De stem van zijn zusje Bella

SOMMIGE DEBUTEN maken de indruk een levenswerk te zijn. Geen eerste, schuchtere proeve, maar het definitieve boek dat iemand moest schrijven....

Michaels' roman lijkt een compleet oeuvre: fictie, geschiedschrijving en biografie ineen. Zich ruimtelijk uitstrekkend over Griekenland, Polen en Canada, op verschillende momenten in deze beschamende eeuw. Ware feiten bekleden de levens van fictieve mensen, stand-ins voor het echte vlees en bloed van de geschiedenis. Over moord en vernietiging schrijft Michaels, over poëzie en geologie, over herinnering en verdringing, over de waarheid die ligt opgeslagen in de aarde en opnieuw wordt vastgelegd in taal. Zij beheerst alle stijlregisters, van koel noterend tot heftig choquerend, maar het best dat van het poëtische beeld.

De memoires van de dichter Jakob Beer zijn het hart van deze roman. Hij is een overlevende. Toen de nazi's in Polen het joodse getto van zijn jeugd binnenvielen en uitmoordden, kroop de 7-jarige Jakob in een kast achter het behang. Zijn ouders en zusje Bella bevriezen in zijn geest in hun laatste houding, als inwoners van Pompeji: moeder naait een knoop aan, vader leest de krant, zusje speelt piano. Daarna was er het geluid van krakend hout, geschreeuw. 'Sinds die minuten in de muur stel ik me voor dat de doden al hun zintuigen kwijtraken behalve hun gehoor', schrijft Beer. 'Ik hoorde de knopen wegstuiven, kleine, witte tanden.'

Een leven vol liefde, kinderliedjes, geruststellend aaiende handen, tafelmanieren, geheime jongensclubs en muziekles is gesmoord in een vleeshoop waaruit de handen van zijn ouders steken. Dagenlang rent de jongen door het land, uitgehongerd en verzwakt. Pas dan realiseert hij zich dat ook zijn zusje dood is. 'Toen schaamde ik me zoals ik me nog nooit geschaamd had: ik voelde een stekende honger. En plotseling begreep ik het, en mijn keel deed pijn zonder geluid - Bella.'

Als 'jongen van het veenmoeras', een schim onder een laag modder, duikt Jakob op in de straten van de verdronken stad Biskupin, waar onderzoekers bezig zijn met de reconstructie van een tweeduizend jaar oude cultuur. De Griekse geoloog Athos ziet de jongen, verbergt hem in zijn jas en rijdt met hem naar Griekenland. Op een zolderkamertje van Athos' huis op het eiland Zakinthos, ook bezet door de Duitsers, brengt Jakob de resterende vier oorlogsjaren door. 's Nachts drukt hij zich aan tegen de schim van zijn zusje Bella. Door het zolderraampje zien ze hoe een schip vol joden van Korfoe door de Duitsers naar de zeebodem wordt geschoten - eenzelfde lot als de joden van Kreta. Sinsdien hoort Jakob stemmen opstijgen uit de vredige Egeïsche zee.

Pas na de oorlog zullen Athos en Jakob begrijpen dat ze elkaar hebben gered. Enkele dagen nadat Athos zonder aarzeling aan de levensgevaarlijke vlucht begon, namen de nazi's Biskupin in: ook het verre verleden moest gezuiverd worden van grootse niet-Arische cultuur. De aangetroffen onderzoekers werden geëxecuteerd. Op Zakinthos zijn de man en het jongetje elkaars geestelijke redding. De ontroerendste passages beschrijven de uren waarin zij elkaar op de zolder het leven terugschenken. Niet door te praten over de verschrikkingen, maar door tegengif op te zuigen.

Op het kamertje van een paar vierkante meter liggen de schatten van de menselijke geest opgeslagen, in de vorm van honderden boeken en voorwerpen. Athos vertelt Jakob over de geheimen van de zee. Over de wonderen van zout, kalk en hout. Over cederhouten galeien, Peruaanse vlotten van balsahout en Polynesische boten van stro. Hij tekent de handelsroutes van zijn voorvaderen en vertelt urenlang over expedities naar de Noordpool. Hij laat Jakob de ribbels van eeuwenoud leven voelen in een opengehouwen steen, de gladde kaak van een mastodont, de bast van een miljoenen jaar oude boom. Jakob leert Athos jiddisch, Athos leert hem Grieks en Engels.

Terwijl Duitse laarzen over het eiland stampen, lezen zij Homerus en Plinius, Solomon en Keats, studies over iconen, biografieën van botanici. Zo voeden ze elkaar met de dingen die iedere stompzinnige vernietiging hebben overleefd. En al bevrijdt die kennis Jakob niet van zijn nachtmerries en het gefluister van zijn doden, zij geeft hem een beginkapitaal voor een leven waar anders geen beginnen aan was.

De enige reden van Jakobs bestaan is het levend houden van zijn doden. Daarbij komen talen- en feitenkennis goed van pas. In de zich splitsende en opnieuw verbindend zoekende moleculen van de materie en in het eindeloos scheppende vermogen van de taal, in die twee huist de continuïteit van het leven. En de mogelijkheid tot herinneren.

