Een regendag is ook een levensdag

Vier jaar geleden voerde hij zijn nomadenstam in een karavaan met driehonderd paarden en 140 kamelen over de Mongoolse steppen....

door Karin Veraart

IN DE deuropening van het boerenhuis staat hij al te wachten, een kleine man in spijkerbroek en grijswitte coltrui met daaroverheen een paars hesje. In de wijde omtrek is zo op het oog geen ander levend wezen te bekennen, geen gebouw, alleen drassig land, het hoge gras platgeslagen door de regen. Zwijgend pakt hij met beide handen de hand van zijn bezoekster en gaat voor, een smal donker gangetje door, de woonkamer binnen. 'Als het mooi weer is, kun je de Bodensee zien', zegt hij. Maar deze middag hangt er een grauwsluier van mist voor het raam.

Wanneer Galsan Tschinag in Europa is, logeert hij vaak in 'deze boerenstulp' even buiten het Zwitserse gehucht Herrenhof. Hier woont zijn goede vriendin Amélie Schenk, de etnologe met wie hij samenwerkte bij de totstandkoming van Het land van de toornige wind over de Toeweense cultuur, de cultuur van Galsan Tschinag. Hier heeft hij juist zijn openingsrede voor Poetry International 1999 afgerond, die hij dit weekeinde in Rotterdam zal uitspreken. 'Het is af', zegt hij met een lichte zucht, het is af, maar ze moet nog even maagd blijven, zijn rede. Straks zal hij haar weggeven, aan de honderd, tweehonderd oren van het publiek in de Schouwburg, maar nu nog niet.

Galsan Tschinag spreekt een zacht en zangerig Duits, langzaam en weloverwogen en toch een beetje buiten adem aan het eind van zijn zinnen. Schriftsteller, staat er op zijn visitekaartje en dan een adres in Ulaanbaatar, Mongolië. De schrijver schrijft zoals hij spreekt, ritmisch, melodieus en in het Duits - de taal die hij koos als 'gasttaal' nadat hij als student uit Mongolië naar Leipzig was gekomen om Germanistiek te studeren. Het was in de jaren zestig, de Koude Oorlog woedde. 'Het huidige Europa', zegt de nomadenzoon uit het Altaj-gebergte, 'ken ik nu een jaar of zeven.' Sinds die tijd oogst zijn werk succes, in de Duitstalige gebieden en succesievelijk ook erbuiten. In zijn romans, verhalen en gedichten bezingt hij zijn Altaj, zijn volk, zijn Toeweense taal (die geen schrift kent) en cultuur en vertelt hij (in Het land van de toornige wind, in eerste instantie gericht aan Amélie Schenk) zijn levensverhaal.

'Noemt u mij maar G.T.', zegt hij glimlachend, 'dat is het beste. Herr G.T. Want eigenlijk ben ik Galsan noch Tschinag. Ergens onderweg ben ik zo gaan heten.' G.T., zegt hij, is de acteur, de speler, 'de arme kerel die hier zit om het leven uit te voeren voor mij. Ik let op hem, maar ik heb een zeer afstandelijke relatie met hem. Hij is gemeengoed van een ander volk, van een andere beschaving, ook van een ander tijdsgewricht.

'Zodra ik op het vliegtuig naar Ulaanbaatar stap, schakel ik G.T. uit. Hij blijft hier. Dan komt er een ander: de Mongool ontwaakt, de nakomeling van Djengis Khan, met een blauwe vlek op zijn stuitje. Dat is mijn tweede huid. Maar ook hem ben ik niet.'

'Dan, wanneer ik Ulaanbaatar verlaat en tweeduizend kilometer westelijk aankom en de Altaj-grond beroer, dan is ook die Mongoolse patriot gestorven, deze kameraad, deze heldhaftige afstammeling van Djengis Khan. Dan ontsta ik zelf.' Hij zucht even. 'Ik, de vachtbaby, zoon van mijn volk - hoofdman van mijn volk en sjamaan.'

Mijn joerte klopt in de steppe

Die mijn andere grote joerte is

De rookdraad

Die gevlochten in de kleine

Opstijgt door de grote

En zich de wolken in schroeft

Is mijn navelstreng (...)

dicht Galsan Tschinag. En:

Hemel boven Duitsland

Loodgrijs gordijn

Op de autovliegweg

Van het nomadenkind

Hij zegt: 'Ik pendel tussen werelden en moet afstand bewaren tot alledrie die personen. Ik ben hun regisseur, of beter: de vader - ik toon begrip, ik mag ze alledrie graag. Maar zoals we hier nu zitten te praten, aan deze tafel, moet ik het doen met hoogstens de helft van mijn bewustzijn. Deels ben ik er niet.'

