Nieuws

‘Code grijs’: opvallend weinig zon in januari

Voor liefhebbers van zonnig winterweer blijft het voorlopig bij dromen. Niet alleen is de temperatuur in januari zelden onder nul gedoken, ook de zon laat zich maar weinig zien. Nog maar 29 zonuren telde De Bilt tot nu toe, ziet meteoroloog Peter Siegmund van het KNMI in de weergrafieken. Normaal is dat 67.

Kim Bakker
Een racefietser rijdt donderdag over een weg nabij Hernen (Gelderland). Volgens de weersverwachting is er voorlopig weinig ruimte voor de zon.  Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Een racefietser rijdt donderdag over een weg nabij Hernen (Gelderland). Volgens de weersverwachting is er voorlopig weinig ruimte voor de zon.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Dat komt door de zuidwestenwind, zegt Siegmund. In combinatie met de lagedrukgebieden die boven Nederland hangen, veroorzaakt die wind bewolking. De zon komt er nauwelijks doorheen. Klein lichtpuntje voor de nachtelijke koukleum is dat wolken ook maken dat de nachten juist minder koud zijn; de warmte ontsnapt niet zo makkelijk.

Voor ons lichaam maakt het niet zoveel uit, stelt chronobioloog Marijke Gordijn gerust. Gewoon daglicht is voldoende voor een goed biologische ritme, daar zit het blauwe licht, dat we zo hard nodig hebben, in ruime mate in. Daarvoor moet je overigens wel naar buiten, benadrukt ze, ook als het grauwe uitzicht daar niet toe uitnodigt.

Snakken naar zonnestralen

Als daglicht voldoende is om ons bioritme op gang te houden, waarom snakken we dan zo naar de eerste zonnestralen? Gordijn: ‘Zo’n grauwe dag voelt toch een beetje unheimisch, de lichtkleur is niet prettig. Met een zonnetje erbij zijn de kleuren anders, warmer. De warmtestralen van de zon vóél je ook en die zijn net zo belangrijk voor een goed humeur.’

Is de zon dan in ieder geval in aantocht? Helaas, de vooruitzichten bieden weinig soelaas. Sterker nog, begin februari gaat het flink regenen. Nee, ook de onderzoeker van het KNMI wordt er niet vrolijk van. Toch oppert hij, relativerend: ‘De zon schijnt in Nederland de laatste dertig jaar steeds vaker. Zijn we niet gewoon een beetje verwend geraakt?’