De onstuitbare opmars der exoten

Wie goed kijkt, ziet de achtertuin veranderen als gevolg van de temperatuurstijging. Moeten we blij zijn met de nieuwe flora en fauna?...

Door Caspar Janssen

Tja, daar staan we dan, middenin Wageningen, in de berm bij een stoplicht, gebogen over een onooglijk plantje, de ambrosia, terwijl wachtende automobilisten kijken alsof ze twee gekken zien.

Arnold van Vliet is het wel gewend. Hij heeft hier vaker gestaan. Van Vliet is de drijvende kracht achter De Natuurkalender, een waarnemingsprogramma dat de effecten van de klimaatverandering op de Nederlandse natuur in kaart brengt.

Sinds 2001 hebben Van Vliet en zijn collega’s, met hulp van duizenden waarnemers, een enorme hoeveelheid gegevens verzameld over veranderingen in de Nederlandse natuur. Over nieuwe soorten, over verdwijnende soorten, over veranderende broed-, bloei-, en vliegtijden, gerelateerd aan temperaturen, neerslag en daglengte.

Van Vliet: ‘Als je er een beetje oog voor hebt, zie je de veranderingen in je achtertuin.’

We staan dus gebogen over de ambrosia. Tot het einde van de jaren negentig kwam dit Zuid-Europese plantje sporadisch in Nederland voor. Maar volgens Van Vliet wijst alles er op dat de ambrosia zich definitief gaat vestigen.

En dat kan grote gevolgen hebben. Want de ambrosia is een hooikoortsplant. Nu produceert de plant nog weinig pollen, maar volgens vrijwel alle klimaatscenario’s zal dat over tien jaar anders zijn.

Van Vliet: ‘Het hooikoortsseizoen zal dan twee maanden langer duren, want ambrosia bloeit in de herfst. De pollen kunnen sterk allergische klachten veroorzaken.’

Even eerder stonden we ook al langs een weg, bij een eik vol nesten van de eikenprocessierups. Over die rups, die eikenblaadjes aanvreet en huidirritaties veroorzaakt bij mens en dier, was vorige maand nog nieuws: er waren nesten aangetroffen in Friesland. Dat betekent dat de beestjes Nederland veel sneller koloniseren – vanuit het zuiden – dan verwacht.

*

Het idee was om een reis te maken door Nederland, langs alle nieuwe planten en dieren die de klimaatverandering ons al heeft gebracht. En langs de plekken waar soorten op het punt stonden te verdwijnen, vanwege diezelfde klimaatverwarming.

Onbegonnen werk, bleek al snel. Want het gaat inmiddels om tientallen, nee, honderden soorten. Daarnaast is er met honderden, nee duizenden andere soorten wel iets aan de hand, gerelateerd aan het klimaat. Nog meer praktische bezwaren: herfst is niet het meest geschikte jaargetijde om soorten te zien. En: je zult toch echt moeten duiken om de kleine heremietkreeft, de druipzakpijp en de exotische penseelkrab te zien.

Maar in en om Wageningen kan Arnold van Vliet ook het nodige laten zien. In de botanische tuinen van Wageningen Universiteit bijvoorbeeld. Van Vliet wijst naar de lindeboom bij de ingang van een van de tuinen: daar groeit de maretak. Tot voor kort vooral bekend van Asterix & Obelix, maar in en om de botanische tuinen tiert de halfparasiet welig.

Natuurkalender heeft in de botanische tuinen een klimaatwandeling uitgezet langs inheemse en uitheemse soorten. Om een indruk te krijgen van de vele zichtbare veranderingen in de natuur.

Vooral in het voorjaar is te zien hoe de meeste bomen en planten vroeger uitlopen. En de vruchten zijn vroeger rijp.

*

De kern van het verhaal van Van Vliet: de gevolgen van de klimaatverandering zijn nu al groot en overal zichtbaar. Dat leert dus de fenologie, de studie van de jaarlijks terugkerende verschijnselen in de natuur, waar De Natuurkalender zich mee bezig houdt.

Van Vliet: ‘Tot 1988 veranderde er structureel niets. Maar sindsdien gaat het snel. Het groeiseizoen duurt nu gemiddeld genomen een maand langer.’

Dat hangt vooral samen met de temperatuurstijging. De gemiddelde temperatuur in Nederland steeg sinds 1988 met 1,2 graden, van 9,4 tot 10,6. Van Vliet: ‘De gemiddelde jaartemperatuur in Nederland over de laatste tien jaar is vergelijkbaar met die in Lyon, dertig jaar geleden.’

