'De Poolse literatuur heeft haar plaats teruggeëist'

Gerard Rasch kreeg donderdag de Martinus Nijhoff Prijs 1997 voor zijn vertalingen uit het Pools, waaronder vooral het verzameld werk van Bruno Schulz ....

GERARD RASCH wijst op het portret van Wislawa Szymborska, op de achterkant van haar bundel Uitzicht met zandkorrel. Ingetogen glimlachend kijkt ze net een beetje weg van de camera. 'Dit werkt denk ik, die foto, zo'n mooi dametje.' Nog nooit werd er van een van zijn poëzievertalingen zo veel verkocht. 'Het was het juiste tijdstip misschien. Hoe dan ook, de naam Szymborska werd onthouden.' Vorig jaar oktober won ze de Nobelprijs voor de literatuur. Rasch had de bundel toen krap een maand onder handen. Opeens was de tijdsdruk groot. 'Ik ben heus wel tevreden over die vertaling. Maar bij poëzie is het zo: je blijft verbeteren.'

Hij legt Szymborska terzijde, trekt Vagn Lundbye uit de kast. Je kunt er weinig over zeggen of een werk aanslaat of niet; soms verbaast hij zich. Rasch vertaalde Lundbye, uit het Deens. 'Ik vond het schokkend goed. Nauwelijks iets van gehoord daarna.'

Hij zet koffie, pakt een extra asbakje voor de gast; tijdens een recent bezoek aan Polen kreeg hij ook een asbakje voor hem alleen, zo hoort het toch eigenlijk. Hij wijst op de zwarte bank, die een beetje doorzakt. Die gaat eruit straks. Natuurlijk fantaseer je over wat je gaat doen met het geld, als je een prijs krijgt. Op tafel ligt Schulz, in de eerste vertaling, twee bescheiden paperbackjes, en de tweede, herziene versie, mooi gebonden, met een leeslint en al.

'Ook zo gek', zegt Rasch, 'bij het verschijnen van de luxe-editie in 1995 leek het wel of die eerste uitgave, uit de jaren zeventig, helemaal nooit bestaan had. Geen recensie bijna die er nog naar verwees.' Hij bladert door de paperback, die toch best goede kritieken kreeg destijds. Maar inderdaad, het werk bleef een Geheimtipp, iets voor de echte liefhebbers. Hij grinnikt. 'Ik heb het idee dat dit heel slecht is nu. Nu ja, slecht, een zeven min. Maar het was ook het eerste dat ik vertaalde.

Dat was 1971. En het was op eigen initiatief. 'Eigenlijk een wonder dat de uitgever het destijds aandurfde.' Inmiddels heeft Rasch een omvangrijk vertaaloeuvre opgebouwd. 'Ik hoef niet meer te leuren met plannen.' Natuurlijk was dat vroeger anders. 'Uitgevers luisteren heus wel naar een vertaler. Het punt is, ze geloven hem nooit. Men durfde Kapuscinski pas aan toen die in de Verenigde Staten een enorm succes was geworden.'

Toen het tweede en laatste deel van Schulz' verzameld werk eind jaren zeventig uitkwam, nam Rasch het besluit beroepsvertaler te worden. 'Van de ene dag op de andere. Als ik er langer over had nagedacht, had ik het misschien niet gedaan. Je moet je niet gaan afvragen of je wel genoeg zal verdienen, dat soort dingen.'

Tot die tijd had hij er ander werk bijgedaan, naast zijn studie ook nog. Hij woonde in Denemarken, had een baan bij de Koninklijke Bibliotheek; zijn vrouw, een Deense, had hem die bezorgd. Er werkten veel Oost-Europeanen, en hij zat dicht bij de bron: als een van de eersten kreeg hij de nieuwe uitgaven onder ogen. 'Je liep zo een half jaar voor op je studiegenoten.'

Rasch studeerde af in 1978, hoofdvak Pools, in Kopenhagen. Hij was begonnen in 1965 in Amsterdam, waar Pools alleen als bijvak bij Russisch werd gegeven. Vier jaar later vertrok hij voor negen maanden met een beurs naar Polen. Vanwege zijn vrouw ging hij uiteindelijk in Denemarken wonen, waar Russisch als hoofdvak niet verplicht was; na de onderdrukking van de Praagse Lente door de Russen voelde hij niets meer voor die taal. 'Het was een politieke stellingname.'

In Kopenhagen begon Rasch ook vanuit het Deens te vertalen. Hij keerde wel om de zoveel tijd even naar Nederland terug: 'Dat moet, want je wordt onzeker over je taalgebruik. Bovendien pik je anders vernieuwingen in de taal niet op.' En na een tijdje realiseerde hij zich: 'Hier wil ik niet de rest van mijn leven wonen.'

