Cubaans en toch geen Cuba

De slagboom even voorbij La Loma scheidt twee werelden en is het symbool van de apartheid die het massatoerisme in Cuba kenmerkt....

C HECKPOINT Charlie bestaat nog. In Cuba. Zeshonderd kilometer ten zuidoosten van Havana staat op de noordkust, even voorbij La Loma, een controlepost van het ministerie van Binnenlandse Zaken (Minint). Een militair in olijfgroen uniform bedient vanuit een duister tolhokje de slagboom die voor twee dollar per auto toegang biedt tot de dijk naar Cayo Coco.

Lang niet iedereen krijgt toestemming aan de tocht over de pedraplén door de Hondenbaai te beginnen. Cubanen die met een speciaal pasje kunnen aantonen dat ze in de hotels of op het vliegveldje werken, mogen door. De bouwvakkers die nieuwe vijfsterrencomplexen aanleggen en de wetenschappers van het Centrum voor het Onderzoek naar de Ecosystemen ook.

Buitenlanders moeten hun paspoort laten zien. Alsof ze Cuba verlaten en op het punt staan een ander land te betreden. Cubanen die niets te zoeken hebben op Cayo Coco, worden tegengehouden en als 'ongewensten' teruggestuurd. De hotels en de stranden zijn exclusief bestemd voor buitenlandse toeristen.

Alleen in de zomer wordt voor een select groepje Cubanen een uitzondering gemaakt: modelarbeiders krijgen soms als beloning voor twintig jaar trouwe dienst een weekje vakantie aangeboden op de vervallen camping van Cayo Coco of in Villa Azul, het Spartaanse staatshotel voor de goudvinken van de arbeidersklasse.

De slagboom scheidt twee werelden en is het symbool van de apartheid die het massatoerisme in Cuba kenmerkt. Fidel Castro wil zo weinig mogelijk contact tussen de bevolking en de buitenlandse toeristen. In Cayo Coco is hij daar volledig in geslaagd. Cayo Coco is 370 vierkante kilometer Cubaans grondgebied, maar heeft niets met Cuba te maken.

Voor de slagboom, op het vasteland, ligt het echte Cuba, waar de tijd al lang geleden lijkt te zijn opgehouden door te tikken: uitgestrekte suikerrietvelden, ingedutte dorpjes met schamele huizen, zwerfhonden, een militair oefenterrein met een verroeste neptank en een stormbaan die op instorten staat, lege wegen, af en toe een tractor, een legerjeep of een paard en wagen, veel fietsers, lifters en lange rijen voor de guaguas, de overvolle bussen die nooit op tijd rijden.

In La Loma, het laatste Cubaanse dorpje voor de slagboom, komt in de meeste huizen slechts af en toe drinkwater uit de kraan. De elektriciteit valt regelmatig uit. De gemiddelde Cubaan verdient hier omgerekend minder dan tien dollar. Het bonnenboekje, in 1962 ingevoerd, geeft recht op een broodje per dag, melk voor kinderen en bejaarden, en voldoende rijst, bonen en suiker voor een week of twee. De rest van de maand is het sappelen. Inventar noemen de Cubanen dat: ritselen en ruilen. Vlees, vis, zeep en tandpasta zijn voor hen luxeproducten.

La Loma is één straat met houten huisjes. Op de veranda's doden de ouderen de tijd in schommelstoelen. Buitenlanders die La Loma bezoeken, worden argwanend in de gaten gehouden. Halverwege de straat is het kantoor van het Comité voor de Verdediging van de Revolutie. Aan de overkant hangt naast een deur een handgeschilderd bordje: hier woonde Alfredo Fuentes. Gestorven tijdens een internationale missie in Angola. 16-6-63 - 27-8-82. Zijn weduwe spurt naar binnen en sluit de luiken.

Even buiten de dorpskern komt Aldo op een uitgemergeld paard aangereden. Hij woont al 35 jaar in La Loma. 'Ze zeggen dat wij hier ook zullen profiteren van het toerisme op Cayo Coco, maar veel hebben we daarvan nog niet gemerkt. We zijn nog steeds arm. Soms slachten we een paard om eens een keer vlees te kunnen eten. Vroeger gingen we altijd in het weekeinde naar het strand in Cayo Coco. Jammer genoeg worden we nu bij de slagboom al tegengehouden.'

Aan de andere kant van Checkpoint Charlie ligt de pedraplén naar Cayo Coco, Cayo Guillermo en Cayo Romano, naar 'de andere wereld', volgens Aldo. Toen Fidel Castro in 1989 de eerste steen voor de dijk in het water had gekieperd, liet hij aan de rechterkant van de weg een groot billboard van zichzelf plaatsen met een opbeurende tekst voor de dijkbouwbrigades: 'Hier moeten we stenen storten, zonder achteruit te kijken.'