En dus rukken zuidelijke soorten op, worden inheemse soorten soms verdrongen en neigen koudeminnende soorten naar uitsterven.

Om het beeld in vogels te vangen: de Cetti’s zanger is uit Frankrijk opgerukt naar de Biesbosch en verder, de ijsvogel overleeft steeds vaker de Nederlandse winter, maar voor de korhoen en de kemphaan wordt het te warm. Andere soorten zijn van slag. De koekoek, de bonte vliegenvanger en de grutto denken keurig op tijd terug te komen uit hun overwinteringsgebieden, maar ze zijn in feite te laat, vanwege het vroegere voorjaar.

Soms spelen de veranderingen zich zelfs binnen één familie af. De orpheusspotvogel, het zuidelijke broertje van ‘onze’ spotvogel vestigt zich definitief in Nederland, bleek dit jaar. Maar de spotvogel zelf wordt almaar zeldzamer en zal vermoedelijk uit ons land verdwijnen.

Mooie tradities gaan ook teloor. De jaarlijkse terugkeer van de tjiftjaf uit het zuiden kondigt voor vogelaars van oudsher de lente aan, maar in de afgelopen jaren werd zijn karakteristieke roep (‘tjiftjaf’) vaak al in januari of februari gehoord. Wat bleek? Deze tjiftjafs hadden de winter gewoon in Nederland doorgebracht.

Op vele fronten wordt strijd geleverd om het voortbestaan. Op het Dwingelderveld in Drenthe vechten beheerders al jaren om de turfloopkever voor Nederland te behouden, terwijl het eigenlijk te warm is geworden voor het beestje.

Op het vlinder-, libellen- en sprinkhanenfront zijn de ontwikkelingen talrijk. De sikkelsprinkhaan heeft zich massaal in Nederland gevestigd, voorheen zeldzame of zuidelijke soorten als de kleine roodoogjuffer, de grote keizerlibel en de zwervende heidelibel zijn algemeen geworden. Ook de koninginnenpage wordt tegenwoordig overal gespot. Maar het veenhooibeestje heeft juist te lijden van de hogere temperaturen en komt alleen nog in het noordoosten van het land voor. En de atalanta, een trekvlinder, brengt de winter – net als de tjiftjaf – steeds vaker in Nederland door.

*

Dit soort natuurnieuws valt tegenwoordig te volgen op natuurbericht.nl, waarop flora- en faunaorganisaties dagelijks hun ontdekkingen melden. Daar zit veel klimaatgerelateerd nieuws bij. Je leest er over het plantje kamferalant, een nieuwkomer langs de A28, over de Amerikaanse venusschelp die volop in Zeeland wordt aangetroffen, over de klimopbremraap die nog laat in bloei is, over de wespenspin of tijgerspin, die sinds de jaren tachtig in Zuid-Limburg de grens overstak en nu in het hele land wordt aangetroffen.

Je kunt het nieuws in categorieën onderbrengen.

In de categorie goed nieuws: het kaasjeskruiddikkopje profiteert van de opwarming; voor het eerst sinds 1953 werd de vlinder, afgelopen april, weer gezien, in Limburg.

In de categorie verontrustend nieuws: de Chinese wolhandkrab verdringt andere krabben en de Europese rivierkreeft. Het beestje tast ook de stabiliteit van oevers aan. Een geluk bij een ongeluk: Chinese restaurants kopen de krabben graag, het beestje wordt inmiddels commercieel bevist.

Huiveringwekkend nieuws: begin deze maand werden in een kolk bij Nijmegen twee jonge meervalletjes aangetroffen, het vermoedelijke bewijs dat de ‘visduivel’, die meters groot kan worden, zich ook in Nederland voortplant. De opkomst van de meerval sinds de jaren negentig heeft vooral te maken met de verbeterde waterkwaliteit. Maar er is wellicht een link met het klimaat, want voortplanting lukt alleen in warm water.

In de categorie ‘ander nieuws’: straatwolfsmelk lift mee met vakantieganger. Plantjes en insecten (de zuidelijke boomsprinkhaan) komen mee met de auto’s van Nederlandse vakantiegangers in Zuid-Europa. In het opgewarmde Nederland vinden ze een gespreid bedje.

*

Het is, vindt Arnold van Vliet, ondoenlijk en onverantwoord om aantallen te noemen van nieuwe soorten die zich in Nederland hebben gevestigd vanwege het klimaat. ‘Meestal is er toch sprake van een combinatie van factoren.’

