Een bescheiden trauma

VEEL JODEN die in de jaren dertig emigreerden of in de oorlog de vernietigingskampen van de nazi's overleefden, hebben inmiddels het Duitsland van hun jeugd beschreven....

Gay, geboren als Peter Fröhlich in 1923 in Berlijn, was 10 jaar toen Hitler aan de macht kwam, maar heeft als joodse leerling op het Berlijnse Goethe-Gymnasium nooit spitsroeden moeten lopen, noch heeft hij ooit een concentratiekamp gezien. Op 16-jarige leeftijd ontvluchtte hij met zijn ouders net op tijd nazi-Duitsland. In Amerika koos hij voor een nieuwe toekomst, die hem succes bracht; hij werd een historicus van wereldfaam.

Van een hartstochtelijke liefde voor Duitsland, het Heimatgefühl waaraan zo opvallend veel Duitse joden leden (en waaraan Lea Dasberg vorig jaar een boeiend artikel wijdde in Leven met Duitsland), had hij geen last. Zijn vader noemde de van heimwee vervulde Duitse emigranten spottend de 'Byunskis', omdat ze altijd klaagden: 'Bei uns in Deutschland war alles besser.'

Maar het doceren aan de universiteit en het werken aan zijn veelzijdige oeuvre (zoals de spraakmakende studies over de Verlichting en de wereld van de negentiende-eeuwse burger) konden hem zijn jaren in Berlijn toch niet doen vergeten. De historicus Gay wil in My German Question - Growing up in Nazi Berlin niet zozeer getuigenis afleggen; hij wil vooral nagaan hoe hij als kind reageerde op de vergiftiging van het leven door de nazi's, wellicht in de hoop zo zijn lang verstoorde relatie tot Duitsland te kunnen herstellen.

Gay schetst een liefdevol portret van zijn liberale ouders, die nooit hun stem verhieven en hun enig kind zo goed als zij konden beschermden. De Fröhlichs behoorden tot die vele Duitse atheïsten die met het aan de macht komen van Hitler 'opeens joden waren geworden'.

De Machtübernahme en de daarna beginnende jodenvervolging leidden tot wat Gay een 'absurde verwarring' noemt. Hij maakte kennis met de contradicties van een totalitair regime. Zo adviseerde de rector, die bij de examens Mein Kampf uitdeelde en het Horst Wessel-lied liet spelen, de ouders Fröhlich hun zoon de klassieke opleiding te laten volgen. Op het Goethe-Gymnasium werd hij als jood weliswaar nooit gepest, maar hij zorgde er wel voor niet de primus, de beste, van zijn klas te zijn; dat liet hij over aan een klasgenoot van de Hitler Jugend. Het zijn deze overlevingsstrategieën die hem nu nog interesseren, meer dan de dramatische gebeurtenissen in nazi-Duitsland.

Vooral zijn vader was hem behulpzaam bij het creëren van 'eilanden van orde en rede' in een steeds vijandiger wereld. Twee van die 'eilanden' waren het verzamelen van postzegels - in het bijzonder zegels die de Duitse inflatie weerspiegelden met hun bijzondere opdrukken - en sport. Vader en zoon Fröhlich waren hartstochtelijke aanhangers niet alleen van de Berlijnse voetbalclub Hertha BSC, maar vooral van Angelsaksische clubs als het Londense Arsenal.

Eén keer konden zij buiten de vertrouwde muren van hun huis in Berlijn uiting geven aan hun afkeer van de nazi's. Dat was tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Die Spelen nemen in Gay's herinnering dan ook een grotere plaats in dan Hitlers eerste internationale triomf, de herbezetting van het Rijnland in hetzelfde jaar. Hij kon met zijn vader zonder risico de zwarte Amerikaanse sprinter Jesse Owens toejuichen, omdat zijn vader al voor de Machtübernahme kaartjes in Boedapest had gekocht en zij dus in het vak van de Hongaarse supporters belandden. Met leedvermaak herinnert hij zich hoe de Duitse dames bij de estafette hun stokje lieten vallen: 'een van de grootste momenten in mijn leven.'

Niet alleen waren de Fröhlichs in staat de Olympische Spelen bij te wonen, ook konden ze dat jaar nog met hun Opel een tocht door Duitsland maken. Het ging vader Fröhlich beter dan de jaren daarvoor en dat maakt het begrijpelijker dat zij niet meteen hun biezen hebben gepakt.

Gay keert zich herhaaldelijk tegen het onbegrip van degenen die geen moeite doen zich te verdiepen in de dilemma's waarvoor de joden zich geplaatst zagen. Niet zonder irritatie legt hij uit dat zijn familieleden, hoewel zij er destijds niet aan twijfelden dat er 'vroeg of laat' voor hen in Duitsland geen plaats meer zou zijn, vóór de Kristallnacht van november 1938 geen besef hadden van de urgentie van de dreiging. Zij spraken tijdens hun autotocht weliswaar niet van een afscheid van Duitsland, maar 'toch moeten zulke gedachten onder de oppervlakte hebben gesluimerd'.

Gay heeft al eerder geschreven dat het niet aangaat de Duitse joden hun optimisme te verwijten. Hun succesvolle emancipatie tot 1933 vormde immers het bewijs dat er in Duitsland ook nog een andere traditie bestond dan een antisemitische. En hoe konden zijn ouders in 1937 vermoeden dat het tempo van de jodenvervolging zou worden opgevoerd op een moment dat de nazi's zelf daarvoor nog geen plannnen hadden? De weg naar Auschwitz was nooit recht en voorspelbaar, schrijft Gay terecht in zijn 'niet-apologetische apologie'.

My German Question rekent ook af met het onlangs weer opgerakelde fabeltje dat de westerse democratieën alles deden om de joden te helpen. Het was aan de voortvarenheid van zijn vader te danken dat zij niet in mei 1939 op de St. Louis naar de vrije wereld vertrokken, maar twee weken eerder op een ander schip, dat hen veilig naar Havana bracht. Daar moesten zij hulpeloos toezien hoe hun lotgenoten van de St. Louis werden teruggestuurd naar Europa, waar het overgrote deel de nazi-terreur niet zou overleven.

Gay schrijft dat hij - anders dan veel joodse vluchtelingen - nooit geobsedeerd is geraakt door de holocaust. Hij keek niet naar films en documentaires over dit onderwerp en bracht nooit een bezoek aan het Holocaust Museum in Washington of de concentratiekampen. Deze opmerkelijk gedetacheerde houding heeft hij gemeen met twee Nederlandse historici die ook een joodse familieachtergrond hebben, E.H. Kossmann en H.W. von der Dunk.

Toch blijkt uit zijn zorgvuldig mijden van de herinneringsplaatsen van de holocaust en zijn langdurige allergie voor Duitsers - hij weigerde tot 1961 een voet op Duitse bodem te zetten - dat hij niet ongeschonden uit die periode is gekomen. Maar zelfs de auteur van een alom geprezen studie over Freud kan in zijn hoofdstuk 'Ontwakende hormonen' niet goed duidelijk maken in hoeverre de depressieve buien en de vertraagde seksuele ontwikkeling van de brave Peter Fröhlich op het conto van de nazi's moeten worden geschreven.

Zijn gemengde gevoelens ten aanzien van de Duitsers mogen nooit helemaal zijn verdwenen en het schrijven van dit boek mag voor Gay zelf geen katharsis hebben betekend, My German Question is in ieder geval een integere poging zijn bescheiden trauma dat Duitsland heet, onder woorden te brengen.

Meer over