Die geheimzinnige weg van het scheppen

TOT DE clichés zo onuitroeibaar dat ze waar moeten zijn, behoort die over het boek dat zichzelf schrijft. Hoe vermoeiend schrijvers kunnen zijn die omstandig verklaren slechts onderdaan en instrument te zijn - hoewel er bij de uitkering van voorschotten en revenuen onmogelijk misverstand kan bestaan over de rechtmatige auteur...

Arjan Peters

Geen schrijver van fictie kan de finesses van zijn werkwijze exact aanwijzen. Vandaar die ogenschijnlijk bescheiden, maar niettemin pretentieuze uitvluchten dat je ze niet op de inhoud mag aanspreken, daar het boek dingen vroeg en die schrijver maar had te doen.

Aanstellerij met een kern van waarheid. Pel de pose eraf, en er blijft een geheim over - want hoe doe je dat in godsnaam, de macht behouden juist door haar nu en dan over te dragen - dat wellicht niet anders uit te drukken is dan door middel van ijdele frases en quasi-artistiek gebrabbel.

Dat wil zeggen: in interviews. De schrijver staat nog een andere weg open om zijn visie te geven op de eeuwig gestelde vraag: 'Hoe doet u dat nou, een boek schrijven?', en dat is die van de kunst. Passender antwoord is niet denkbaar dan de vraagsteller met de neus op feit en fictie te drukken.

Lees maar wat er staat, kijk aandachtig naar die woorden, zinnen en hoofdstukken: in het arrangement ligt de sleutel. Kom neuzen in de keuken, en leer dat er waarachtig keukengeheimen bestaan. Uiteindelijk is elke schrijver een doener; wat hij er achteraf zelf ook van denkt of zegt, het blijft altijd behelpen.

Als tegemoetkoming aan eenieder die het creatieve proces van nabij wenst mee te maken, heeft Margriet de Moor de roman Zee-Binnen geschreven. Superieur wijst ze de lezer zijn plaats: die van sjokker achter de schrijver aan. De stellige toon van de maakster, die zich voor de gelegenheid uitleeft in de antieke rol van alwetende verteller, geeft de lezer te verstaan dat hij steeds net te laat komt.'Iedereen weet het'; 'natuurlijk zijn dit berichten, maar probeer ze eens te ontcijferen'; 'zoals bekend'; 'zoals iedereen altijd doet'; 'zoals vaak gebeurt'; 'spoedig zal het anders worden': we weten nog van helemaal niks, doch worden toegesproken alsof we wel erg trage leerlingen zijn.

Een rol die niemand zich graag opgedrongen ziet, zodat de lezer zich extra gaat inspannen om te volgen hoe de kunstenares de kleuren mengt en haar palet in gereedheid brengt voor het echte werk.

Het gaat snel. Te snel om het na te kunnen doen. Maar ook om het stap voor stap uitgelegd te krijgen. De onmogelijkheid van dat laatste, daar gaat Zee-Binnen over. Het is, met een verwijzing naar de thematisch verwante novelle van Cees Nooteboom uit 1981, De Moors lied van schijn en wezen.

We krijgen een verhaal opgediend over een Hollandse kustplaats (De Moor komt uit Noordwijk), alwaar een getrouwde dierenarts en vader gedurende acht maanden een heimelijke relatie heeft met een getrouwde persklaarmaakster en moeder. Omdat haar man vanwege werk in New York zit, ontvangt zij haar minnaar thuis. Om daar te komen, moet hij de Oude Zeestraat over, een weg die verraderlijk onregelmatig is. Tallozen hebben in de loop van de tijd een doodsmak gemaakt op die weg tussen 'Zee' en 'Binnen'.

'Laten we dit maar het verhaal van een weg noemen', stelt de schrijfster in den beginne. In een zo programmatisch en poëticaal boek ligt een metaforische lezing van de titel voor de hand: de bedoelde weg is misschien die tussen verleden en toekomst, verbeelding en werkelijkheid, feit en verhaal. Op die weg bevindt zich de mens in de tegenwoordige tijd. Een schrijver ziet die mens - en die wordt een personage -, dicht hem een toekomst toe, schenkt hem een verleden, brengt hem in contact met anderen, en voor je het weet is er een verhaal in de maak.

Dat mislukken kan. Het blijft voorzichtig laveren op die route 'met schuren en sloten erlangs die of je nu kijkt of niet op je inwerken. Ze slorpen je helemaal op. Dan kaatsen ze iets terug dat niet per se aansluit op je geheugen'.

Onverwacht komt er een barst in de regelmaat: dat is het Margriet de Moor-momentum te noemen. Door een flits, een kleinigheid, 'een dingetje' zoals ze het hier welbewust vaag en onbeduidend houdt, raakt het bestaan van een van haar personages ontregeld.