Een indicatie is er wel. Aan de Standaardlijst van de Nederlandse Flora, zijn recent vijftig soorten toegevoegd, mede als gevolg van de klimaatverandering. Ook in tuinen zie je de effecten, weet Van Vliet. ‘Veel mediterrane en subtropische planten hoef je in de winter vaak niet meer naar binnen te halen. Palmen worden tegenwoordig prima verkocht bij tuincentra. Datzelfde geldt voor olijfbomen. Dat is de nieuwste trend.’

Dat betekent niet dat het goed gaat met de plantenrijkdom; een groot aantal planten wordt ook bedreigd. En exotische soorten hebben de vervelende eigenschap dat ze zich vaak agressief gedragen. Zo is de uit Australië afkomstige watercrassula vaak de enige overgebleven soort in de poelen waar de plant bloeit.

Dat is wel vaker een probleem. Het ontbreekt exotische soorten vaak (nog) aan natuurlijke vijanden, waardoor hun uitbreiding het karakter krijgt van een invasie die ten koste gaat van andere soorten.

Maar toch: volgens plantenkenners krijgt Nederland er op korte termijn meer soorten bij dan dat er verdwijnen. Want de soortenrijkdom in Zuid-Europa is nu eenmaal groter dan in Noord-Europa. Hetzelfde zou weleens kunnen gelden voor vlinders, libellen, vogels, vissen en zoogdieren.

Dat zadelt Arnold van Vliet met een dilemma op: ‘Leg maar eens uit wat er verkeerd aan is als hier meer soorten komen,’ zegt hij. En toch vindt hij het verkeerd, vooral in mondiaal verband. ‘45 procent van de planten komt op 2 procent van de aarde voor. Leg daar een klimaatverandering overheen en dan is die twee procent voor veel soorten opeens niet meer geschikt. Voor de soortenrijkdom in de wereld is klimaatverandering rampzalig.’ En dan spreekt Van Vliet nog niet over de snelle veranderingen in de onderliggende ecosystemen die op den duur, met de verwachte sterke stijging van de temperatuur, ook in Nederland grote gevolgen kan hebben. En over de ingrijpende veranderingen in het landschap die ons te wachten staan.

*

Eerder, aan zijn bureau van Wageningen Universiteit had Van Vliet een buisje met teken omhoog gehouden. ‘Daar doen we ook onderzoek naar,’ zei hij. ‘Het activiteitenseizoen van de teek wordt steeds langer. Het aantal mensen met de Ziekte van Lyme neemt flink toe.’

Hij sprak over mogelijke plagen in de landbouw. Vanwege de oprukkende maïswortelboorder, die maïs vernielt. En over nieuwe ziekten en plagen als blauwtong en Q-koorts, waarbij de stijgende temperaturen een rol spelen. Ook de tijgermug, die meekomt met geïmporteerd bamboe uit Azië, breidt zich uit. ‘Die mug heeft een venijnige beet en kan ziektes als knokkelkoorts en de slaapziekte overbrengen. In Italië zijn daar al honderden gevallen van.’

Klein glaskruid, nog zo’n voorbeeld. ‘Dat is een zeldzaam plantje dat op de Rode Lijst staat. Die lijkt toe te nemen, het is een warmteminnende soort. Dat lijkt goed nieuws, maar klein glaskruid is rond de Middellandse Zee een van de belangrijkste veroorzakers van hooikoorts.’

En oh ja, niet te vergeten: het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje. ‘Die hebben we ooit uitgezet in kassen. Maar dat is een vreselijke rover. Dat kan grote ecologische gevolgen hebben.’

Wat Arnold van Vliet maar wil zeggen: die uitbundige groei en bloei vanwege de klimaatverandering, heeft ook een keerzijde.

*

In de botanische tuin is de ecoloog weer goedgehumeurd en staan we inmiddels voor een eigenaardige boom met stervormige bladeren, de Emmenopterys. Dit is een van de weinige exemplaren in Nederland van de uit China afkomstige boom. Van Vliet: ‘In de warme zomer van 2006 begon hij opeens te bloeien. Sindsdien doet hij het goed.’

Als we de tuinen verlaten zegt hij opeens. ‘Als je slim bent ga je nu druiven verbouwen. Landen als Spanje en Australië zijn in de toekomst niet meer geschikt voor wijnbouw, maar Nederland wel.’

Meer over