De Franse uitzondering; HET PLEZIER AAN DE GESCHIEDENIS VAN MONA OZOUF

Gisteren kreeg de Franse historica Mona Ozouf de dr. A.H. Heinekenprijs voor de historische wetenschap. Die belangrijke prijs werd haar toegekend door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor haar bijzondere verdiensten voor de geschiedschrijving van de Franse Revolutie....

MICHAEL ZEEMAN

OFSCHOON HAAR carrière is ingebed in de officiële hoofdstroom van de Franse historiografie, blijft Mona Ozouf een buitenbeentje in de wereld van de erfgenamen van het befaamde tijdschrift Annales, de wereld van methodologische scherpslijpers en gewetensvolle ontmaskeraars van niet door de feiten geschraagde en door de filosofie gegarandeerde vertellerstrucs. Natuurlijk, toen ze 'onderzoeksleider' was van het Centre National de la Recherche Scientifique heeft ze die wereld en de erin beoefende debatten, alsmede de taal en de stijl waarmee die debatten werden beoefend, door en door leren kennen. Ze maakt bovendien onmiskenbaar deel uit van het Franse geschiedkundige establishment: ze bekleedde er de juiste functies in, ze publiceert in de vooraanstaande tijdschriften en haar boeken verschijnen bij de uitgeverijen waar alle belangrijke historici publiceren.

Maar ze is ook altijd degene geweest die het precieuze methodologische debat wist te ontwijken en te verstoren, dat debat dat de Franse geschiedschrijving in deze eeuw haar eigen onvervreemdbare smaak heeft gegeven en vanaf het moment dat Bloch en Fèbvre zeventig jaar terug hun beroemd geworden tijdschrift oprichtten, die geschiedschrijving veelal in een deelterrein van de wetenschapsfilosofie transformeerde. Ze ontweek het door er haar eigen aanpak tegenover te stellen, gewoon door concrete en in een oogopslag te bevatten gebeurtenissen of ontwikkelingen tot onderwerp van haar boeken te maken, ze verstoorde het door op gezette tijden laconiek op het methodologische gestumper te reageren.

'Ach', schampert ze desgevraagd, 'wat je ook beweert over de methodologische verantwoording of het representatieve karakter van het verhaal dat je vertelt, eerst en vooral komt toch altijd je onderwerp. Telkens heb ik gezien hoe de voorbereidingen, de vingeroefeningen in de plaats kwamen van de eigenlijke geschiedbeoefening. Daar zit iets steriliserends in, iets verlammends. Natuurlijk ben ik daar ook wel eens door geïntimideerd geweest: vergeet niet dat ook ik als filosofe begonnen ben. Maar uiteindelijk heb ik me altijd gewonnen gegeven voor de stem van de geschiedenis zelf, voor boeken en figuren die me bevallen - op het eerste gezicht en hartveroverend.'

Dat is een ontvankelijkheid die zich ook bij Mona Ozouf pas mettertijd heeft blootgegeven en die zich stellig ook pas in de laatste jaren, in haar laatste publicaties, ten volle heeft kunnen ontvouwen. Haar eerste belangrijke boek, La fête révolutionnaire, 1789-1799 uit 1976, volgde nog de strenge spelregels van de kwantitatieve geschiedschrijving. Aan de hand van een lawine van archivalia, veelal uit de provinciale archieven, trok ze de verspreiding en de functie na van de feesten die de Franse Revolutie in het leven riep. De christelijke kalender maakte plaats voor een revolutionaire, en daarmee moest voor de erkende kerkelijke feesten ook een alternatief komen. De nieuwe feestdagen eerden de rede en de vrijheid en probeerden bij te dragen aan de metamorfose van het Frankrijk van het Ancien Régime in een nieuwe, op Verlichtingsidealen geschoeide natie.

'Met zo'n onderwerp kun je haast niet anders', zegt Ozou. 'Inventariseren en vergelijken, dat is het enige wat je kunt doen om erachter te komen wat er werkelijk gebeurd is. Maar als ik het nu, meer dan twintig jaar later, over zou moeten doen, zou ik wel degelijk meer literair aangelegde tijdgenoten over hetzelfde onderwerp aan het woord laten. Want dat is het vreemde: terwijl we nu zoveel meer weten over de periode van de revolutie en zo'n vreselijk veel beter overzicht hebben van alles wat er in kort tijdsbestek gebeurde, zijn er niet veel nieuwe interpretaties, nieuwe duidingen bijgekomen sedert 1795/'96. Het materiaal stuurt je nuanceringen bij, maar de grote beelden zijn prompt na die tijd al aanwezig.'

