Een ruimtereiziger die even komt kijken

Na drie poëziebundels schreef Esther Jansma een roman, 'Picknick op de wenteltrap', die ogenschijnlijk lichtvoetig en geestig is, maar tussen de regels huist groot verdriet....

ALS MEISJE van vijf viel ze in de Amstel. 'Viel ik bijna in de Amstel. Ik bleef hangen tussen wal en schip. Met mijn ene arm leunde ik op de kade, met mijn andere op een bootje. Mijn vader greep me bij mijn nekvel. Ik kon niet zwemmen, hij heeft me gered.' Ze hield er een droom aan over die steeds weer terugkeerde. 'Ik val in de Amstel en denk: jottem!, nu ga ik dood en zie ik allemaal mooie kleuren.'

Dood hoefde ze niet, vlak voor het slapen gaan zag ze die kleuren ook. In Picknick op de wenteltrap formuleert Esther Jansma (38) deze troost: Als je lang genoeg met open ogen in het donker kijkt, zie je gekleurde stipjes door de kamer zwermen. 'Herken jij die betovering ook uit je kinderjaren? Je bent de eerste van wie ik dat hoor' Ze straalt, met wijd opengesperde blauwe ogen, en steekt een sigaret op. Haar boekje aait ze liefdevol. 'Dit is een wonderlijk verhaal. Ik weet bij god niet hoe het in andere hoofden gaat zitten.'

'Roman' staat er op het omslag, Picknick op de wenteltrap is bovendien haar - vorige week verschenen - romandebuut. Eerder publiceerde Jansma drie poëziebundels: Stem onder mijn bed (1988), Bloem, steen (1990) en Waaigat (1993). 'Proza vergt een veel langere adem - ik bleef componeren en componeren, tot misselijk wordens toe.' Vroeger op school schreef ze mislukte verhalen, Jansma dacht dat ze voortaan altijd in proza zou verdwalen. Wist zij veel dat haar miniatuurtjes voor het literaire tijdschrift Optima nog eens de grondslag voor een roman zouden vormen. Ze toont, op grote vellen, haast mathematische structuren. Een salmiak die een indeling in thema's laat zien, cirkels die de verhouding tussen thema's en subthema's verraden. 'Ik was als de dood dat ik de weg kwijt zou raken.'

Toch lijkt Picknick op de wenteltrap nauwelijks een roman. Het is ook geen novelle, en al helemaal geen prozagedicht. Het boek bevat 107 korte en langere taferelen. Voorvallen, gedachten, verwijzingen naar bestaande sprookjes die samen een verhaal vertellen - dromen, misschien, die, om de schrijfster te citeren, werden voorzien van bonte pakken en mutsen met belletjes.

Ook de toon is verraderlijk. Ogenschijnlijk lichtvoetig en geestig, maar tussen de regels huist groot verdriet. 'Het gruwelijke wordt draaglijk als je het op een komische manier voor het voetlicht brengt.' Die denkbeeldige picknick op de wenteltrap bijvoorbeeld is maar heel even gezellig. Want op de trap is het pikdonker, en je schrikt je rot als je onverhoopt iemand tegenkomt. 'Je klimt en klimt tot je oud wordt en als je niet verder kunt ga je dood. We worden met z'n allen in de wereld geworpen en we weten amper wat ons te wachten staat.'

Een kind heeft van dat besef geen last. Dat probeert, geholpen door zijn fantasie - Jansma likt aan haar grote duim - de boze wereld te begrijpen. De hoofdpersoon uit het boek, een meisje met wiebelbenen dat aan het begin van het verhaal een jaar of vier is, heeft er zelfs drie personages voor nodig. 'Misschien zijn het afsplitsingen van haarzelf, misschien zijn het zusjes. De een nogal romantisch, mollig, met rood tuinbroekje, de ander flets, met een rokje, de derde met een boodschappentas op het hoofd, de blik naar beneden gericht.' Op het boek-omslag zit zo'n meisje met boodschappentas op het hoofd te somberen. 'Of de diepte te bestuderen. De wereld doet zich steeds vijandiger voor. Maar dat meisje neemt geen genoegen met het isolement waartoe ze veroordeeld is.'