Zeventien kilometer lang doorklieft de smalle dijk het ondiepe water van de Bahía de Perros. Het is een adembenemend mooie, hallucinerende rit. Het afwisselend diepblauwe, zandwitte en jadegroene water weerspiegelt de wolken tot in de kleinste details. De horizon is weggegumd. Eilandjes met mangrovebosjes lijken in de lucht te zweven. Aan het einde van de dijk ligt rechts in de verte Cayo Largo te trillen in de zon. Het eilandje is roze, of is dat zinsbegoocheling? Nee, verzekert Luis Batista van het onderzoekscentrum de volgende dag, het is een grote kolonie flamingo's.

De stilte op de pedraplén is zo mogelijk nog indrukwekkender dan het uitzicht. Wie uitstapt op een van de bruggen die zijn gebouwd om de stroming in de baai nog enigszins op gang te houden, hoort minutenlang niks. Geen auto's, geen vliegtuigen, geen stemmen, geen muziek, geen wind, helemaal niks.

Zelfs de ibissen, reigers, aalscholvers, pelikanen, sperwers, spotlijsters, eenden, spechten en witte coco's lijken onderling te hebben afgesproken de bijna sacrale stilte niet te doorbreken met getsjilp of gespetter. Pas wanneer een vrachtwagen met bouwmateriaal voor een nieuw hotel voorbijdendert, vliegen ze krijsend weg, alsof ze willen protesteren tegen de verstoring van hun paradijselijke rust.

Op de dijk werkt één Cubaan. Haribel verkoopt drank en hapjes in de Parador La Silla Avila, een blokhut zo'n tien kilometer van het vasteland. Haribel werkt 24 uur achter elkaar en is dan twee dagen vrij. Hij woont in Ciego de Avila, de grootste stad in de buurt, honderd kilometer van Cayo Coco. 'Daar in Cuba', wijst hij over het water aan. 'Ik werk hier, maar ik woon in Cuba.' Hij moet een beetje lachen om zijn uitspraak. Niet omdat hij vindt dat Cayo Coco eigenlijk niets te maken heeft met Cuba, maar omdat zijn werk eigenlijk geen werk mag worden genoemd. 'Ik verveel me rot, maar ik mag niet klagen. Met een paar dollar fooi ben ik al tevreden. Er komen maar een stuk of drie klanten per dag. De toeristen blijven de hele dag in hun hotels, omdat ze hier moeten betalen en daar zo veel mogen eten en drinken als ze willen.'

Sol Club Cayo Coco, een all inclusive-hotel met 270 kamers, is een van de twee toeristische complexen op Cayo Coco. Er zijn er nog drie in aanbouw en er zullen nog vele volgen. De gasten in Sol Club betalen 140 dollar per dag (veertien maandlonen van een gemiddelde Cubaan) en krijgen bij de receptie een groen plastic polsbandje. Vanaf dat moment mogen ze dag en nacht gratis eten en drinken wat ze willen. Om de vraatzucht nog enigszins in toom te houden heeft de directie in de badkamer van elke hotelkamer een personenweegschaal gezet.

De meeste toeristen komen uit Canada en Duitsland. Ze worden met charters rechtstreeks naar Ciego de Avila gevlogen en per bus bij hun hotel afgeleverd: jonge stellen zonder kinderen en ouderen die al uit de kinderen zijn.

Hoe ziet een doorsneedag in Sol Club eruit? Om zeven uur gaat de echtgenoot met een stapel badlakens naar het strand om een ligstoel te reserveren. Om acht uur schuifelen honderden gasten tegelijk langs de schalen van het ontbijtbuffet om een stevige bodem voor de rest van de dag te leggen. Na het ontbijt waaiert de kudde uit. Naar het strand of het zwembad, naar de Spaanse les, naar een waterpolowedstrijd of het luchtdrukpistoolschieten. Rond tienen wordt het eerste biertje of een Cubaanse mojito naar binnen geklokt. Om twaalf uur vertrekt de eerste groep al weer naar het lunchbuffet of het restaurant op het strand. De middag wordt besteed aan zonnen, drinken en eten. Een enkeling heeft tegen de tijd dat de zon verdwijnt nog energie voor een salsales, een volleybalwedstrijd of een partijtje jeu de boules. Dan gaat iedereen op de kamer douchen.