Met Denemarken had hij niets. 'Met Polen wel natuurlijk. Hoe moet ik het noemen, een tweede vaderland?' Hij aarzelt. 'Het is een soort hartstocht, ik weet het niet precies. Ik heb er ook wel de pest aan gehad, soms. Door hun geschiedenis van onderdrukking beschikken de Polen over een levenswijsheid die hen in zekere zin boven de West-Europeanen plaatst. Tegelijkertijd hebben ze er een handje van hun lijden uit te willen buiten. Je spant je in voor een vertaling, en dan krijg je te horen dat je er als westerse rijkaard toch allemaal niks van begrijpt. Soms kreeg ik er genoeg van. Maar uiteindelijk ging dat altijd wel weer over.'

'Vertalen als roeping? Met een dominee als vader is dat begrip me niet onbekend. Maar als het al een roeping is, moet ik zeggen dat die sinds de val van het communisme een andere geworden.

'Het religieuze is eraf. Daarvóór had je echt het gevoel dat je iets moest doen voor de onderdrukten, hun literatuur verspreiden. Nu moeten ze zichzelf zien te redden.'

En dat lukt, vindt Rasch: 'De Poolse literatuur, een literatuur van dichters van wereldniveau, heeft haar plaats teruggeëist. Na 1989 kwam er natuurlijk ook een stroom pulp, en heus niet alles is van hemelhoog niveau, maar het bloeit. En ik vind het leuk om nieuwe dichters te ontdekken, nieuwe werken te vertalen. Ik zit niet vastgebakken aan één auteur zoals sommige vertalers wel hebben. Geen gevoel van identificatie met één schrijver nee. Nou, misschien tijdelijk dan.'

Schulz, dat was een passie, is het nog steeds. 'Ik kan hem steeds weer lezen en herlezen, als poëzie, of als een muziekstuk dat je keer op keer beluistert. En na die eerste keer móest ik hem opnieuw vertalen, mezelf verbeteren. Ik betrapte me erop dat ik aanvankelijk soms probeerde de tekst toegankelijker te maken. Later heb ik dat bewust vermeden, alle moeilijke woorden en zinsconstructies gehandhaafd. En er zitten ingewikkelde dingen in. Vaktermen, specialistisch woordgebruik. Schulz wil de lezer naar een ander niveau tillen, in een andere wereld brengen.'

Voor hem ligt Herbert, nog in A4-tjes. 'Ik moet hem binnenkort spreken, maar hij is nu behoorlijk ziek.' Eigenlijk had Herbert ook de Nobelprijs moeten krijgen, meent Rasch. 'Dat gaat natuurlijk niet, twee Polen achter elkaar, en Fo was een prachtkeus. Het was mooi geweest als ze hem hadden gedeeld, Szymborska en Herbert.' De laatste kent Rasch persoonlijk, met Szymborska heeft hij nog nooit contact gehad. Ook via haar poëzie is hij niet echt nader tot haar gekomen. 'Je kunt drie maanden met haar bezig zijn, en toch niet het gevoel hebben haar beter te leren kennen. Herbert is persoonlijker, hij toont zijn kwetsbaarheid.'

Zes maanden deed Rasch over de vertaling van het eerste deel van de complete gedichten. 'Snel? Nu ja, ik doe dan ook niet anders.' Hij heeft moeite met opstaan, bekent hij met een grimas, maar hij werkt daarna eigenlijk de hele dag door, tot tien uur 's avonds. 'Toen ik nog een gezin had, werd het soms wel twee, drie uur 's nachts. Maar dan deed ik er overdag allerlei dingen tussendoor. Met je tijd ben je kwetsbaar in dit beroep. Anderzijds ben je ook erg vrij.' Hij zou niet meer voor een baas kunnen werken.

'Als vertaler leid je een solitair bestaan. Maar ik lijd er niet onder hoor.' Tot voor kort had hij een goede band met vakgenoot Karol Lesman, maar die is verbroken. Er ging iets mis, ze hebben elkaar harde verwijten naar het hoofd geslingerd, zegt hij diplomatiek. Misschien dat het over een paar jaar weer goed komt.

'Wat me opvalt, ik ben nu 50 en Karol misschien vijf jaar jonger, is dat er weinig nieuwe vertalers bijkomen van, zeg, een jaar of 30.' Het is een constatering, een verklaring heeft hij niet. Goed, in Nederland geniet het vak weinig prestige, in tegenstelling tot in Polen. 'Daar word je als vertaler gelijkgesteld aan een schrijver. We hoeven hier geen sterren te worden, maar het mag wel duidelijk zijn welke inspanning achter een goede vertaling schuilgaat.'

Rasch had dit jaar niet gerekend op de prijs. Vorig jaar had hij hoop, zijn naam was gevallen. Een verrassing dus, die honderdduizend gulden nu, waarvan een kwart voor hem is. 'Een kunstwerk, denk ik', zegt hij, terwijl hij zijn bescheiden appartement in Amsterdam-West monstert. De rest is voor een of meer projecten op zijn werkterrein. Hij heeft wel weer plannen met Pools en ook met iets Russisch. 'Misschien wel te veel om allemaal zelf te doen. Ik moet maar zien hoe het gaat.' Voor het eerst sinds twaalf jaar ligt er niets dringends zijn bureau. 'Ik wil dat heel even zo houden.'

Karin Veraart

Meer over