De 'antropomorfistische' geoloog Athos gelooft dat moleculen een wil hebben, een verlangen en een ziel. Moleculen van de doden, legt Athos uit aan Jakob, dringen altijd door tot de lichamen van de levenden: 'Toen de gevangenen werden gedwongen de massagraven leeg te maken, gingen de doden bij hen via de hun poriën naar binnen en werden via hun bloed naar hun hersenen en hart vervoerd. En via hun bloed naar de volgende generatie. Hun armen staken tot aan de ellebogen in de dood - en niet alleen daarin, maar ook in muziek, in de herinnering aan de manier waarop een man of zoon over zijn etensbord zat gebogen, de gezichtsuitdrukking van een vrouw als ze keek naar haar kind in bad; in geloofsbekentenissen, wiskundige formules en dromen. Terwijl ze het bloeddoorweekte haar van een ander mens tussen hun vingers voelden, smeekten de gravers om vergiffenis.'

De volwassen Jakob, met Athos naar Canada gemigreerd, probeert na de dood van zijn stiefvader de doden doorgang te verlenen in de taal. Hij is een drietalig vertaler en dichter. Hij leest alles wat hij te pakken kan krijgen over de Poolse joden, wier memorboek hij wil schrijven. In gedachten volgt hij dagelijks de weg die zijn zusje mogelijk is gegaan vanaf het ouderlijk huis. 'Omdat Bella misschien ergens langs die weg gestorven is. Op straat, in de trein, in het kamp.'

In zijn gedichten keert hij terug naar Biskupin, naar Zakinthos, naar de ingetrapte deur, naar de minuten in de muur. 'Als je dat beschadigde chromosoom in woorden de vorm van een beeld zou kunnen geven, zou je misschien de orde kunnen herstellen door het te benoemen. Anders is de geschiedenis niets anders dan een wirwar van draden.' Tijdens die maniakale zoektocht sneuvelt zijn eerste huwelijk, met een levenslustige Canadese. Hij keert terug naar Griekenland, naar het ouderlijk huis van Athos op Hydra, waar hij in eenzaamheid dicht en vertaalt. De stem van Bella aan de andere kant van een dunne muur blijft hij horen.

Genezing biedt uiteindelijk de liefde. Totale liefde en fysieke overgave. Op een van zijn vakanties in Toronto ontmoet Jakob Michaela. Op haar huid ligt geen spoor van de dood. Op haar gezicht leest hij de trouw van generaties vrouwen en moeders. Michaela's bruine haar verdrijft de zwarte vlecht van Bella, haar handen op zijn rug nemen de plaats in van kindervingers die denkbeeldige letters op zijn rug tekenden. Jakob, voor wie lichamelijkheid altijd aan de dood herinnerde, wordt opnieuw geboren: 'Elke cel in mijn lichaam is vervangen, volgestroomd met kalmte.' Hij begrijpt nu dat de doden niet bleven rondzingen omdat ze terug wilden, maar om hém het leven in te duwen, waarna ze rustig dood konden zijn.

Jakob neemt Michaela mee naar Hydra, waar ze een paar jaar volmaakt gelukkig zijn. Dan komen ze samen om bij een auto-ongeluk. Jakob is 60 jaar, Michaela 35. De latere biograaf vindt op hun bed een briefje: 'Als het een meisje is: Bella. Als het een jongen is: Bela.'

Die biograaf, de joodse letterkundige Ben, is het minst indrukwekkende personage in dit boek. Je zou eigenlijk wensen dat hij eruit geknipt werd. In het honderd pagina's tellende derde deel wordt hij aan het woord gelaten. We volgen hem tijdens zijn zoektocht op Hydra naar de sporen van de inmiddels bijna heilig verklaarde dichter. En dat is meer dan deze verbazend rijke roman kan verdragen. We krijgen nog een levensverhaal te verstouwen: Bens ongelukkige jeugd bij twee sprakeloze overlevenden van een concentratiekamp. Nog meer doden te betreuren, nog een ongelukkig huwelijk. Bovendien wordt de lezer de kans ontnomen zelf een gedenkteken op te richten voor deze Jakob, voor alle Jakobs.

Het is de enige beginnersfout - een flinke - in dit overigens voorbeeldige debuut. Michaels lijkt zo op dreef te zijn geweest dat zij haar tweede roman er meteen gratis bijleverde. Het overbodige derde deel is even goed geschreven, en mogelijk even aangrijpend als de rest van het boek. Maar het is gewoon te veel. De verpletterende indruk van de eerste twee magistrale delen kan dan gelukkig niet meer worden uitgewist. Verborgen verleden sleurt wie dacht dat de geschiedenis zich stilhoudt, terug naar de feiten, maar beloont die gruwelijke afdaling met hoop.

Aleid Truijens

Anne Michaels: Verborgen verleden.

Vertaald uit het Engels door May van Sligter.

Anthos; 312 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 414 0193 8.

Meer over