De kariboes zijn de weg kwijt

Met het klimaat is ook de kariboetrek in Alaska in de war. Door het warmere weer raken de dieren verspreid...

Roswell Schaeffer, twaalf jaar burgemeester van Northwest Arctic Borough, is kwaad. Hoewel hij net met pensioen is, kan hij z’n woede nauwelijks inhouden. Z’n gitzwarte ogen schieten vuur als Ethan Berkowitz gelegenheid tot vragen geeft. Het is verkiezingstijd en Berkowitz, running mate van de Democratische kandidaat Tony Knowles, probeert stemmen te winnen.

Een dozijn Inupiaq-eskimo’s zit erbij in het gemeentehuis van Kotzebue, hoofdstad van de Borough. Ze reageren instemmend. ‘Waarom staan de state troopers kariboejacht vanuit vliegtuigjes door sportjagers toe?’, zegt Schaeffer gedreven. ‘Stieren worden simpelweg afgeknald. En waarom? Enkel voor het gewei. Het vlees blijft op de toendra liggen. Aan ons, aan de Inupiaq, wordt het jagen op de koeien overgelaten. Maar die zorgen juist voor het nageslacht.’

Schaeffers blokhut staat vlakbij enkele gammele planken. Eens was dit een kraal, een omheinde ruimte waarin de Inupiaq eeuwenlang de dieren bijeen dreven. Rechts van de vlakte ligt een meer, links het water van de Kotzebue Sound, dus de dieren konden nauwelijks ontsnappen. Achter het meer beginnen de met mos en struiken bedekte heuvels.

Voor Roswell Schaeffer – kortweg Ross – is klimaatverandering geen speculatie. ‘Toen ik kind was, begon het ijs pas eind mei te smelten’, zegt de 59-jarige jager, toendrathee inschenkend. ‘Nu is dat meer dan een maand vroeger. Zeehonden, die alleen op ijs baren, werpen hun jongen soms na zes in plaats van negen maanden.’

‘Vroeger was in de winter alles van Noatak tot hier bevroren. In het voorjaar vormde het water een natuurlijke trechter waarin zoogdieren samenkwamen. Nu breekt het ijs soms al eind april bij Cape Blossom, 30 kilometer zuidelijker van de Sound, en kunnen de dieren alle kanten uit. Dat maakt jagen moeilijker.’

Trekvogels
Een week later vliegen we in een kleine helikopter over de arctische toendra ten noorden van Cape Krusenstern, een groot nationaal park dat bekendstaat om de talloze soorten Amerikaanse trekvogels die hier ’s zomers broeden (wat dat betreft valt Cape Krusenstern met de Wadden te vergelijken). Het is medio oktober – in de Inupiaq-taal ook wel de ‘maand van de trek over het ijs’ genoemd – en het regent.

Aan de rand van het gebergte breekt de zon door. Links beneden draven drie kariboekuddes, ruim 150 exemplaren in getal. Ze zitten in hun wintervacht. Hun ruggen steken als kleine witte stippen af tegen de roestbruine toendra.

Het zijn magere beesten, veel minder in aantal dan vroeger toen de kuddes nog duizenden dieren telden. In de dalen en langs steilere oevers van rivieren schemert soms sneeuw. Struiken dragen nog bladeren. Eigenlijk zou dit hele gebied er in deze tijd van het jaar moeten uitzien als een witte, uitgestorven vlakte. Maar de rivieren meanderen rustig voort, nergens onderbroken door beginnend ijs.

De helikopter landt 200 meter achter Kivalina, een kustdorp aan het eind van een lagune aan de Chukchi Zee. Roy Adams, mecanicien in de grootste zinkmijn ter wereld, staat ons op te wachten. Voorzichtig tuft hij ons op zijn vierwieler naar de overnachtingsplaats in een school, nu eens kuilen ontwijkend, dan weer hellingen nemend, slalommend tussen de rommel.

Dooiende permafrost heeft gaten in de eens zo harde grond geslagen. Waar de bodem uit klei bestaat, verandert er maar weinig. Maar waar de bodem ijs en klei is, verzakt de boel. En nu de dooi sneller en sneller doorzet, worden de weinige paden jaar in jaar uit minder begaanbaar.

Niettemin bedaard rijdt Adams naar de school waar onze bagage wordt uitgeladen en de vierwieler van Gerald Pickner, het schoolhoofd, geleend. Wij krijgen isolerende kleding.