De avond begint met een overvloedig diner, uitstekende Franse wijn en Cubaans ijs. Na een afzakkertje in de bar verplaatst de kudde zich naar de disco, waar hard wordt gelachen om een travestietenshow ('Ich bin Sandra aus München') en de obers de drank niet aangesleept krijgen. De meesten toeristen haken al om twaalf uur af. Morgen vroeg moet weer een strandstoel worden gereserveerd.

Robin, een Belg die een groep Europese touroperators vertegenwoordigt, probeert de gasten excursies te verkopen. 'In de twee maanden dat ik hier werk, heb ik gemerkt dat ze hoogstens één excursie maken om iets van het echte Cuba te zien. Maar het uitstapje mag niet te lang duren, want buiten dit hotel moeten ze betalen voor hun drank en eten.'

H ET all inclusive-toerisme op afgelegen plaatsen als Cayo Coco, veilig afgeschermd van de Cubaanse maatschappij, ziet Fidel Castro het liefst. Wanneer de toeristen hun vakantie hoofdzakelijk doorbrengen binnen de muren van hun hotelcomplex, zijn de dollarstromen optimaal te controleren en worden de negatieve aspecten van het massatoerisme - prostitutie, zwarthandel en corruptie - grotendeels buiten de deur gehouden.

Toen de Sovjet-Unie in 1990 de broederhulp aan Havana staakte, zag de Cubaanse leiding al snel in dat het toerisme moest worden ontwikkeld om de revolutie te redden. In 1989 kwamen 270 duizend toeristen naar Cuba. Dit jaar moeten het er 1,7 miljoen worden. In 1998 leverde het toerisme 1,8 miljard dollar bruto op, meer dan de complete suikeroogst van Cuba. Het toerisme is sindsdien de grootste inkomstenbron in buitenlandse valuta.

De komende jaren wordt het toerisme verder uitgebreid. Cayo Coco is één van de speerpunten. De plannenmakers hebben berekend dat er plaats is voor dertig hotels met zestienduizend kamers, zonder het ecosyysteem geweld aan te doen. Cayo Coco en de aangrenzende eilandjes gelden als een van de waardevolste natuurgebieden in het Caribisch gebied. Nergens wonen zoveel vogelsoorten (260) bij elkaar. Nergens zijn zoveel broedkolonies (29) van watervogels. Nergens wonen zoveel flamingo's (tienduizend). Het eiland is officieel tot beschermd natuurgebied verklaard.

Luis Batista Tamayo, wetenschapper van het Centrum voor het Onderzoek naar de Ecosystemen, is ervan overtuigd dat het toerisme op Cayo Coco duurzaam kan worden ontwikkeld. Met 44 collega's houdt hij de flora, fauna, de stranden en de waterkwaliteit nauwkeurig in de gaten. Het onderzoekscentrum heeft richtlijnen opgesteld voor de nog te bouwen hotels. 'Er kan hier nog zeker 25 jaar worden uitgebreid, zonder de natuur geweld aan te doen. In het masterplan staat dat hoogstens 4 procent van het grondgebied mag worden gebruikt voor hotels en wegen. De rest blijft beschermd natuurgebied. Toerisme is een schone industrietak zonder schoorstenen. Als we het in de hand houden, hoeft de natuur er niet onder te lijden.'

Batista spreekt de alarmerende verhalen van milieu-organisaties dat de natuur in Cayo Coco al onherstelbaar is beschadigd, met klem tegen. 'Het ecosysteem is nauwelijks aangetast. Op de weinige plaatsen waar dat wel is gebeurd, past de natuur zich vanzelf aan. Soms sterven mangrovebosjes door de droogte, maar op andere plaatsen groeien ze weer verder. Vissen en vogels trekken naar andere plaatsen, omdat hun oorspronkelijke biotoop niet meer optimaal is. Dat is een natuurlijk proces.'

Havana heeft besloten dit jaar te beginnen met de aanleg van een internationale luchthaven op de zuidoostpunt. Batista: 'We hebben nauwkeurig de lokatie bepaald. De schade aan het milieu zal minimaal zijn. We weten precies hoeveel bomen er moeten worden gekapt en welke vogelsoorten naar een ander eiland zullen verhuizen.'

Leonel Morejón, voorzitter van de dissidente milieu-organisatie Naturpaz, noemt echter de aanleg van de luchthaven 'volslagen waanzin' en 'een ecologische ramp'. Volgens Morejón moet alles - zelfs het milieu - wijken voor het massatoerisme. 'Als Cayo Coco zo groot was als Australië, zou een vliegveld meer of minder niemand kwaad doen. Ik heb een rijke fantasie, maar ik kan me niet voorstellen dat het nieuwe vliegveld met al die grote jumbo's straks de natuur ongemoeid laat.'

Meer over