Het is niet alleen een geweldige afstand die G.T.'s werelden scheidt; terug naar de Altaj is als een reis in de oertijd. Soms voelt hij zich verscheurd tussen die werelden, al heeft zijn ziel de tijd gehad een laag eelt te ontwikkelen. Sinds hij als achttienjarige - de vachtbaby werd vermoedelijk in 1944 geboren - met wat geboortegrond in zijn zakken de 'ronde' wereld van traditionele nomadentent verruilde voor het 'hoekige en statische' leven in de stad, heeft G.T. het een en ander mogen doormaken.

'Sommige mensen zullen zeggen dat ik een tragisch, treurig leven heb gehad', zegt hij terugblikkend op zware perioden ten tijde van het Sovjet-regime, toen 'zelfs de joerte oren had.' Zijn volk werd verdreven, in 1976 werd hij als 'gevaarlijk burgerlijk element' ontslagen als docent aan de universiteit van Ulaanbaatar. Vier jaar geleden voerde hij de Toewa in een karavaan met driehonderd paarden en 140 kamelen over een afstand van tweeduizend kilometer terug naar de Altaj. 'Ik vind het toch ook een grappig leven.'

Hij pakt zijn portefeuille en haalt een foto tevoorschijn, gehavend en meerdere keren gelijmd. Op het prentje is nog net het gegroefde gelaat van een oud vrouwtje te onderscheiden. Zijn sjamanen-tante, die hij uitvoerig beschrijft in Het land van de toornige wind. Ze was een genezeres, de sjamane - zoals hij dat nu is voor zijn volk dat het boeddhisme nooit omarmde. Bij haar ging hij te rade in de zwartste uren van zijn bestaan. Hij klopt het af met zijn hand onder tafel: 'Sinds die novemberdag in 1976 gaat het mij goed.'

Het Toewa-sjamanendom is in de eerste plaats: pure poëzie. 'Wanneer onze sjamanen sjamanen, mogen zij geen woord in proza uitspreken, dan zouden ze alle geloofwaardigheid verliezen. Ze kunnen dit dan ook niet te lang volhouden, dat verdraagt het gestel niet.'

Hij reikt naar de bundel achter zich op een kleine secretaire, en leest, zingt. 'Mijn eigen gedichten beschouw ik als sjamanengezangen. Maar mijn manier van voordragen stuit de Europese toehoorder soms tegen de borst. Een Duitse dame heeft tijdens een van mijn lezingen geprotesteerd, zo kon je dat niet doen, vond ze.'

Het sjamanendom is bovendien een levensfilosofie. 'Volgens het christelijk geloof bestaat er een goeie kerel die Jezus Christus heet en die voor anderen kan lijden. Volgens ons geloof is ieder mens voor zichzelf verantwoordelijk, hij moet in staat zijn zelf pijn te dragen, net zo goed als vreugde. Wij verwachten eigenlijk van niemand iets, ook niet van een of andere hogere macht; ik vergeet geen moment dat ik sterfelijk ben. Ik besef: het leven is nu en een regendag is ook een levensdag.'

'In de ogen van buitenstaanders zijn de Toewa arme mensjes - omdat we geen huizen hebben, geen auto's en niet zo veel geld op het spaarbankboekje. Maar we zijn niet ongelukkig. Men kan ons ook niet ongelukkig maken, net zo min als plotseling gelukkig. Geluk. We hebben geen behoefte aan dergelijke grote woorden. We leven. Mensen uit het Westen, die ons een week of veertien dagen bezoeken, kunnen dat niet zo snel begrijpen.'

Per jaar leeft Galsan Tschinag een maand of drie bij zijn clan. Evenveel tijd brengt hij door in Europa met het geven van lezingen en overleg met uitgevers; en in Ulaanbaatar heeft hij een huis waar hij werkt: 'Daar schrijf ik alles op.' Van dit 'opgedeeld-zijn' heeft hij zijn missie gemaakt. 'Ik voel me een brug. Een brug tussen Oost en West, tussen heden en verleden en tussen volkeren, culturen.' Op Poetry zal hij optreden in traditionele kledij. 'Zo zal ik voor iedereen zichtbaar zijn. Maar achter deze andersuitziende schuilt de ambitie die ik belichaam. Eigenlijk is die heel bescheiden. Ik wil de mensen mijn volk verklaren. Niemand hoeft van ons te houden, maar ik verwacht wel begrip. De wereld moet weten dat we bestaan, nu we nog bestaan. Want ik weet: wij hebben de mensheid wat te bieden. Wij hebben onze waardevolle ervaringen, wij zijn net zo oud als welk volk dan ook in Europa.'

Zijn stam telt nog slechts vierduizend leden. Het ene moment zegt hij berustend: 'Onze tijd is gekomen. We hebben ons leven geleefd.' Het volgende moment, bitter: 'Mijn kleine volk kan kennelijk naar de duivel lopen. Op het programma van de grote mogendheden komen wij niet voor. Het is niet onwaarschijnlijk dat men ons binnen afzienbare tijd kapot zal industrialiseren.'

