Biologie

De wilde kat rukt op in Limburg. ‘Er is waarschijnlijk genoeg voedsel om veel jongen groot te brengen’

Na eeuwen van afwezigheid leeft in de Zuid-Limburgse bossen weer een stabiele populatie van wilde katten. De dieren lijken langzaam op weg naar het noorden.

Een wilde kat in Slowakije, met een dode gaai in de bek. Beeld Getty
Een wilde kat in Slowakije, met een dode gaai in de bek.Beeld Getty

Bioloog Hettie Meertens opent een klaphekje aan de rand van het Vijlenerbos, een bosgebied in het zuidelijkste puntje van Zuid-Limburg. Tussen het ruige grasland houdt ze stil. Verspreid door het hoge gras schieten jonge boompjes op en langs de randen van de weide groeien hoge braamkoepels. ‘Wilde katten houden van schuilplekjes. Dit is landschap waar de katten goed thuis zijn. Veel muizen en veel beschutting.’

De wilde kat is definitief terug in Nederland. Vanuit het Vijlenerbos, een loofbos van 650 hectare dat zich uitstrekt tussen Epen, Vijlen en het drielandenpunt, lijkt het dier bezig met een langzame opmars naar het noorden. In het Vijlenerbos zelf leven de laatste jaren vijf of zes volwassen katten, vertelt Meertens, die als landschapsecoloog bij ARK Natuurontwikkeling de wilde katten al jaren volgt. ‘In vijf andere, kleinere bossen in Zuid-Limburg leeft de wilde kat ook. Maar daar zagen we meestal maar één en soms twee exemplaren.’ Meertens krijgt nu en dan berichten van waarnemingen verder naar het noorden, richting Midden-Limburg en zelfs een waarneming in Noord-Brabant.

De aanwezigheid van wilde katten is een teken dat het gebied ecologisch goed functioneert. Er is voldoende voedsel, schuilgelegenheid en leefruimte voor een relatief groot en schuw roofdier. Dat betekent dat het gebied voor andere soorten, zoals de wezel, hermelijn, bunzing en boommarter ook aantrekkelijk is.

. Beeld .
.Beeld .

Uitgestorven

De wilde kat (Felis silvestris silvestris) was in Nederland door ontbossing, versnippering van het leefgebied en jacht sinds de Middeleeuwen uitgestorven. Na losse waarnemingen in 2002 en 2006, en mogelijk zelfs in 1963, vestigden de dieren zich ongeveer tien jaar geleden definitief in de Zuid-Limburgse bossen. Een paar jaar later, in 2014, werd in het Vijlenerbos een nestje geboren. Voor zover bekend waren dat de eerste jonge wilde katten in Nederland in honderden jaren.

Een wilde kat met jongen. Beeld Laura Kuipers
Een wilde kat met jongen.Beeld Laura Kuipers

‘In 2017 zagen we hier op een cameraval beelden van een moederpoes met vijf jongen. Dat is opvallend veel voor een wilde kat in de vrije natuur. Dat betekent waarschijnlijk dat hier genoeg voedsel is om veel jongen groot te brengen’, zegt Meertens. Afgelopen winter zag ze op camerabeelden dezelfde moederpoes, herkenbaar aan het streepjespatroon op haar vacht. ‘Ik heb nu verderop, in haar territorium, een cameraval hangen omdat ik nieuwsgierig ben of ze dit voorjaar opnieuw jongen heeft.’

De populatie wilde katten is Zuid-Limburg is klein en daardoor lijken de dieren kwetsbaar. Meertens wijst richting het zuidoosten: ‘Als je op de kaart kijkt, zie je dat het Vijlenerbos bij het drielandenpunt met een smalle verbinding overgaat in het Aachenerwald in Duitsland. Van daaruit staat het in verbinding met de Eifel. Naar het zuiden sluit het aan op de Hoge Venen en de Ardennen. Die gebieden zijn verzadigd. Als in Nederland ruimte ontstaat – er zijn hier veel wegen, er zou een kat aangereden kunnen worden – dan wordt die ruimte vanuit de Eifel of de Ardennen weer aangevuld.’

