Amerikaanse heksenjacht MCCARTHY SPEELDE IN OP HEERSENDE ANGST VOOR COMMUNISTEN

EEN anti-communistische 'heksenjacht'; dat was het McCarthyisme. Heksen bestaan niet. Zij zijn het product van de menselijke fantasie. Toch is er door de eeuwen heen op heksen gejaagd, alsof zij werkelijk een gevaar vormden voor mens of maatschappij....

In de Verenigde Staten waren de communisten de heksen van de twintigste eeuw. Meteen vanaf de Russische revolutie (1917) heerste er een stemming die hen tot outcasts maakte. De FBI volgde hun bewegingen op de voet. Wie het waagde sympathie voor Rusland te tonen, maakte zich, zelfs als die niet samenging met bewondering voor Stalin, per definitie schuldig aan 'on-Amerikaanse activiteiten'. Vroeg of laat nam justitie hem of haar op de korrel. Al vonden er geen openbare verbrandingen van heksen plaats, de sfeer was in bepaalde perioden (de late jaren twintig; na 1946) wel degelijk die van een volksgericht.

De late jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog brachten een intermezzo. Vooral na juni 1941 (het begin van de Duits-Russische oorlog) hoorde de Amerikaanse bevolking, als het over Rusland, ging het tegenovergestelde van waaraan men gewend was geraakt. Het viel eigenlijk wel mee met 'Uncle Joe' (Stalin). Bij nader inzien had hij veel van een democraat. Stalins krachtige maatregelen om de revolutie te consolideren waren schijnbaar nodig geweest. En in hoe diepe ellende was Rusland niet door de tsaren gestort! Een reactie daarop had toch niet kunnen uitblijven?

Dit soort regeringspropaganda - voor binnenlands gebruik - moest de belastingbetaler, in vroeger tijden opgevoed tot hater van alles wat rood was, zo snel mogelijk op andere gedachten brengen. Terwijl de konvooien met hulpgoederen voor de Sovjet-Unie (wapens, machines, voedsel) zich een weg baanden door een oceaan vol Duitse onderzeeërs, vond in Amerika een permanent pro-Russisch public-relationsoffensief plaats om het politieke draagvlak voor deze offers in stand te houden.

Na de oorlog verschoven de panelen opnieuw, sneller nog dan na Hitlers aanval op Rusland. Stalin viel van zijn haastig geconstrueerd voetstuk en werd bestempeld tot aanstichter van een nieuw conflict, de Koude Oorlog. De politieke en militaire leiding van de VS verwachtte een strijd op leven en dood tussen de twee systemen. Alle hens aan dek tegen het communisme, was nu weer het parool.

Voor het publiek was dit een adembenemende en verbijsterende ervaring. Veel mensen konden de ontwikkeling eerst niet bijbenen, waardoor de publieke opinie geruime tijd in vrees voor de Russen achterliep op president Truman en de zijnen. Om politiek en maatschappij weer te synchroniseren deed de regering er in haar uitspraken over het communistische gevaar nog een schepje bovenop, soms tegen beter weten in. De omslag die toen volgde, was radicaal en totaal. Een tot op het bot bang gemaakt volk schaarde zich rond zijn leiders en verklaarde alles wat afweek van de nationale ideologie, taboe.

Toen 'Joe' McCarthy, tot dat moment een betrekkelijk obscuur lid van de Amerikaanse Senaat, in het vroege voorjaar van 1950 een thema zocht om zichzelf populair te maken bij een groot publiek, hoefde hij niet veel meer te doen dan de heersende angst opsnuiven en te gelde maken. McCarthy besloot hard te roepen dat de situatie nog erger was dan de mensen dachten.

Op 9 februari verklaarde de senator uit Wisconsin, als spreker aanwezig bij het Lincoln Day Dinner van de Ohio County Women's Republican Club in Wheeling (West Virginia) dat op het papier waarmee hij wapperde, de namen stonden van meer dan tweehonderd communisten, die allemaal werkten op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het schot was midden in de roos. Razendsnel maakte de landelijke pers er voorpaginanieuws van. De natie wilde het maar al te graag geloven. Een schandaal was geboren.

