Dolend door het rijk van de islam

'MAAR WAAROM word je dan geen moslim?', is waarschijnlijk de meest gestelde vraag die Maurits Berger te horen kreeg tijdens zijn verblijf in Damascus....

Als advocaat had hij niet veel aan zijn kennis van het Arabisch, op wat kletspraatjes na met de Egyptische schoonmakers en een enkel juridisch advies aan Nederlandse vrouwen die getrouwd waren met een Marokkaan of Egyptenaar. Het Midden-Oosten bleef trekken en uiteindelijk zegde hij zijn baan op. Hij vertrok naar Syrië om ter plaatse het islamitische recht, de sharia, te bestuderen. Van zijn verblijf in Damascus doet hij verslag in Islam is een sinaasappel.

Na wat aarzelingen overwonnen te hebben meldt Berger zich aan als student bij de sharia-faculteit van de universiteit van Damascus. De eerste colleges die hij volgt, betreffen vertrouwd terrein als familie- en erfrecht. De colleges islamitisch recht blijken razend populair te zijn onder de studenten en gecombineerd met de uitpuilende moskeeën trekt hij al gauw de conclusie dat de islam in Syrië meer aanhang heeft dan het regime doet vermoeden.

Als hij hier navraag naar probeert te doen, houdt iedereen zich op de vlakte: islam en politiek zijn taboe in Syrië. Hij krijgt te horen dat de sharia-faculteit de vergaarbak is van studenten die niet zijn toegelaten tot andere studies. 'Net zoiets als de rechtenstudie bij jullie.' Maar na wat doorvragen blijkt de toename van het moskeebezoek veelbetekenend te zijn begonnen in 1982, het jaar waarin president Assad met veel geweld een islamitische opstand in de kiem smoorde.

Algauw leert Berger enkele jongeren kennen die hem inwijden in de Syrische situatie. Hij komt er snel achter dat vragen over islam en politiek, en vooral over president Assad, maar beter niet gesteld kunnen worden. Dreigt het gesprek die richting uit te gaan, dan kappen zijn gesprekspartners het onderwerp af, of laten zij hun stem zakken en tronen zij hem mee naar een stil plekje waar ongestoord verder kan worden gepraat. Als iemand binnen gehoorafstand dreigt te komen, veranderen zij vliegensvlug van onderwerp en wijzen Berger op de architectonische schoonheid van de Omayyaden-moskee.

Zijn vriend Mohamed is het schoolvoorbeeld van de moderne moslim-fundamentalist: jong, afkomstig uit de middenklasse en goed opgeleid. Dit type jongeren is erg gefrustreerd. Dit komt doordat in de meeste Arabische landen de werkloosheid gigantisch is en zij nauwelijks aan de bak komen. Het lijkt meestal alsof het Westen overal de schuld van krijgt, maar de onvrede richt zich voornamelijk tegen de eigen, vaak corrupte, overheid.

Vaak redeneert men dat de oude nationalistische en socialistische experimenten mislukt zijn, omdat ze geïmporteerd moesten worden. Daarom moeten hervormingen gebaseerd worden op de eigen tradities. Een keuze voor de islam ligt daarbij voor de hand, omdat de sharia een blauwdruk geeft voor een rechtvaardige ideaal-maatschappij. Dit betekent echter niet dat de fundamentalisten terugverlangen naar de Middeleeuwen zoals vaak wordt beweerd. Zij streven juist naar een moderne maatschappij met de bijbehorende welvaart. Berger citeert dan ook instemmend een Arabische wetenschapper die ooit schreef: 'De moslim-fundamentalist is niet zozeer kwaad omdat de kameel is vervangen door het vliegtuig, maar omdat hij niet met het vliegtuig mee kan.'