Zelf wist ze het wel, als kind. 'Ik wou graag zo'n pil die Pippi Langkous had bedacht. Daarmee zou ik altijd klein blijven.' Maar kinderen willen toch groot worden? 'Ik niet. Grote mensen waren saai. Ik dacht dat ze elkaar voortdurend voor de gek hielden. Al die geluiden, dat oeverloze gelul - en nooit gebeurde er iets. Het heelal wordt steeds groter, wist ik, en jullie zitten maar in je luie stoel, en drinken eeuwig koffie. Als je 'waarom?' vroeg kwam er nooit een antwoord.'

Haar vader stelde haar ooit voor de keuze. 'Hij vroeg: wil je alles weten en niets begrijpen, of alles begrijpen en niets weten. Ik koos voor het eerste. Dom, zei hij, als je alles begrijpt word je vanzelf rustig en hoef je niets meer te weten.'

De vader uit Picknick op de wenteltrap is minstens zo wijs en begripvol, de moeder schampert en bitst. Er is veel ruzie, de vader gaat het huis uit. Later volgt het bericht van een ongeluk en, kort daarna, van zijn dood. Van dan af wordt er gemist en gehunkerd, en zijn er herinneringen - aan zijn handen, aan zijn haren, aan zijn stem. Jansma's debuutroman leest vooral als de verwerking van verdriet. 'Ik vind het een studie in missen. Toen ik zes was liep mijn eigen vader onder een auto. Hij lag elf dagen in coma, toen stierf hij.

'In dit boek heb ik de vragen willen verwoorden die je als kind in je kop hebt maar nauwelijks durft te stellen, omdat je zelden een bevredigend antwoord krijgt. Als je vader dood gaat, vroeg ik, gaat dan alles dood? Wordt zelfs een jus-pan stof? Ja, zei mijn moeder, alles wordt stof.'

Met haar zusjes - aan wie het boek is opgedragen - haalde Jansma eindeloos herinneringen op. Er vormden zich verhalen die herinneringen waren aan herinneringen. 'Zodat mythes konden ontstaan die compacter zijn dan de werkelijkheid.'

Ze verzon verhalen in veelvoud. 'Ik ben deel van een eeneiige tweeling, ik heb altijd alles in dialoog beleefd. Mijn tweelingzusje en ik keken met zijn tweeën naar de dingen, zij is net zo'n bezeten denker als ik.'

Het was haar vader, een beeldhouwer en voormalig matroos, die haar denken voedde. Met verhalen over de sterren, met theorieën over het heelal, en uiteenzettingen over de quantummechanica. 'Er zaten wonderlijke ideeën in de kop van die man. Pas toen ik volwassen was begreep ik dat hij verslaafd moet zijn geweest aan science-fiction.'

In haar gedichten wemelt het van de gedachten over onsterfelijkheid en eindeloze vermenigvuldiging. De wereld houdt van het woord ontelbaar, schrijft ze in Picknick op de wenteltrap: 'Spreek het uit en je hebt de oneindigheid in de mond. Een donkerblauwe chaos vol wentelende sterren, die zich uitrekt als een draak die wakker wordt. Want wat oneindig is, kan nog groter.'

'Ik ben gefascineerd door het idee dat alles altijd groter is dan je zien kunt.' Ze wijst naar buiten, naar balkonnetjes die vredig in het zonlicht baden. 'Ondertussen zitten jij en ik op een planeet die door de ruimte raast.'

'Als kind al voelde ik me een soort alien, een ruimtereiziger die even komt kijken hoe de boel in elkaar steekt. Het is een mooie ontdekkingsreis die uiteindelijk te weinig oplevert. Want álles kom je nooit te weten.'

Straks klinkt ze nog te zweverig. Jansma houdt niet van gezever, ze staat met beide benen op de grond. Kan zijn, dat ze als dichter een grote hang heeft naar onmetelijkheid. 'Maar als archeologe nagel ik de dingen juist vast in de tijd. Misschien is dat een reactie op mijn dichterschap.'

