ColumnCasper Albers

De rommelige rekensom van Deloitte naar de kosten van zelfdoding voegt niets toe

null Beeld
Casper Albers

Elke zelfdoding kost de maatschappij 2,8 miljoen euro, aldus uit een studie in opdracht van 113 Zelfmoordpreventie waar EenVandaag onlangs over berichtte.

Nogal een lugubere rekensom. Nabestaanden kregen te horen dat hun verlies een vervelende kostenpost is. Personen met suïcidale gedachten krijgen nóg een schuldgevoel aangepraat. Dat juist 113 Zelfmoordpreventie dit doet is nauwelijks te begrijpen.

De verdediging was dat wijzen op de kosten politici ertoe kan bewegen meer aan preventie te doen. Je moreel kompas moet goed verrot zijn als je pas bereid bent aan zelfdodingspreventie te doen als je er financieel beter van wordt. Maar dit kompas is goed vertegenwoordigd in Den Haag. Pragmatisch gezien is de actie enigszins te begrijpen.

Laten we het rapport van Deloitte er eens bij pakken en de rekensom bekijken. Dit blijkt een groot samenraapsel van slecht onderbouwde aannamen te zijn.

De onderzoekers onderscheiden drie soorten kosten: directe, indirecte en immateriële. De directe kosten, bijvoorbeeld voor het uitrukken van ambulances, zijn het nauwkeurigst te meten. Maar ook hier zijn opvallende keuzen gemaakt. Zo worden hier kosten voor ziekenhuisopname, ambulance, lijkschouwing en counseling voor de nabestaanden doorgerekend. Maar ook bij andere sterfgevallen komen vaak dergelijke kosten voor. Uiteindelijk zullen we allemaal een keer overlijden. Had iemand geen suïcide gepleegd, dan waren de kosten dus mogelijk op een later moment gekomen. Dit zijn dus geen exclusieve meerkosten van zelfmoord. Dit zijn geen extra kosten die verbonden zijn aan suïcide.

De indirecte kosten bevatten zaken als ‘toekomstig productiviteitsverlies’. Een twintiger die uit het leven stapt kan niet meer veertig jaar lang inkomstenbelasting afdragen. Dat klopt, maar er wordt wel heel makkelijk aangenomen dat suïcidale personen even economisch productief zijn als niet-suïcidale personen en dus gemiddeld genomen modaal verdienen. Depressiviteit, zoals elke ziekte, heeft vanzelfsprekend een negatief effect op de productie.

Als je dit soort redeneringen wilt volgen, zou je ook de financiële meevallers van zelfdoding moeten meerekenen: verreweg de meeste zorgkosten zijn voor ziekten die met name ouderen raken. Zo zijn kanker en dementie samen goed voor eenzesde van alle zorguitgaven. Die kosten hoeven voor die personen niet gemaakt te worden.

Zo’n 90 procent van de 2,8 miljoen euro zit in de immateriële kosten. Dit is een poging om een bedrag te hangen aan ‘pijn, verdriet en verlies aan kwaliteit van leven’. Maar hoeveel is een mensenleven waard? En hoe hang je een prijskaartje aan de pijn van nabestaanden? Lastige vragen en nauwelijks bestudeerd in de context van suïcide. Een Ierse studie hangt hier (na inflatiecorrectie) een prijskaartje aan van 1,7 miljoen euro. Het rapport schat de kosten hier op 2,5 miljoen: blijkbaar zijn Ieren minder waard.

Zo zijn er veel meer stappen in de rekensom met een matige onderbouwing. De kosten hadden net zo goed véél lager of hoger kunnen zijn en het rapport geeft nergens onzekerheidsmarges aan. Het is maar welke ingrediënten je in je rekensommetje stopt, en hoe.

Op basis van zulk rommelig werk is geen beleid te maken. Gelukkig hoeft dat ook niet. Investeren in zelfmoordpreventie doe je niet om rijk te worden, maar omdat een werkend moreel kompas je daartoe verplicht.

Casper Albers is hoogleraar statistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen

Meer over