Gaandeweg zijn verblijf in Damascus dompelt Berger zich volledig onder in de islamitische wereld. In eerste instantie had hij in de christelijke wijk van Damascus een kamer gehuurd. Aangezien hem dit te veel doet denken aan een scheidslijn die hij iedere dag weer moet oversteken, verhuist hij algauw naar een buitenwijk waar grotendeels moslims wonen.

Vervolgens komt zijn grote droom uit: in de leer gaan bij een sjeik in de moskee. 'Niet de vrijdagpreek, niet de colleges aan de sharia-faculteit, niet de stoffige boeken uit de bibliotheek van het Franse instituut, maar aan de voeten van een sjeik. Dat is dé manier om de sharia te leren.' Vanaf dat moment gaat hij 's ochtends om vijf uur naar de Imaan-moskee waar sjeik Hamdaani zijn leermeester wordt. Deze manier van lesgeven wordt al eeuwenlang in de islamitische wereld toegepast: aan de voeten van de sjeik met een klein groepje studenten de Koran en de sunna (traditie) bestuderen en becommentariëren.

Vooral interessant zijn Bergers observaties van de rol van de islam in het dagelijks leven en de manier waarop het regime probeert de conservatieve islam te gebruiken om de radicalere stromingen te marginaliseren. Vaak worden de vrijdagpreken in de moskee gebruikt om een islamitische variant van de staatsleer te propageren. Zo noemt Berger groot-moefti Koeftaro, de invloedrijkste religieuze functionaris van Syrië 'een van de belangrijkste koorddansers in het evenwichtsspel tussen nationalistische en religieuze ideologie'.

Tevens ontdekt Berger dat het soefisme (een meer ascetische richting in de islam) in de Syrische samenleving een grotere rol speelt dan verwacht. Hij had tot dan het soefisme vrijwel genegeerd, maar een Syrische vriend legt hem uit dat soefisme 'het proeven van de sharia' is. 'De sharia bestaat uit regels die je moet leren, en dat is een bezigheid van het hoofd. Maar soefisme is de bezigheid van het hart, en dat kun je niet leren, dat moet je ervaren. (. . .) De islam is als een sinaasappel: de sharia is de schil en het soefisme het vruchtvlees.' Het soefisme blijkt zelfs de ruggengraat van de islam in Syrië te vormen en de meeste conservatieve moslims zijn lid van een mystiek genootschap. Dit wordt niet alleen gedoogd, maar zelfs gestimuleerd door het bewind, want de gematigde boodschap van het soefisme vormt een goed tegenwicht voor de radicale moslims.

Iedereen die Berger ontmoet, is haast vanzelfsprekend overtuigd van de suprematie van de islam en talloze gesprekken die hij voert, lopen dan ook uit op vaak hilarische bekeringspogingen. Men gaat er automatisch van uit dat iemand die de islam bestudeert, dat niet uit interesse doet, maar omdat hij zoekende is. In de loop van de maanden krijgt hij hier steeds grotere moeite mee. Hij is immers gekomen om het islamitisch recht te bestuderen, maar dit blijkt veel meer verweven te zijn met de godsdienst zelf dan hij had verwacht. Hij is het 'Huis van de islam' binnengestapt om de sharia meer te kunnen doorvoelen, in plaats van de boeken braaf te bestuderen. 'Maar dat Huis bleek vele kamers te bevatten, die elk ook weer toegang gaven tot andere ruimten. Al vrij snel doolde ik als een blinde door de gangen, kamers en trappenhuizen.'

Zijn verblijf wordt uiteindelijk een persoonlijke zoektocht inzake godsdienst, tot dan toe een niet onplezierige herinnering uit zijn jeugd. Hij besluit na een jaar om uit Syrië te vertrekken. Niet omdat het hem allemaal te veel wordt, maar om afstand te nemen. Hij heeft het gevoel gekregen nog maar net te zijn begonnen met het leren kennen van de islamitische wereld en met het in de spiegel kijken die de islamitische wereld ons in het Westen voorhoudt.

Meer over