Een duif met het gewicht van een legkip

Stewart Island ligt gevoelsmatig op de drempel van Antartica. Op een slechte dag komt de wind zonder belemmering van de Zuidpool....

In de boom klinkt een groot kabaal. Het is een draaiorgeltje, een oude fiets, een fluitketel. . . Het is een tui. Een blauw-groene vogel met een witte bef die met krullerige paradijsvogelveertjes afsteekt tegen zijn glanzende veren. Zingen zal hij nooit leren.

Daar vliegt een duif. Eerst klinkt het zware gepomp van zijn vleugels. Wanneer hij landt op een tak, buigt deze door als een twijgje. Een duif met het gewicht van een legkip.

Een ijsvogel. De kleuren kloppen, de scherpe kop met snavel klopt. Maar dat formaat. Zo groot als een merel. Met een paar vleugelslagen zeilt hij over de turkooizen baai.

Stewart Island is een paradijs voor vogels. Ze komen op je schoen zitten, ze dwarrelen rond je hoofd en ze zingen je toe. Zo moet ooit heel Nieuw-Zeeland zijn geweest. Voordat de Maori's en blanke kolonisten kwamen. Voor de introductie van roofzuchtige katten, possums en marters.

Het eiland bungelt nog net aan het Zuid-eiland van Nieuw-Zeeland. Het ligt gevoelsmatig op de drempel van Antartica. Dat is nog wel duizenden kilometers ver weg, maar er ligt niets meer tussen. Op een slechte dag komt de wind zonder belemmering van de Zuidpool.

Het is gelukkig een goede dag. We komen aan in de mist en een zacht neerruisende regen. Er staan wat mensen op ons veerbootje te wachten. Ze dragen een oliejas, een wollen muts en rubberen laarzen. De afstammelingen van walvisjagers verdienen hun geld met toerisme.

Het haventje Oban doet Schots aan, maar voelt toch anders: er hangt iets zwoels in de lucht. Dat komt door het dichte woud waarmee het eilandje is bedekt. Oban is de enige plek waar mensen wonen. De rest van Stewart Island, 64 kilometer lang, 40 kilometer breed, bestaat uit bomen, varens, vogels en modder. Heel veel modder.

We gaan drie dagen lopen: het Rakiura-pad. We lopen niet rond het eiland. Dat is ploegen door dijdiepe modder, voor negen dagen eten op de rug dragen en geteisterd worden door wolken zandvliegen. Drie dagen zal volstaan. Het is al laat in het seizoen, we willen weg zijn voor de winterstormen losbarsten.

De schaars bewoonde wereld houdt een half uur lopen van Oban op. Nog wat laatste huisjes, een leeg haventje en dichtgespijkerde vakantiewoningen. Alles omringd door hopen oud ijzer en afgedankte olievaten. De doorsnee Nieuw-Zeelander is een rommelige anarchist, verwend door de eindeloze ruimte om hem heen.

We duiken de bush in en belanden meteen enkeldiep in de modder. Zoals dat hoort op Stewart Island. Paden vol blubber. Het heeft de afgelopen week uitbundig geregend dus we konden het niet beter treffen. Ik doe nog pogingen om mijn schoenen schoon te houden, maar dat heeft geen zin. Gewoon doorstampen. Af en toe is een houten plank op het pad gegooid ter versteviging.

Het pad leidt langs de kust. Knoestige scheefgegroeide bomen hangen aan de klif, geknecht door de oceaanwind. Langs het pad staan berken en honderdduizend groene varens. Sommige varens groeien op de grond, zoals het hoort. Anderen hebben zich ontwikkeld tot bomen. Een varen op een stam. Het gefilterde licht maakt het bos tot een elfensprookje.

Nu en dan leidt de route over een verlaten strandje. Getreuzel is niet geoorloofd want we hebben het tij net mee. Het zand is zilvergrijs, de zee is zilvergrijs, de keien zijn zilvergrijs. Alleen het gifgroene wier en de oranje sponzen geven een kleurtje. Een lunch van vijf minuten, de bijtende zandvliegen maken er een haastklus van.

In de struiken staat een verlaten zaagmolen, oranje doorgeroest. Er groeit een boom in. Ooit probeerden ze op deze plek een gemeenschapje te vestigen, een soort werkverschaffingsproject. De Maori's moesten rimu-hout uit het oerbos halen. Maar de omstandigheden waren te hard en de eenzaamheid groot. De natuur heeft de vergissing snel ongedaan gemaakt.

Door het groene woud trekken we verder. Het strandje voor de eerste hut blijkt bewoond. Een groep vrienden van het Zuid-eiland op mannenvakantie: jagen, vissen en snorkelen. Ze hebben alleen blikken bier mee. Verder beperken ze hun dieet tot hertenvlees, oesters, kreeft en vis. Wij krijgen

bier en oesters. Een oester zo groot als een gebakken ei, vers uit de zee.

Stewart Island heeft een historie als jachtgebied. Maori's van het Zuid-eiland kwamen er speciaal op vette pijlstormvogels jagen. De vogels zijn nu beschermd, maar voor de Maori's die de jachtgrond geërfd hebben van hun voorouders, wordt één keer per jaar een uitzondering gemaakt. Het schijnt een delicatesse te zijn.

De volgende dag steken we het eiland dwars over. Het modderpad is hier volledig betimmerd met houten traptreden en kippengaas. Blijkbaar bleven er teveel wandelaars steken in het drijfzand. Treden tellen tot het gaat duizelen.

Het onweert zacht. Er vliegt een waaierstaart met ons mee. Hij spreidt zijn witte staartveren verleidelijk voor ons uit. Wanneer we aan de rand van zijn territorium komen, stopt hij, maar hij kijkt ons na, een beetje eenzaam.

Die avond lijkt een droom. Bij de nieuwe hut danst een hert voor de veranda. We lopen uren op het witte strand, scharrelen tussen de lila mossels, zoeken naar sporen van de kiwi. Die zeldzame loopvogel komt nog in overvloed voor op Stewart Island. We vinden een gekke drietenige pootafdruk en volgen het spoor rond elke nieuwe bocht van de kust. Maar nee, geen kiwi.

In de baai gaat de zon onder in donkergeel en paars. Iemand kucht in zee. We draaien ons om: vier dolfijnen springen en spelen, een paar meter van het strand. Ze trekken de hele baai door. Wanneer de zon de zee raakt, steken hun vinnen glimmend af tegen het donkere water. Nog een kuch, weg zijn ze.

Meer over