Zwijgt even, vervolgt: 'Wanneer ik de kwestie uitsterven ter sprake breng is dat niet alleen met betrekking tot mijn zaak. Als dichter, als schrijver, voel ik me vertegenwoordiger van miljarden mensen. De wereld, de planeet heb ik voor ogen, niet dat kleine land achter de bergen, de vierduizend Toewa. Ons lot is slechts een metafoor. De Europeaan die mijn verhaal leest moet zíjn verhaal erin herkennen. Niet denken: ach, dat is zo veel kilometer verderop gebeurd. Ik wil de mensen meer vertellen, ik wil niet minder dan een Goethe of Schiller.' En hij glimlacht als hij zichzelf tegenspreekt: 'Bescheidenheid is niet des dichters.'

'Ik bouw op tegenstrijdigheden. Ik maak gekke sprongen, ook van boek tot boek. Het tweede deel van de trilogie over mijn kindertijd Die graue Erde is een volstrekt andere roman geworden dan Der blaue Himmel waarmee ze begon, en Der weisse Berg, het laatste deel waaraan ik nu werk, sluit daar weer niet op aan. Toch vormen ze samen een eenheid.'

Dit is de kern van het sjamanisme, zegt hij, de sjamaan baseert zich op tegenstellingen, hij speelt daarmee. Hij verklaart de onverklaarbare krachten der natuur, hij is de brug van het zichtbare naar het onzichtbare, van het logische naar het onlogische. Hij is degene die de ander niet laat uitspreken omdat hij al weet wat er gezegd gaat worden, doordrongen als hij is van het gegeven dat alles met elkaar samenhangt.

Zijn kunst, de dichtkunst, reinigt, geneest. 'Ik had kruidenelixers kunnen bereiden, kunnen masseren, want ook dat heb ik geleerd. Maar in mijn geval is het toch beter te genezen met boeken, met woorden, waarmee ik miljoenen kan bereiken.' De lezer van zijn jongste werk, Der Wolf und die Hündin, zal aan een genezingsproces worden onderworpen, daarvan is hij overtuigd. 'Ik beschrijf de wetten der natuur, en in de natuur gaat het heel hard toe. De wolf doodt in het uur van het gevaar zijn geliefde, een wijfjeshond. De weekhartige Europese lezer komt dat aanvankelijk wreed voor. Maar uiteindelijk is hij de auteur erkentelijk - zijn kunst heeft hem geraakt, gereinigd.'

'Ook ik ben dankbaar, het schrijfproces is heilzaam geweest. Bij ieder nieuw werk moet je dat wat eraan voorafging als het ware vernietigen - dat moet om iets nieuws te kunnen scheppen. Het zou niet goed zijn voort te borduren op het stramien waarmee ik dat beetje roem heb geoogst. Dat opportunistische deel van mij dat dat wel wil, moet worden verwoest, ik mag niet in routine vervallen, ik moet iets geheel nieuws vertellen. Ook dat is een sjamaans grondprincipe: vernietigen om vooruit te komen. Dat hebben alle grote geesten gedaan, dichters, kunstenaars, wetenschappers.'

Hij spreekt over Goethe, Hemingway, Einstein, Rembrandt, Mozart, Beethoven, leermeesters, maar ook: collega-sjamanen. En zegt: 'Het is mooi dat wij al die grote geesten erbij halen in deze boerenstulp aan de Bodensee. Hun geest is in ons midden, en wij sjamanen leven van geesten. Alles heeft een geest'. Gebaart over tafel: 'Koffiegeest, melkgeest - als ik straks naar Nederland kom zal ik de zeegeest ontmoeten.'

Daarna zal hij terugkeren naar zijn geboortegrond en weer stamhoofd zijn. De Toeweense Mozes is hij wel genoemd, nadat hij de Toewa had teruggevoerd naar de Altaj. 'Dat was hét uur van mijn leven', zegt hij. 'Naarmate de jaren verstrijken wordt het in mijn belevingswereld een steeds grotere gebeurtenis. Het is als een steppenberg. Als je er dichtbij staat lijkt het niks maar zodra je je ervan verwijdert, verheft de berg zich.'

In gedachten schuift hij met de landschapsfoto's die Amélie Schenk maakte. 'De vaststelling van anderen dat we een van de armste landen ter wereld zijn, heeft me gestoord. Het strookt niet met de werkelijkheid. We hebben alles wat we ons wensen. Rust, stilte, zuiverheid, we zijn een met de natuur; hier vind je het tegendeel van de huidige wereld - een hectische wereld die zo'n oertoestand op den duur zal waarderen.

'Mongolië is zo gebleven omdat er nomaden wonen. De nomade is een langzaam mens. Onbeholpen. Dat heeft zijn goede kanten. Laat de raketberijders naar de sterren reizen, of naar de duivel voor mijn part. Maar in het belang van de mensheid moet onze traditionele levensstijl in ere worden gehouden, in ieder geval voor een groot deel. Zo men wil kunnen we deels moderniseren. Dat hoeft niet met elkaar in tegenspraak te zijn - kijk naar mij.'

Meer over