Ongrijpbaar

Er is nog iets: het zou best kunnen dat er meer dieren rondlopen dan we nu weten. De wilde kat is namelijk betrekkelijk ongrijpbaar. Het dier is goed gecamoufleerd en buitengewoon schuw, waardoor je het niet makkelijk te zien krijgt. Als de kat zich toch vertoont, is het soms lastig het onderscheid te zien met een stevige huiskat.

‘Het kan best dat hier al veel eerder wilde katten zaten’, zegt Meertens. Ze wijst op de losse waarneming uit 1963 van een kat die werd gevangen – en gedood – in een natuurgebiedje aan de rand van Heerlen, 15 kilometer verderop. ‘Dat dier is destijds onderzocht, maar alleen aan de buitenkant. Als je zeker wilt weten of het een wilde kat is, moet je kijken naar de vorm van de schedel of de lengte van de darmen. Of je moet dna-onderzoek doen.’

Wildcamera

Verderop in het bos stopt Meertens bij een opvallende boom. ‘Ik gebruik dit soort herkenningspunten, anders vind ik de camera’s niet terug.’ Ze slaat van het pad af, onder laaghangende takken van hazelaars en hulst door. Niet eens zo heel ver van de hoofdroute is een metalen kistje met een geplastificeerde staalkabel aan een boompje gesnoerd. Meertens wijst op een gat in de hulststruiken, en verderop een smal paadje tussen de bomen waar precies een kat tussendoor past. ‘Hier loopt een wissel. Als je rondkijkt, lopen hier eigenlijk verschillende wissels – paadjes die worden gebruikt door wilde dieren. Niet alleen wilde katten, maar bijvoorbeeld ook dassen. En heel veel muizen. Katten vinden dit fijn: veel van dit soort grote hulststruiken waardoor ze een beetje dekking hebben.’

Meertens vertelt over een kat die tijdens zenderonderzoek een paar jaar geleden de hele dag lag te slapen in een grote braamstruik in een van de natuurgraslanden. ‘Hier in het bos zie je dat ze ook slapen in tunnels van verlaten dassenholen of in holtes onder omgevallen bomen.’

De stalen box met de wildcamera hangt verkeerd, legt ze uit. Hij staat iets te hoog gericht, waardoor alleen het lichaam van de kat in beeld komt. De pootjes, en dus ook de mogelijke jongen, blijven buiten beeld. Met haar wandelschoen trapt Meertens een dode tak in tweeën. De stukken wurmt ze tussen de boom en de camera om te zorgen dat de lens iets meer naar beneden wijst.

Meertens spant de staalkabel van de wildcamera opnieuw aan en bekijkt tevreden het resultaat. ‘Op een meter of twee voor de lens druppelen we valeriaanolie, waar de katten dol op zijn. Dan blijven ze soms wel 15 minuten rondjes draaien en kopjes geven. Op die manier krijg je het vachtpatroon goed in beeld en zo kun je proberen de verschillende dieren te onderscheiden.’

En, terwijl ze een laaghangende tak wegduwt om terug te lopen naar het pad: ‘Soms heb je geluk. Dan gaat er een voor de camera zitten kakken. Dan heb je dna-materiaal en dankzij de camera weet je precies bij welke kat het hoort.’

Zo herken je een wilde kat

De wilde kat (Felis silvestris silvestris) is op het eerste gezicht moeilijk te onderscheiden van een fors uitgevallen cyperse kater (Felis silvestris catus). Toch zijn er een paar herkenbare verschillen. De wilde kat is doorgaans iets groter en zijn strepen zijn over het algemeen minder scherp afgetekend. Een belangrijk verschil is de zwarte rugstreep. Bij cyperse katten loopt de rugstreep door tot over de hele staart, bij wilde katten eindigt de streep bij het begin van de staart. De staart van een wilde kat is dikker en heeft drie tot vijf duidelijk herkenbare, zwarte ringen.

De huiskat en de wilde kat zijn ondersoorten van de Felis silvestris en kunnen samen jongen krijgen. Dergelijke hybridisatie is een bedreiging voor het voortbestaan van de wilde kat, al zijn er ook aanwijzingen dat de dieren elkaar uit de weg gaan. In het Vijlenerbos leefde tot een aantal jaar geleden een grote populatie zwerfkatten, maar die is inmiddels uitgedund: de wilde katten hebben de zwerfkatten resoluut uit hun territoria verjaagd.

Meer over