Een omstreden trommelaar beloond

Een schrijver die voor de troepen van de historici uitloopt en op eigen houtje al aangeeft waar het in zijn tijd om gaat....

Michaël Zeeman

HIJ is de trommelaar: net als zijn memorabelste personage, Oskar Matzerath, slaat hij voortdurend op de trom. Als hij het niet meer weet, als hij niet weet wat hij zeggen wil, als hij wat te zeggen heeft. En net zoals het Oskar vergaat, 'Oskarchen', uit Die Blechtrommel, vergaat het hem: de mensen komen op het lawaai af, maar ze begrijpen er niet veel van. Ze luisteren even, maar niet al te goed, worden onrustig van al dat getrommel - en ontsteken in woede. Ze proberen hem weg te jagen met dreigende taal of door ronduit te gaan schelden.

Veertig jaar oud is Die Blechtrommel dit jaar; de jubileum-editie, met illustraties van de auteur die immers voordat hij schrijver werd in Berlijn de kunstacademie bezocht en zijn hele leven is blijven schilderen en tekenen, ligt net in de Duitse boekhandel. Veertig jaar een boek dat niet meer weg te denken is uit de Duitse literatuur, twee weken voordat de auteur ervan zijn verjaardag viert, tien jaar na de val van de Muur, de laatste Nobelprijs voor de literatuur van de eeuw voor de schrijver die zojuist Mein Jahrhundert publiceerde: het is in talrijke opzichten een betekenisvolle bekroning waartoe de Zweedse academie besloot, toen ze Günter Grass koos als laureaat voor de Nobelprijs-literatuur 1999.

Die betekenis beperkt zich geenszins tot getallensymboliek. In Günter Grass wordt namelijk ook een bepaalde opvatting over de literatuur bekroond, een overtuiging omtrent het schrijverschap. De schrijver als trommelaar, de schrijver als commentator, als degene die voor de troepen van de historici uitloopt en op eigen houtje al aangeeft waar het in zijn tijd om gaat. Zijn boeken, zijn stuk voor stuk monumentale romans, ziet Günter Grass zelf als duidingen van een tijdperk: Die Blechtrommel hoort bij de jaren vijftig, Hundejahre bij de jaren zestig, Der Butt bij zeventig, Die Rättin is het boek van de jaren tachtig en het vier jaar geleden verschenen en zeer omstreden Ein weiets Feld hoort bij ons decennium.

Omstreden is hij altijd geweest en dat heeft beslist met dat tromgeroffel te maken. Toen de jury van de Bremer Literaturpreis Die Blechtrommel, net na verschijnen, voor bekroning voordroeg, voelde het stadsbestuur daar niets voor. Toen, een half mensenleven later, in 1995 Ein weites Feld, verscheen, de roman waarin Grass zich een stuk minder enthousiast toonde over de Duitse hereniging van vlak daarvoor dan de meeste van zijn spraakmakende landgenoten, buitelden de critici over elkaar heen. En ze deden dat met het nodige onsmakelijke gekrakeel: het omslag van Der Spiegel met daarop de literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki die het boek boven zijn hoofd aan stukken rijt, behoort tot de onaangenamere manifestaties van literaire kritiek van onze tijd.

Herrie maken, herrie veroorzaken: het kleeft hem aan. Wie leest wat er in de loop der jaren over Günter Grass geschreven is, staat te kijken van de felle reacties die hij oproept - en van de gedrevenheid waarmee hij zich zelf heeft uitgesproken. Tijdens de jaren zestig en de vroege jaren zeventig, dus gedurende de hele era Willy Brandt, moet hij honderden keren zijn opgetreden als lijstduwer voor de sociaal-democraten. Uit loyaliteit aan Brandt - en uit bezorgdheid.

Die bezorgdheid vindt, hoe kan het anders bij iemand van zijn generatie, haar oorsprong in de Hitler-tijd. Die heeft hij meegemaakt, of liever gezegd: die is hem overkomen. Hij werd op 16 oktober 1927 in Danzig geboren, de vrijhaven aan de Oostzee die toen zo'n merkwaardige volkenrechtelijk geregelde status had, maar die naar haar cultuur een buitenpost van Pruisen was. Hij was een kleuter toen Hitler aan de macht kwam, een puber toen het gesteggel om Polen, de voormalige Duitse gebieden in het Oosten en zijn geboortestad Danzig begon.