Dat Ellen Schrecker in Many Are the Crimes McCarthy's optreden en de bangelijke reactie van alle politici die hun huik naar de wind hingen, moreel veroordeelt, betekent op zichzelf niets nieuws. Vele boekenplanken buigen door onder het gewicht van geschriften waarin schande wordt gesproken over degenen die toen in de VS aan het roer stonden en oorverdovend zwegen over het onrecht dat 'links' overkwam, of er zelfs gretig een bijdrage aan leverden. Origineel is de nuance. Zonder af te doen aan het kwaad dat het McCarthyisme in zich droeg, wil zij proberen nuchter in kaart te brengen hoe de communistische 'infiltratie' en de paniek daarover zich tot elkaar verhielden.

Met haar werkwijze - een uiterst zorgvuldige analyse van het werkelijkheidsgehalte van het gevaar, gepaard aan een al even nauwkeurige kenschets van de motieven van de heksenjagers en hun meelopers - brengt zij de discussie over de rol van de publieke opinie in de Koude Oorlog op een hoger plan. Ook levert zij onbedoeld (in ieder geval in een nog onuitgewerkte vorm) een aardige vergelijking tussen de manieren waarop bijvoorbeeld in Nederland en in de VS op het ogenblik over dit verleden wordt gerept.

H ET CONTRAST blijkt vooral een faseverschil. Terwijl bij ons de Bolkesteinen zonder veel maatschappelijke tegenspraak omstandige en repeterende boetedoening door ex-communisten eisen, blijkt het politiek-correcte midden waarnaar Schrecker behoedzaam op zoek is, ergens anders te liggen. Plichtsgetrouw formuleert zij weliswaar haar afkeer van het communisme à la Stalin, maar haar ziel legt zij toch in het relaas over de vervolging en uitsluiting die Amerikaanse communisten (en fellow-travellers) ten deel vielen.

Haar ware verbazing, ontsteltenis eigenlijk, geldt het afglijden van een natie die dacht de vrijheid uitgevonden te hebben, naar een toestand waarin alle macht was aan de verklikkers. De VS zijn als land waar het pragmatisme is uitgevonden, op dit moment kennelijk alweer liever bezig met andere dingen dan met de boze aard van het communisme. En het tonen van zelfverwijt over persoonlijke of politieke ontsporingen, ach, dat mag in Amerika doorgaans beperkt blijven tot een eenmalig - maar liefst wel met emotie doordrenkt en nationwide op de televisie vertoond - reinigingsritueel.

Hoe overdreven waren nu eigenlijk de zorgen over pogingen van de Sovjet-Unie door 'verraad', gepleegd door Amerikanen, de veiligheid van de VS te ondermijnen? Zeer overdreven, vindt Schrecker. Maar niet alles wat de ronde deed, was een verzinsel.

De Amerikaanse communistische partij heeft nooit veel om het lijf gehad. Haar leden, gering in aantal (aanvankelijk niet meer dan zo'n tienduizend, rond de Tweede Wereldoorlog kortstondig ten hoogste 75 duizend), waren tot in de jaren dertig voor het overgrote deel immigranten van de eerste generatie. Met hun tekortschietende kennis van taal en tradities bleven zij tot op zekere hoogte altijd buitenstaanders in het land waar zij woonden.

Verder waren er radicale zwarten in de partij te vinden. Zij zochten er een politiek wapen tegen blanke overheersing. Voor het ontketenen van een revolutie was meer nodig dan dit ietwat curieuze amalgaam van ontevreden burgers. Schrecker karakteriseert de partij in deze fase als 'volslagen geïsoleerd en geteisterd door inteelt'. In zoverre was de heksenjacht op communisten vanaf het begin een schijngevecht.

In de jaren dertig keerden veel progressieve intellectuelen zich echter vanwege de depressie vol walging af van het kapitalisme. De communistische partij werd niet hun nieuwe tehuis, maar de ideeën waarvoor zij stond, appelleerden aan de onvrede van democratisch links. Zo kwam er toch een vaag bondgenootschap op gang tussen een getalsmatig en wat soortelijk gewicht betreft niet meer geheel te verwaarlozen groep dissidenten in de Amerikaanse maatschappij en 'het wereldcommunisme'. De Sovjet-Unie en Stalin droegen hun leer voldoende opportunistisch uit om idealisten met minder goede ogen niet op voorhand af te schrikken.