Jansma is drie dagen per week werkzaam bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. Ze verfijnde voor Nederland een methode waarin door onderzoek van jaarringen de ouderdom van houten voorwerpen kan worden vastgesteld. 'Ik graaf met een schep, ik snijd met scheermesjes het hout schoon. Ik meet, in fracties van millimeters, de afstand tussen de jaarringen en kan nauwgezet bepalen uit welk jaar, en uit welk seizoen, het hout van een klok stamt, of een schilderijpaneel, of een oud bos dat in het veen is gezakt.' Niks geen halve waarheden of dateringen op basis van stijlkenmerken. 'Ik vind het erg leuk om in minder harde wetenschappen als kunstgeschiedenis harde waarheden te presenteren. Dat bezorgt me een gevoel van macht.'

In 1995 promoveerde ze cum laude. Ze laat het proefschrift zien, RemembeRINGs, een foto van boomstammen die liefdevol omarmd worden door grotendeels onzichtbare mensen. 'Een gebaar van affectie naar het onderzoeksmateriaal. Dat is vast not done in de wetenschap.' Aanvankelijk studeerde ze filosofie. Maar op filosofen heeft ze het niet begrepen. 'Ze zijn vaak zo arrogant. Ze weten precies hoe de wereld in elkaar steekt.' Jansma schetst, met liefdevolle blik, het profiel van de archeoloog: 'Hij of zij is niet al te best gekleed en kijkt altijd naar de grond.' Als het meisje met de boodschappentas op het hoofd? 'In een mooie kerk zie ik de vloertegels, in een weiland valt mij het uitzicht niet op. Daar heb ik vooral oog voor de afgegraven zijkanten van de sloten.'

In Picknick op de wenteltrap zegt een van de personages dat hij archeoloog wil worden omdat hij mensen wil opgraven. Jansma: 'Ik moet er zelf niet aan denken. Mensen zijn vaak met veel zorg, en volgens vaste rituelen, in de grond gestopt. Die wil ik niet blootstellen aan de klinische blik van de wetenschapper. Het bestuderen van botten is niet mijn pakkie-an.'

Ze wrijft over het notenhouten blad van de tafel van haar grootvader, ze klopt op het eikenhouten deurtje van haar bureau. 'Ik heb bewust voor hout gekozen. Met hout is niks mis. Mensen vragen wel eens of ik met bomen praat. Nee dus, dat hout is dood als het bij mij onder de microscoop ligt.' Voelt ze ooit mededogen? 'Nee hoor, hout is zo duurzaam als ik weet niet wat. We dateren stammen die 8000 jaar in de grond hebben gezeten. Een boompje van 80 jaar is een jong boompje. Dat kun je van mensen niet zeggen.'

Haar dochtertje Floortje stierf tijdens de geboorte. Ze droeg een bundel aan haar op - Bloem, steen -, en gaf in 'weefsels van woorden' haar verdriet vorm:

Ik wil haar overal horen, ik wil

dat ze spelregels breekt en steeds

opnieuw en anders wordt geboren:

ik wil duizend levens voor haar.

'In die gedichten vond ik de woorden waarom ik verlegen zat. Ik heb het kind dat niet aan een bestaan toekwam toch nog een bestaan gegeven - een bestaan in taal.'

Ze wilde ook haar tong uitsteken. 'Naar kunstkenners die vinden dat bepaalde onderwerpen niet zouden mogen. Als je poëzie autobiografisch is ben je voor hen verdacht.'

In haar derde bundel, Waaigat, verschuilt Jansma zich meer dan in de eerste twee. Er zijn nauwelijks nog anekdoten, de thema's zijn universeler, de toon is dynamischer en vitaler. 'Ik wou mezelf blij maken.'

Nadat Waaigat verschenen was, overleed haar tweede kind, een zoontje van negen maanden, aan een chromosoomafwijking. Toch wil ze nog steeds kinderen. 'Is dat dapper? Misschien is het veel dapperder om definitief afscheid te nemen van het ouderschap. Want dan word je gedwongen om je leven opnieuw te definiëren.' Schamper: 'Ik sta als moeder al tien jaar in de startblokken.'

Ze wil haar Jansma-lach weer lachen maar kijkt argwanend naar de vellen papier tegenover haar die volgeschreven worden. 'Straks ben ik nog de dooie kindertjes-schrijfster. Dat is absoluut niet de bedoeling. Het is huilebalkerij.'

Ze ergert zich aan overmatige belangstelling voor ellende. 'Aan die afschuwelijke bekentenis-televisie heb ik een grote hekel. De kijkers deugen niet. Ze zijn opgelucht omdat ze het zelf niet hebben meegemaakt, ze kijken uit voyeurisme. Een heel klein deel hoopt op een katharsis omdat ze hun problemen niet kunnen oplossen en een voorbeeld nodig hebben.'