'Mit zehn Jahren war ich Mitglied des Jungvolks', begon hij ooit de synopsis van zijn wederwaardigheden gedurende de Hitler-tijd, 'mit vierzehn Jahren in die Hitlerjugend eingegliedert. Als Fünfzehnjähriger nannte ich mich Luftwaffenhelfer. Als Siebzehnjähriger war ich ein Panzerschütze.' Daarop volgde een verwonding en een kort verblijf in een Amerikaans krijgsgevangenenkamp in Beieren. Toen de oorlog voorbij was hoorde zijn geboortestad bij een ander land en had ze een andere naam gekregen: ze heette voortaan Gdánsk en lag in Polen.

Zo helemaal Duits was die stad trouwens nooit geweest, zomin als Grass dat is. Hij stamt uit een familie van Kaschubische handwerkslieden, een volk op de grens van Oost en West, tussen Slaven en Duitsers in, op de rand van het Balticum. Een volk van verhalenvertellers; ergens heeft hij het over de 'kaschubische Legendensumpf', de oude kous waaruit al zijn geschiedenissen afkomstig zijn. In Hundejahre heeft hij dat voorouderlijke en huiselijk milieu beschreven: kleinburgers, wie de trek van het platteland naar de stad slecht bekomen was.

Oskarchen uit Die Blechtrommel is een kleine jongen, een jongen die niet meer verder wil groeien en als een dwerg door het leven gaat. Zijn beeltenis moet in het geheugen van honderdduizenden lezers staan als een van de grote personages uit de westerse literatuur en hij is in nog veel ruimere kring bekend geworden nadat Volker Schlöndorff in 1979 het boek verfilmde. In zekere zin symboliseert hij Grass' engagement met de kleine mensen, de onooglijken waar de grote geschiedenis zo gemakkelijk overheen walst. Grass voelt zich hun pleitbezorger: in dat perspectief moet ook zijn Ein weites Feld gelezen worden. De Duitse hereniging was een zaak van de grote politiek, maar veronachtzaamde de gevolgen die daaruit voortkwamen voor de gewone mensen van de voormalige DDR.

En ze maakte Duitsland te groot, naar Grass' smaak - te groot en te machtig. Grass heeft de waakzaamheid voor al te wilde Duitse ambities en pretenties altijd tot zijn vaandelstuk gemaakt. In de jaren zestig vreesde hij de rechtse splinterpartijen, de totalitaire neigingen die naar zijn oordeel de kop weer dreigden op te steken. De Duitse na-oorlogse geschiedenis moest wat hem betreft gaan over schuldbesef, over het diep en indringend nadenken over wat er met en in Duitsland was gebeurd en de vreselijke gevolgen die dat had gehad.

Pleitbezorger van het gewone volk, van de kleine mensen, ontheemd en heen en weer geslingerd door de geschiedenis - en autodidact. Ook op dat laatste heeft hij zich altijd laten voorstaan: hij, die nooit eindexamen heeft gedaan, doet in feite zijn hele verdere leven al examen. En hij brengt er de examinatoren mee tot razernij. Dat beschouwt hij echter geenszins als een teken van zijn tekort schieten, maar als bewijs van zijn gelijk. Hij heeft de vinger op de zere plek weten te leggen en dat sterkt hem in de overtuiging van zijn taak. De schrijver is de bewaker van het geweten, de Duitse schrijver de boekhouder van de Duitse schuld.

Grass heeft in de jaren zestig en zeventig veel gereisd, ook naar gebieden waar de publieke opinie hem toen liever niet heen zag gaan: Griekenland, de Verenigde Staten. Hij woonde, onder meer, in Berlijn en in Parijs. Tegenwoordig woont hij in het noorden van Duitsland, een kilometer of veertig onder Lübeck - en dat is opnieuw een omineuze plek, want Lübeck is de stad van Thomas Mann, de schrijver wiens schaduw over de hele Duitse literatuur van deze eeuw hangt als die van de pleitbezorger van het geweten en het engagement.

Met de bekroning door de Zweedse academie is Grass definitief in diens gezelschap terecht gekomen; Thomas Mann werd in 1929 bekroond. Toen die andere grote geëngageerde Duitse romancier, Heinrich Böll, in 1972, de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, schijnt hij te hebben geroepen 'wat, ik alleen? en niet samen met Grass?'

Nu is dat Duitse driemanschap compleet - en dat zegt ook iets over een literatuuropvatting, of in elk geval over een opvatting omtrent het schrijverschap.

Meer over