Sympathie voor de Russen wekte wantrouwen, maar in sommige gevallen kon iemand wiens 'communisme' een publiek geheim was, maatschappelijk verder functioneren, zeker als het een afgesloten hoofdstuk in een politieke ontwikkeling gold. Tot het moment waarop de Koude Oorlog werkelijk uitbrak (circa 1946) mochten zelfs ambtenaren binnen de federale regering in de praktijk zo'n verleden meedragen zonder besmet te worden verklaard. Zulks in weerwil van de Hatch Act van 1939, een staaltje van radicale wetgeving tegen communisten en nazi's.

Door met voorbeelden (onder andere het geval van Carl Marzani, die nota bene werkte voor het Office of Strategic Services, de geheime dienst) duidelijk te maken dat de heksenjacht na de oorlog geen automatisme was, maar dat het communisme en de angst daarvoor opnieuw werden uitgevonden, biedt Schrecker een nieuwe interpretatie van deze geschiedenis.

Ook toont zij van tal van slachtoffers van het McCarthyisme, al dan niet avant la lettre (Alger Hiss, de Rosenbergs, een hele stoet mensen uit de wereld van kunst, cultuur en de vermaaksindustrie) nog eens ten overvloede aan dat hun communistische connectie - en in een klein aantal gevallen hun actieve steun aan de Russen - niet valt te betwijfelen. Zo ontstaat ruimte voor enige relativering van het heksenjachtkarakter. Niet altijd was de vervolging van dissidenten volstrekt willekeurig. Weliswaar zijn velen schandelijk bejegend en zijn ook velen geheel ten onrechte als communisten gebrandmerkt, maar de slachtoffers van de terreur à la McCarthy kunnen wat eigen verantwoordelijkheid betreft niet allemaal over één kam worden geschoren.

I EMAND DIE WEL RAAD wist met de gevolgen van de

angstexplosies van de late jaren veertig was Richard Nixon. Dat Nixon met zijn derde verkiezingscampagne (in 1950, om een zetel in de Amerikaanse Senaat) de basis legde voor zijn bijnaam 'Tricky Dick' was bekend. Hoe bont hij het maakte in dat duel met een vrouwelijke tegenstander, kan nu nog eens worden nagelezen in een boek van de mediahistoricus Greg Mitchell, die alles heeft nageplozen en het weerzinwekkende beeld prachtig - als deze paradox geoorloofd is - completeert.

Helen Gahagan Douglas, de Democratische opponent van de Republikein Nixon, was niet de eerste de beste.

Op Broadway had zij als actrice succes geoogst. Daarna had zij, weliswaar met de nodige afkeer, een tijd in de kleurrijke filmwereld van Hollywood doorgebracht. De man met wie zij op haar dertigste trouwde, Melvyn Douglas, was een populaire acteur. Gahagan en Douglas waren zeker geen typische Hollywood-leeghoofden, maar juist maatschappelijk geëngageerd. De New Deal van president Roosevelt had hun actieve sympathie. Beiden bezaten een formidabele energie en zochten naar wegen om die voor de goede zaak in de zetten.

Douglas' carrière zou voornamelijk beperkt blijven tot het witte doek. Gahagan legde contact met de Democratische Partij, raakte bevriend met Eleanor Roosevelt en stortte zich met de haar kenmerkende onstuimigheid op de politiek. Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, terwijl Melvyn Douglas in dienst was, drong zij door tot het Huis van Afgevaardigden.

Met glans verdedigde zij in 1946 en 1948 haar zetel, opererend op de linkervleugel van haar partij. Haar standpunten waren uitgesproken 'liberal'. Met haar bestrijding van racisme en haar steun aan eisen die door de vakbonden naar voren werden gebracht, maakte zij snel vrienden èn vijanden.