Adams rijdt naar z’n woning en als hij daaruit even later weer tevoorschijn komt, heeft hij een volledige gedaanteverandering ondergaan. Gehesen in camouflagekleding, zeehondenmuts op, geweer over de schouder, staat nu het prototype van de Inupiaq voor ons. Hij springt op de vierwieler, schreeuwt ‘let’s go!’ en scheurt gehaast weg, op jacht naar kariboe. Zo rijden we bijna een uur langs de kust, nu en dan kijkend waar de dieren zich bevinden.

Spraakzaam kan de Inupiaq niet zijn. Constant speurt hij de horizon af. Niets. Verder. Dan is de doorgang weggeslagen door wassend water. Na een half uur jakkeren ziet Adams in de verte beweging. Kariboes , inderdaad.

‘Ze zijn aan de rand van het gebergte.’ Teleurgesteld, laat hij zijn verrekijker zakken. ‘Dat kost ons een dag rijden.’ Hij maakt een scherpe draai, we schieten bijna steil omhoog, dwars over de rietkraag van de kustlijn, en belanden op de toendra. Wat eerst jakkeren was, wordt nu keihard bonken.

Toendra is weinig anders dan samengebalde soorten riet en mos, slechts bijeengehouden door een onderliggende laag permafrost, hier bestaand uit ijs. Aan de bovenkant valt niet te zien of de toendra hier bevroren is.

En dat heeft z’n gevolgen voor de jacht. Adams mag dan wel vier kariboes 10 kilometer verder gezien hebben, erbij komen is een geheel andere zaak. Hogerop is de toendra soppend, enige meters lager mogelijk nog slechter. Op sommige stukken wordt het zelfs bijna ondoenlijk op gang te blijven. Roy stopt, stapt af, legt uit.

‘Kijk’, zegt hij, ‘ik loop heel rustig op de dieren af, wordt één van hen. Ze zullen nauwelijks reageren.’

Een zee van tijd later – Roy is een stipje aan de horizon geworden – zie ik door de verrekijker vier kariboes . Twee stieren, een wijfje en een jong. De stieren bokken tegen elkaar, huppelen heen en weer, stoppen soms en hebben niets in de gaten. Een schot weerklinkt. En nog een. En nog een. Na zes houdt het op. De kariboes zijn in het gebergte verdwenen.

Als de jager met lege handen terugkomt, geeft hij zijn geweer de schuld. Te licht kaliber. Of heeft Adams begerig naar z’n eerste kariboe dit najaar, te vroeg geschoten?

De weg terug is nog minder begaanbaar. Keer op keer zoekt Adams naar doorgangen in de drassige toendra, zakt weg, neemt grote risico’s, gooit de vierwieler in z’n voor- en achteruit als we vastzitten, rijdt mijlen om en moet zelfs een keer in het ijzige water afstappen. ‘Blijf zitten, jouw voeten zouden bevriezen’, zegt de jager rillend. Snel wringt hij z’n sokken en bontlaarzen uit. Terwijl we teruggaan, zinkt de poolzon in zee.

‘Ga onmiddellijk van het ijs af! Als je erdoor zakt, kunnen we je nooit meer vinden’, schreeuwt Roy tegen een stel kinderen die, aan de rand van Kivalina, het dunne ijs uitproberen. Vannacht zal het, voor het eerst dit najaar, waarschijnlijk stevig vriezen.

Zandzakken
Aan één zijde lijkt Kivalina op een belegerde vesting. Metershoge zandzakken staan zij aan zij over honderden meters lengte opgesteld. Het biedt tijdelijke bescherming tegen de oprukkende zee: binnen enkele jaren is het kustdorp verdwenen.

Ondertussen zijn de Inupiaq verdeeld waar naartoe te verhuizen. Naar de overzijde van de lagune, daar jagend en vissend? Of naar de rand van de toendra, aan de voet van de bergen, zoals de Borough en Red Dog Mine willen? De laatste is deze Inupiaq trouwens liever kwijt dan rijk: sinds de mijn operationeel werd, is er tegen de vervuiling van de Wulik geprotesteerd, de rivier die Kivalina water en vis levert en achter de mijn begint.

Adams zal het allemaal rendierworst wezen. Hij wil jagen, voor zichzelf en z’n familie, voordat z’n ploegendienst in de mijn begint. De dag erop is de toendra bevroren, heeft hij meer succes. Voor z’n woning ligt een afgestroopte huid van een jonge kariboe, net voldoende voor drie dagen eten. ’

Inupiac-jager Roy Adams speurt naar prooi. Cape Krusenstern, Alaska. (Jan van der Woning) Beeld
Inupiac-jager Roy Adams speurt naar prooi. Cape Krusenstern, Alaska. (Jan van der Woning)
Meer over