van verzuring, veroorzaakt door zwaveldioxide en de inmiddels roemruchte stikstofdepositie.

Een botanische graslandexcursie in het Binnenveld van Wageningen, nabij de Ossekampen in juni 1946. De man met de schoudertas is D.M. de Vries, mede-initiatiefnemer van de aanleg van het proefveld in 1958. Beeld WUR
Een botanische graslandexcursie in het Binnenveld van Wageningen, nabij de Ossekampen in juni 1946. De man met de schoudertas is D.M. de Vries, mede-initiatiefnemer van de aanleg van het proefveld in 1958.Beeld WUR

Geerts: ‘In de eerste paar jaar hebben de volledig bemeste stroken hier 70 procent van alle soorten verloren. Op andere veldjes gingen we van 30 of 40 soorten in een paar jaar naar nog maar 10 tot 15.’

Door milieumaatregelen nam de stikstofdepositie rond 1990 af. Langzaam nam de diversiteit op de proefveldjes ook weer toe.

Het opmerkelijke, volgens de onderzoekers: ‘Een deel van die verbetering van diversiteit zagen wij ook in veldjes die we met stikstof hadden bemest en waar de dalende stikstofdepositie dus geen effect had. Weliswaar was de verbetering daar veel kleiner, maar die kon dus niet alleen maar het gevolg zijn van een daling van de stikstofdepositie. Er moet een verband zijn met de tijd die planten nodig hebben om zich te vestigen.’

Stikstofdepositie

Berendse stuurde een artikel hierover naar het wetenschappelijk tijdschrift Nature, dat eerder een volledige link tussen stikstofdepositie en diversiteit had gelegd zonder de factor tijd hierin te betrekken, maar dat blad publiceerde zijn nuancering niet. Berendse: ‘Kennelijk vonden ze het toch te bedreigend terug te moeten komen op eerdere bevindingen.’

De cruciale rol van stikstofdepositie in herstel van biodiversiteit is volgens Berendse evident, maar de belangrijke rol van de factor tijd is de crux van dit experiment. In sommige gevallen zagen de onderzoekers dat bijvoorbeeld fluitenkruid er wel vijftien jaar over kon doen om van het ene veldje naar het andere te komen. Terwijl er maar een paar meter tussen zat.

Dat is het grote probleem met het hedendaagse landschap, zegt Berendse: ‘Er zijn de laatste decennia permanent veranderingen geweest, ook in natuurgebieden. De ruimtelijke context veranderde voortdurend, net als de gemiddelde temperatuur, regenval en de grondwaterstand. Elke keer als het milieu verandert, zien we soorten verdwijnen. Terwijl het decennia kan duren voordat soorten die horen bij die nieuwe omstandigheden zijn gearriveerd.’

Tijd is dus de sleutel naar herstel. Berendse: ‘Ik denk dat een systeem vanzelf weer rijker wordt, al moet je soms honderd jaar wachten. Voor alle omstandigheden is er een aantal soorten die zich aanpassen. De kans dat ze er komen, is wel steeds kleiner geworden.’

Een botanische graslandexcursie in het Binnenveld van Wageningen, nabij de Ossekampen in juni 1946. Beeld WUR
Een botanische graslandexcursie in het Binnenveld van Wageningen, nabij de Ossekampen in juni 1946.Beeld WUR

Tijd heeft de dynamische landbouwsector niet. Daarom wijst Rob Geerts op een tussenoplossing: het veldje waarop alleen fosfaat en kalium werd toegevoegd, en geen stikstof. ‘Daar vind je nog steeds dertig soorten grassen en kruiden, met een productie die voor de boer heel acceptabel is. De stikstof wordt er gebonden door vlinderbloemigen als rode klaver, rolklaver en veldlathyrus. Dat zijn belangrijke nectarplanten voor insecten.’

Melkveebedrijf

Geerts: ‘Stel dat je op een melkveebedrijf van 50 hectare één of twee hectare inricht als kruidenrijk grasland, dan is dat prima inpasbaar, zonder dat je melkopbrengst achteruitgaat. Dat is voor het vee gezond, en je doet wat aan biodiversiteit en natuurbeheer. Gelukkig gaan steeds meer boeren die kant op; het zou mooi zijn wanneer ze meer beloond werden om dit te doen.’

Op de verlanglijst van de twee staat meer onderzoek naar de effecten van bemesting op het bodemleven en insecten. De proefveldjes bij Wageningen herbergen een reeks bijzondere planten die ooit ‘gewoon’ waren. Allemaal op de veldjes die geen stikstof kregen toegediend.

Het tweetal wijst op de blauwe knoop. ‘Hier: trilgras. Dat vind je verder alleen nog in de kalkgraslanden van Zuid-Limburg.’ Verderop staat spits havikskruid, een rodelijstsoort. ‘Dit zijn allemaal kleine natuurreservaatjes’, zegt Berendse, terwijl hij opveert bij zijn veldjes.

Meer over