President Truman kwam terecht in de laatste categorie. Hoewel Truman in een steeds grimmiger wordende Koude-Oorlogssfeer probeerde het hoofd nog enigszins koel te houden, zag hij zich genoodzaakt aan het Congres wetgeving voor te leggen die de screening van alle ambtenaren op politieke zuiverheid behelsde. Gahagan veegde er de vloer mee aan, tot ergernis van haar partijgenoot in het Witte Huis.

Haar kracht van weleer was haar zwakte in de troosteloze sferen die zich in 1950 definitief van de VS meester maakten. Zij werd een prooi voor de verbeten vechter Richard Nixon. In 1946 had hij het communistische gevaar al opgeklopt als thema. Op dat moment was zo'n campagne nog een beetje een gok geweest, want zo erg op de Russen gebeten waren de meeste Amerikanen toen nog niet. In 1948 kreeg Nixon zichzelf met gemak herkozen.

D AARNA BRAK hij landelijk door als bestrijder van alles wat links was, als lid van de commissie van het Huis van Afgevaardigden die de communisten het vuur na aan de schenen moest leggen (het beruchte House Un-American Activities Committee). Met deze wind in de rug liet Nixon in 1950 zijn oog vallen op een zetel in de Senaat. Helen Gahagan was de enige hindernis. Welnu, een linkse vrouw als concurrent lustte hij rauw.

Gahagan, 'the pink lady' ('roze tot en met haar ondergoed', noemde Nixon haar), was dubbel kwetsbaar, doordat Hollywood er juist in deze periode van werd beschuldigd een broeinest van communistische propaganda te zijn. Niet alleen droeg zij een verleden van 'verlichte' politieke standpunten met zich mee, nu moest zij zich ook nog eens verantwoorden voor haar vroegere beroep en haar relaties uit die tijd.

Nixon omringde zich met waardevrije lieden die hun sporen hadden verdiend in de reclamewereld. Vastbesloten geen stem verloren te laten gaan, deed hij elke uithoek van Californië aan om handen te schudden en zich met harde beschuldigingen van 'communistische sympathieën' aan het adres van Gahagan, merendeels geheel uit de duim gezogen, te presenteren als de man die Amerika een veiliger toekomst zou brengen.

Het was een voorproefje van wat hem uiteindelijk in het Witte Huis zou brengen: een overvloed aan energie, gekoppeld aan een ernstig tekort aan scrupules. Van Joe McCarthy had Nixon inmiddels de kunst kunnen afkijken hoe met halve waarheden, verzinsels en aperte leugens een psychose teweeg te brengen onder onzekere burgers. Diens speech in Wheeling van februari 1950 was deels een letterlijke weergave van een eerder door Nixon zelf in het Huis van Afgevaardigden uitgesproken rede. Zodra hij doorkreeg dat McCarthy met zijn stunt een nationale beroemdheid was geworden en dat een kritisch tegengeluid uitbleef, aarzelde Nixon niet een voorbeeld te nemen aan diens nog grovere methoden.

Een overwinning kon niet uitblijven. Uiteindelijk werd Gahagan niet zozeer door Nixon verslonden, als wel door een tijdgeest die bloed moest zien om zijn fobieën te beteugelen.

Het is verleidelijk deze Nixon van de jaren vijftig te verbinden met Watergate van de jaren zeventig en het allemaal als een kwestie van karakter te zien. Natuurlijk, een vos verliest zijn streken niet. Maar omstandigheden maken een hoop verschil. Dat de 'grande peur' van het eerste decennium na de oorlog bij uitstek tijdgebonden was, tonen Schrecker en Mitchell genoegzaam aan.

Doeko Bosscher

Ellen Schrecker: Many Are the Crimes - McCarthyism in America.

Little, Brown and Company, import Nilsson & Lamm; 537 pagina's; * 65,55.

ISBN 0 316 77470 7.

Greg Mitchell: Tricky Dick and the Pink Lady - Richard Nixon vs. Helen Gahagan Douglas; Sexual Politics and the Red Scare, 1950.

Random House, import Nilsson & Lamm; 316 pagina's; * 60,75.

ISBN 0 679 41621 8.

Meer over