Maar de gedichten in Bloem, steen bieden bedroefde ouders toch ook troost? 'Kan zijn, maar dat is niet mijn eerste opzet geweest, ik ben geen hulpverlener. Een gedicht is niet de traan van het zigeunerjongetje. Er komt geen camera of commercie bij, het is bescheidener.'

Op de schoorsteen staat, naast een beeld van haar vader - een poepend mannetje met een tevreden glimlach om de mond - een foto van haar overleden zoontje. Ze weet niet of ze veel over hem zal publiceren, kan ze voor even van dit heikele onderwerp verlost worden? Liever zingt Jansma de lof op de poëzie, en de taal, en het poëzieclubje waarvan ze deel uitmaakt. Eens in de zoveel tijd analyseert een groepje liefhebbers er lustig op los. 'Dichters zijn geweldige mensen. Ze zijn vaak vriendelijk en open en uiterst beschaafd. Als ze een andere dichter ontdekken die ze mooi vinden, zijn ze van grote dankbaarheid vervuld.'

Ooit maakte ze het anders mee. Ze trad op in Delft, en daar trof ze jongens met leren jackies, doekjes op het hoofd. Wat een levendige subcultuur hier, dacht ze nog. Het bleken de Maximalen te zijn, jonge dichters op zoek naar een rel. Michaël Zeeman kreeg een emmer vis over zich heen. 'Een rondborstige meneer in een keurig-fijn pak stond volkomen weerloos op het podium. Ik had met hem te doen, ik snelde toe om de schubben van zijn pak te vegen.'

Zo snel grijpt Jansma meestal niet in. Tijdens een forumdiscussie voor Poetry International, twee weken geleden, werd de Nederlandse delegatie geschoffeerd door een Russische dichteres. 'Ze zei dat de Europese poëzie ten dode opgeschreven is. Omdat God er niet in voorkomt, en omdat die poëzie niet rijmt.' Jansma was te verbouwereerd om met een mooi betoog te reageren. De werkelijkheid is haar dierbaar, maar de verbeelding is onontbeerlijk. Die geeft haar macht. In Picknick op de wenteltrap staat: 'Ik schrijf de wetten. Ik bedenk iets, en dan schrijf ik het op, en dan zet ik er mijn naam onder. Want dan doet iedereen wat ik bedacht heb.' 'Mijn moeder had een Surinaamse vriend. Hij wilde zijn familie in Suriname bezoeken. In een opstel schreef ik dat ik stiekem in zijn koffer meereisde. Dat veranderde voor mij de realiteit, ik kon, besefte ik, voortaan liegen wat ik wilde. Wat ik verzon was wáár.'

De verbeelding was voor het kind waar amper naar werd geluisterd een uitkomst. 'Al met al ben ik blij dat ik volwassen ben geworden. Vroeger was het: kop dicht en incasseren. Nu maak ik zelf de regels.'

Over een tijdje verschijnt er een nieuwe gedichtenbundel. Het schrijven zal ze nooit opgeven. 'Als schrijfster verander ik de werkelijkheid met de taal, als archeologe sta ik juist in dienst van de werkelijkheid die er is of was.'

De overeenkomst: 'In beide gevallen bedien ik me van een wonderlijk specialisme dat altijd op de achtergrond zal blijven. Dateren met behulp van jaarringen is een onopvallende activiteit, poëzie speelt, in vergelijking met proza, een bescheiden rol. Gedichten verschijnen in kleinere oplages, en bereiken een minder groot publiek.'

Een citaat dan nog maar uit Picknick op de wenteltrap, dat boek dat wel degelijk naar proza riekt? Jansma schatert met satanisch genoegen. Alle mensen zijn heksen die samenspannen om jou voor gek te zetten, want er zijn geen mensen; jij hebt ze verzonnen, je bent een experiment van kwaadaardige gekken, nee, reuzen, en ze lezen een boek. Dit verzinsel mag werkelijkheid worden, ze zegt: 'Laten we hopen dat het dit boek is.'

Esther Jansma: Picknick op de wenteltrap, De Arbeiderspers, ¿ 27,50.

Meer over