De arts Lukas Vincent vindt op straat een agendaatje, dat is verloren door Gemma Meeuwenoord. Daarin ziet hij dat zij hem over een paar weken komt bezoeken in zijn praktijk. De aankondiging zet zijn verbeelding aan het werk.

Voordat de ontmoeting daar is, horen we het nodige over het wat ingedutte huwelijk van Lukas en Noor, die haar man eerder ten onrechte verdacht van overspel. Voorts is daar dochter Sonja (10), die in het geheim op de computer chat met een Belgische zeebonk (21): zij houden hun contact virtueel. Voor Sonja is de computer de weg tussen zee en binnen.

Zo verveelvoudigt zich als vanzelf het aantal vragen, en toont De Moor waarom in haar werk dikwijls de verbeelding sturend is, niet de werkelijkheid. Over Noor schrijft ze: 'Zij volgde het defilé zonder haar blik er zelfs maar een seconde van af te wenden, ook als ze moe van het kijken werd, bleven haar ogen open. Ze haalde er dan alleen, zoals iedereen altijd doet, haar verbeelding bij om te zien wat ze niet kón zien en te horen wat niet te horen wás.'

Van simpel wordt Zee-Binnen al snel een complex weefsel van flash-backs, belevenissen en blikken in de toekomst. Een vondst is Gemma's stokoude papegaai die de taal van haar grootvader, de bloembollenteler Meeuwenoord levend houdt. Zelfs de labrador die gelegen op Vincents operatietafel plots begint te praten, is acceptabel - dit in tegenstelling tot de viervoeter die Doeschka Meijsing ter opleuking van haar roman De weg naar Caviano de bek liet openen -, want hij ventileert de mening dat de menselijke spraak en taal maar beperkt zijn, en bovendien speelt zich deze gehele scène in Vincents verbeelding af.

Geel lolbroekerij bij De Moor dus, maar een overtuigende demonstratie van de onverklaarbare wet dat een verhaal zich deels vanzelf kan schrijven. Waarom krijgen Vincent en Gemma wat met elkaar? Wel, dat is feitelijk reeds gegeven door die annunciatie in het agendaatje: omdat het daarin staat, daarom kan de schrijfster het laten gebeuren. En daarom kijken de hoofdrolspelers in deze geschiedenis van overspel er zelf ook van op, hoe geruisloos het gaat. Eerst komt Gemma met haar kat (niesziekte) bij de dokter, en diezelfde avond staat hij bij haar voor de deur. 'Wat ze zou willen weten is: hoe en wanneer heeft iets zich zo overduidelijk tussen het een en het ander kunnen wringen?'

Omdat Vincent al in de agenda heeft gezien - hij kent Gemma's toekomende tijd aan de hand van haar eigen aantekeningen - dat ze eind december naar haar man in New York zal afreizen, staat het slot van hun relatie ook al vast. Hoe het dan verder moet met deze personages, ook met Noor, daar kan de schrijfster niet geheel voor instaan. De kreet van bezorgdheid die zij aan het slot slaakt - 'O doe voorzichtig' -, is gemeend.

Maar tussen begin en eind dient ook zij behendig te laveren op die geheimzinnige weg van het scheppen, die veel voor de lezer in petto heeft. Ook Gemma krijgt een verleden, en wel een luisterrijk. De Moor schittert in de beschrijvingen daarvan, zoals ze over het geheel een meesterschap toont dat met recht geen tegenspraak duldt. Neem alleen de tritsen die zij pontificaal voorlegt, maar die hoogst ongewoon zijn: 'Waarom zouden de details van je leven niet eens door welk incident dan ook een beetje verschuiven zodat er een paar andere bovenkomen? Kalm, argeloos, dwingend.'

Of die over Gemma, die niet begrijpt waarom zij als gelukkig getrouwde vrouw zomaar genotzuchtig met een vreemde minnaar heeft geslapen: 'Ze vindt geen verklaring voor haar gedrag. Dat het misschien niet eens alleen de persoon van de minnaar is die haar zo gek maakt, maar ook iets anders, iets onbekends dat zich indirect, maar lenig en resoluut, in hun overspel mengt, is een mogelijkheid die niet bij haar opkomt.'

Het zijn de meest illustratieve theorielessen die in een praktijkgeval uitmonden. Om meer dan één reden is Zee-Binnen een voorbeeldige roman. Een schrijver kan wel alles laten zien, maar nooit alles uitleggen. Het moet altijd indirect. De Moor doet het hier bovendien lenig en resoluut.

Meer over