Die veranderde aanpak spreekt vooral uit haar meest recente boeken: het meeslepende en uitdagende Les mots des femmes uit 1995, waarin Ozouf aan de hand van een tiental intieme portretten van belangrijke vrouwen uit de laatste drie eeuwen van de Franse geschiedenis een lans breekt voor een beeld van het Franse feminisme dat nogal afwijkt van het vertroetelde slachtofferportret dat de honderden verbeten functionarissen in de vrouwengeschiedenis hebben weten te vervaardigen in het licht van de geschiedenis van vrouwen in West-Europa en de Verenigde Staten. En het speculatieve essay La muse démocratique dat de rol behandelt die de democratie in de romans van de Amerikaans-Engelse schrijver Henry James heeft toebedeeld gekregen en de functie die die romans daardoor kregen in de transformatie van een oligarchische naar een democratische samenleving, eind vorige, begin deze eeuw.

Haar Les mots des femmes, het Essay sur la singularité française, dat terstond een publiekssucces werd, kwam haar op ongezouten kritiek te staan van juist haar methodologisch doorknede collega's. Ozouf had de levensgeschiedenissen van vrouwen als Madame de Charrière - onze Belle van Zuylen -, Madame de Staël, George Sand en Simone de Beauvoir genomen om haar these over die Franse afwijking te onderbouwen. Tien vrouwen, van wie de helft in hun tijd al veeleer een voorvoegsel, 'Madame', droeg dan een voornaam, daarop kon je toch bezwaarlijk een afwijkend beeld van de Franse geschiedenis baseren.

Maar een van de denkers van het Franse feminisme, Elisabeth Badinter, viel haar meteen bij: de Franse eigenaardigheid was wat haar betreft zelfs de Franse uitzondering. Een land dat een traditie kende van de cultureel-wijsgerige salon, waarin de vrouwen de initiërende en presiderende partij waren - schitterend geschilderd in het eerste portret van Ozoufs galerij, dat van Madame du Deffand uit de eerste helft van de achttiende eeuw - verstrekte volgende generaties vrouwen een model. In de Franse Revolutie vond dat al direct zijn uitwerking: Madame Roland, een van Ozoufs andere getuigen, hoeft de legitimiteit van haar zelfstandige bijdrage en haar ideale toekomstbeeld niet meer te bevechten.

Ozouf legt in de geschiedenissen van levens en werken van een hele reeks negentiende- en twintigste-eeuwse auteurs een vlechtwerk bloot. Iedere volgende autonome schrijfster kon zich in een traditie geplaatst weten en ging er dikwijls ook metterdaad toe over in gesprek te treden met haar voorgangsters. Dat versterkte die traditie slechts en maakte de aanwezigheid van een specifiek Franse cultuurkarakteristiek allengs beter zichtbaar.

In La muse démocratique leeft Mona Ozouf haar liefde voor de literatuur uit. Als lyceïste heeft zij nog enige tijd overwogen in plaats van filosofie letteren te gaan studeren en daarmee haar grootste hartstocht te volgen, maar een invalide ondergrond in de oude talen, destijds een pijler van iedere letterenstudie in Frankrijk, weerhield haar daarvan. Maar de liefde bleef en laat zich in het geval van Henry James ook niet nader verklaren: 'On n'explique pas l'amour', zegt ze er lichtelijk ondeugend van.

'Ik heb als het ware een wandeling met hem willen maken, om met hem het hele panorama van zijn tijd door te nemen.' Haar belangrijkste motief daarvoor was de aanwezigheid van zo'n breed scala van vrouwelijke helden in het oeuvre van Henry James: zij zijn zijn protagonisten, zo niet letterlijk dan toch altijd doordat James aan de hand van hun lotgevallen de belangrijkste veranderingen van zijn tijd probeert zichtbaar te maken. 'Hij leefde tussen de oude wereld van de aristocratie en de nieuwe wereld van de democratie in - en hij trok de lijnen van de ontwikkelingen die hij zag, door naar de toekomst.'

Het is een voor Mona Ozouf karakteristieke onderneming: de geschiedenis laat zich het best schrijven aan de hand van pakkende voorbeelden en de verbeeldingskracht van de literator is daarbij vaak dienstiger dan de vlijt van de archivaris. Natuurlijk sluit het een het ander niet uit, 'maar ook de opgeduikelde blote feiten schreeuwen om een verhaal. Dat moet jij die ze leest erin aanbrengen, of liever gezegd: eruit willen destilleren, want ze suggereren het zelf.'

Het is daarin dat Mona Ozoufs grootste verdienste ligt, in haar pleidooi voor het plezier van de geschiedenis. Dat dient vanzelfsprekend terug te gaan op strengheid die zij in haar vroege essays demonstreerde, essays zoals die bijeen staan in haar L'école de la France - Essais sur la Révolution, l'utopie et l'enseignement, maar die ze daarin meteen ook relativeerde door, ondanks haar filosofische vorming, haar bezigheden meteen te vergelijken met het huishouden en ze te plaatsen in het kader van haar eigen, individuele levensverhaal. Pas wie zich een kind van de geschiedenis weet, mag er serieus mee gaan spelen - liefst met plezier.

Michaël Zeeman

Meer over