Een stamboom voor de eik

Om te voorkomen dat de autochtone eiken uit Nederland worden verdrongen, moeten die veel worden aangeplant, stellen natuurwaarde-kenners. Nieuw onderzoek wijst echter uit dat er weinig autochtoons is aan de 'eigen' Nederlandse eik....

Maarten Evenblij

BESTAAT ER zoiets als een 'eigen' Nederlandse eik? Welzeker, stellen sommigen, en die moet hier zoveel mogelijk worden aangeplant. Maar helaas voor degenen die het zeggen: de wetenschap, uitgerust met nieuwe technieken, geeft hun ongelijk.

Volgens een internationaal onderzoek dat nu wordt afgerond, bestaat het natuurlijke eikenbos van weleer niet meer. Wie zich inspant voor de terugkeer van de 'autochtone', van oorsprong Spaanse en Italiaanse eik ten koste van de aangeplante Balkanese soortgenoten, moet rekenen op een mislukking, legt drs. Barbara van Dam uit.

Zij is teamleider genetische biodiversiteit en populatie-ecologie bij het Wageningse onderzoeksintituut Alterra. Al jaren bestudeert zij bomen als eiken en populieren. Nu is ze bezig met de afronding van het internationale onderzoek.

Dat onderzoek handelt over de verspreiding van de Europese eik na de laatste ijstijd. Toen aan het eind van die periode het klimaat langzaam warmer werd, vanaf twintigduizend jaar geleden, begon de eik aan een gestage comeback vanuit enkele gebieden in Zuid-Europa. In deze gebieden, de zogenoemde refugia, hadden de bomen zich kunnen handhaven tijdens de honderdduizend jaar dat het ijs Noord-Europa bedekte en toendra's en savannes de rest van het werelddeel.

Research aan stuifmeel in oude aardlagen laat zien dat de bomen zich in zesduizend jaar tijd vanuit twee van die refugia in Midden-Italië en Zuid-Spanje verspreidden over Noordwest-Europa. De eiken uit de Balkan hielden een meer oostelijke route aan - met een enkele uitloper naar Normandië en de Pyreneeën. In Nederland kwamen de van oorsprong Spaanse eiken en de Italiaanse bij elkaar: de Italiaanse staan voornamelijk in Zuidoost-Nederland, de Spaanse vooral in het noordwesten.

Nieuwe DNA-technieken maken het mogelijk de eiken veel gedetailleerder te bestuderen dan met stuifmeelkorrels, de klassieke manier. Overeenkomst in erfelijk materiaal zegt iets over afstamming. Van Dam en de deelnemers in het Europese project bestudeerden het DNA uit bladgroen. Daarmee kunnen gemakkelijk stambomen worden gemaakt.

Helaas is dit DNA alleen van de moeder afkomstig. Vaderplanten dragen hun bladgroenkorrels niet over op hun nageslacht. Daarom valt alleen te constateren dat de moeders van de hier aangetroffen eiken uit Spanje, Italië of de Balkan stammen.

Ze blijken vooral uit de Balkan te komen. Want het gros van de eiken die in de Nederlandse bossen staan, is van daaruit geïmporteerd in het kader van herbebossingsprogramma's. De Balkanese variëteiten van de Nederlandse zomer- en wintereik hebben fraaie grote en rechte stammen, handig voor planken. Vooral de Balkanese zomereik was daarom in trek.

Het internationale team waarvan Van Dam deel uitmaakte, boog zich een aantal jaren lang over de genetische kenmerken van de bladgroenkorrels van de Europese eiken. De teamleden maakten een kaart van de verspreiding van de eiken in bossen die als authentiek waren aangemerkt. Anders zouden ze immers het DNA van vooral geïmporteerde eikensoorten in hun reageerbuisjes krijgen.

Van Dam: 'We ontdekten iets bijzonders. Niet alleen verspreidde de eik zich met een ongelooflijk grote snelheid van vijfhonderd meter per jaar, wat we al wisten van het stuifmeelkorrel-onderzoek. Maar we troffen ook gebieden van tweehonderd bij tweehonderd kilometer aan waarin vooral één genetisch type groeide. Met onze modellen, die uitgingen van minder snelle verspreiding, konden we dat niet verklaren.'

