De lezer mag niet klagen

Bij Nijhoff zit het dichtertje achter het raam. Hij wordt waargenomen. Hij zit natuurlijk in een huis van glas. Wie dicht, geeft zich prijs aan de ogen van iedereen....

Gemakkelijk waren en zijn de gedichten nog altijd niet. Wie in 1964 aan de poëzie van de Vijftigers gewend was, kon hier weer opnieuw beginnen. In hetzelfde jaar debuteerde Vogelaar als prozaschrijver. Heel veel proza zou volgen, en die zou een sterke ontwikkeling doormaken, naar een steeds grotere openheid en toegankelijkheid. Bundels met kritieken en essays waren er ook veel, waaronder het door mij zeer bewonderde Terugschrijven. De dichter was verdwenen; als bij veel schrijvers was ze een opening geweest, of, als men wil, de kern waaruit zich het schrijverschap zal ontvouwen.

Na 33 jaar publiceert Jacq Vogelaar, die het 'Firmin' onderweg heeft verloren, een nieuwe bundel, Klaaglied om Ka is de titel. Misschien dat die titel al kan aangeven dat er een heel andere dichter schrijft. De parterre van glas is eigen huis geworden. En daaruit is een geliefde, een dochter, verdwenen. Er is een afwezige, een levende, en die is anders, ook meer afwezig dan een dode. Het staat heel mooi in de tweede strofe van het gedicht 'Geen dag zonder regel' (wat alles zegt over de intensiteit van het gemis):

Weg is anders dan dood

zichzelf niet

het is en is het nog eens

dodeloos

elke keer weer

elke keer anders

Ka is in het exacte evenbeeld dat van ieder bestaat. De onzichtbare dubbelganger. Ook goden, dieren, stenen en bomen hadden hun Ka. Voor in de bundel staat een citaat uit Borges' Het boek van de denkbeeldige wezens, waarin over Ka wordt geschreven. Van wie is Ka de dubbelganger? De onzichtbaarheid kan op afwezigheid wijzen en dan is de verdwenene de dubbelganger. Dat leidt tot de paradox dat het beschrijven van de afwezigheid de aanwezigheid oproept.

Maar als ook bomen en stenen hun Ka hebben, dan is ook het beschrijven daarvan er een van afwezigheid. De dichter is met Ka, de onzichtbare, achtergebleven, met de hele wereld en van die hele wereld Ka. En die onzichtbare wordt dan in het gedicht zichtbaar gemaakt. De dubbelganger is het gat dat vult. De afwezigheid is de aanwezigheid beleven.

Maar er zijn ook de herinneringen en die staan vrij concreet in strofen tussen meer abstracte regels in. Een van de mooiste gedichten is daarom voor mij 'Onder stenen', dat ik, ondanks de lengte, toch maar helemaal citeer:

Ik zag je bellen blazen op het terras in Mirtos

ik zag je in Bali gekroond met walkman

op hoge benen bozig tussen mij en de zee langs sjezen

water droop van je kortvleugelige schouderbladen

En ik heb gezien hoe je behoedzaam buiten de landsgren zen

van mijn schaduw bleef

het vaderland van je keuze lag hogerop

op ooghoogte vloog je met de rivier mee

maar liever nog stroomopwaarts terug.

Ik zie dat de Asse zichzelf heeft leeggedronken

ik zie dat de bodem bereikt een pannendak lijkt

zo lopen we toch op zekere hoogte

en de stenen (je wilde alleen de kleine)

blind en stom en grijs

Ik weet, de stroom is niet meer

dan een leikleurig onbegaanbaar pad

De weg het leven

om het even ik blijf

zonder stem te midden van stenen

die voor mij zwijgen zoals jij

hier dat daar kan zijn

waaruit ik niet hoor waar niemand hoort

Na de aanwezigheid, in de eerste strofe (bijna sentimenteel beschreven), gaat het gedicht via de tweede strofe naar de afwezigheid over: de droogstaande rivier, de zwijgende stenen, de dichter zonder stem (zoals in alle poëzie is dat laatste natuurlijk een paradox: de dichter zwijgt door te schrijven).

Ik meen dat het 'klaaglied' uit de titel te sterk is. En dat deze toch bijna altijd zeer beheerste poëzie, waarin Ka even centraal staat als het dichten en spreken zelf, te zeer boven de klacht verheven is. Het gevoel van gemis is de leer van de afwezigheid geworden. 'Parterre, en van glas' heet een gedicht waarin het lege huis wordt opgeroepen. Met een maximum aan aanwezigheid! Ook het huis heeft zijn Ka. Misschien dat mede door die dubbelgestalte glas en ruiten zo'n grote rol in de vaak zeer indrukwekkende gedichten spelen.

Dit is de merkwaardigste uitwerking: de gedichten van 33 jaar geleden doen nu gekunsteld aan. Er is een andere dichter aan het woord gekomen. De lezer mag niet klagen (Herik, Landgraaf).

Meer over