Eiken zijn namelijk geen hardlopers. Pas als een boom 25 jaar oud is, zet deze voor het eerst vrucht. En een eikel valt niet ver van de stam. Het eikenstuifmeel draagt wel ver, maar de eikels zelf vallen in het algemeen in de directe omgeving. Knaagdieren en Vlaamse gaaien kunnen eikels meenemen, maar niet zover dat daarmee de snelle verspreiding verklaard kan worden. En zeker niet het 'vleksgewijze' patroon van verspreiding.

'De enige verklaring is dat af en toe een eikel erg ver komt en daar, als een soort stammoeder, het centrum van een nieuw gebied wordt', legt Van Dam uit. Reizigers van ver voor de jaartelling zouden die eikels verspreid kunnen hebben. In oude vuurplaatsen zijn eikels gevonden, die waarschijnlijk als voedsel voor onderweg dienden.

'Maar het is waarschijnlijker dat de eikels door riviertjes zijn meegenomen. Dat is bijzonder, omdat eikels normaal gesproken naar de bodem zinken en daar verrotten. Soms blijven ze echter wél drijven, als bepaalde insecten de eikels aanvreten zonder hun kiemkracht aan te tasten.'

De theorie van Van Dam is gebaseerd op het verspreidingsmechanisme van eiken in Zuid-Afrika, maar levert in computermodellen voor Europa de verspreidingspatronen van de Italiaanse en Spaanse eiktypes op die ook in werkelijkheid worden gevonden. De discussie is nu of juist die 'autochtone' types zoveel mogelijk moeten worden aangeplant om de Balkanese eik een halt toe te roepen. Want deze eik wordt als 'vreemd' gezien, omdat hij niet op eigen kracht naar Nederland is gekomen.

De firma Bronnen, een bedrijf in de Gelderse Heilig Land-Stichting dat zich beijvert voor de terugkeer van autochtone bomen en struiken, is daarvan voorstander. 'Maar niet door de Balkanese eiken om te zagen en er autochtone Italiaanse of Spaanse exemplaren voor in de plaats te zetten', benadrukt directeur drs. Henny Ketelaar.

Bronnen onderzoekt, kweekt en verkoopt zaailingen van (bijna) uitgestorven houtige gewassen ten behoeve van natuurbeheer. Zoals wilde peer en appel, kraagroos, taxus, gesteelde iep, winter- en zomerlinde en dus ook de oorspronkelijke winter- en zomereik. In Nederland staan er daarvan nog maar enkele honderden, soms slechts enkele.

Ketelaar meent dat de soorten die op eigen kracht naar onze streek gekomen zijn, beter dan geïmporteerde zijn aangepast aan de omstandigheden hier. Sommige zijn bijvoorbeeld minder gevoelig voor meeldouw of vorst dan zuidelijkere rassen.

'Van sommige soorten zijn nog maar een paar genetische relicten over. Die willen wij gebruiken om mee verder te kweken. Onlangs stuitte ik op een paar eiken die waarschijnlijk duizend jaar oud zijn. Die zijn van vóór mensen met eiken door Europa gingen slepen, dus ongetwijfeld autochtoon.'

Maar Van Dam denkt dat zulke autochtone bomen uitzonderingen zijn. De onderzoekster verwacht dat er bijna geen enkele oorspronkelijke eik meer in Nederland te vinden is. Zelfs niet de exemplaren die met haar 'oerboomtest' met bladgroen als autochtoon zijn aangemerkt. Die meet immers alleen de moederlijke afstamming en zegt niets over vaders kant.

Van Dam: 'Meer dan 80 procent van de bestuiving heeft plaats met ''vreemd'' stuifmeel - dat niet afkomstig is van het groepje bomen uit de directe omgeving. Met zo'n groot percentage aangeplante Balkanese eiken in Nederland, is de kans op kruising tussen Italiaanse en Spaanse eiken met die uit de Balkan erg groot.'

Meer over