Alsof je het met God doet; AANGENAAM ONTSPANNEN BESCHOUWINGEN VAN ETHEL PORTNOY

DE BESTE waarnemingen worden terloops gedaan. Uit een ooghoek, dromerig, per ongeluk bijna. Bij mensen die zo waarnemen, zijn hersenen en zintuigen altijd aan het werk zonder ergens doelgericht op af te stevenen....

ALEID TRUIJENS

De aanpak van de meeste essays in haar nieuwe bundel Genietingen is aangenaam nonchalant, op het slome af. Nergens maakt Portnoy de indruk er eens breeduit voor te zijn gaan zitten. Geen grondige documentatie of uitputtend spitwerk. Nee, als zij zich een beetje verveelt, als haar karakter 'lijkt te gaan ontbinden tot een soort goedaardige brij', dan stapt zij naar haar boekenkast en pakt er twee opwekkende bundeltjes uit, van Juvenalis en Martialis, Romeinen uit de eerste eeuw. Ze schrijft een stuk en als je dat gelezen hebt, wil je deze dichters onmiddellijk lezen. In vier pagina's stelt ze vast hoe verrassend hun eeuw lijkt op de onze: 'Het waren lakse tijden. (. . .) Er heerste een mateloze verdraagzaamheid, omdat het niemand echt wat kon schelen.' En wat opvallend ontbrak in deze niet-christelijke samenleving: medelijden, 'misschien wel de grootste prestatie van deze godsdienst'.

De aanleidingen zijn zelden schokkend. Soms is het een film die ze zag, een bezoek aan New York, een liedje of voorwerp dat haar terugvoert naar haar jeugd in de Bronx, een kunstenaarsetentje waar ze toevallig was, maar ook de prettige aanblik van haar door onkruid overwoekerde tuin kan voldoen. Hier en daar zijn het simpele vragen die ze opwerpt. Ze doen denken aan kinderlijke lijstjes in schoolagenda's: welk boek zou ik graag verfilmd zien; hoe ziet de ideale roman eruit; wat zijn de leukste mannen?

Ongemerkt en onsystematisch ontwerpt Portnoy, net als in vorige bundels, een waardenschaal waarop ze de dingen die voorbijtrekken, gewichtig of futiel, hun onwrikbare plaats toekent. Warme, met bric à brac volgestouwde huizen en kille, verantwoorde design-interieurs. Rokkenjagers die van vrouwen houden en hun plezier willen bezorgen (Casanova) en verleiders die vrouwen haten en willen onderwerpen (Don Juan). Ouders die hun kinderen voortdurend beknorren (Nederlanders) en ouders die bejubelen en aanmoedigen (de hare). Het New York van tegenwoordig, waarin 'de kwaliteit van het leven tot het nulpunt is gekelderd' en het New York van haar jeugd, 'stad van brons, stad van licht, stad van ongedwongenheid en glans'. Mannen die 'it' hebben (Clint Eastwood) en die het jammerlijk ontberen (Arnold Schwarzenegger). Schrijvers die de waardigheid van onbeduidende mensen zien (Henry Green) en schrijvers die 'naar beneden trappen' (Evelyn Waugh).

Voor Portnoy is er een scheidslijn tussen twee mensentypen: zij die een open oog hebben voor alles wat mooi, aangenaam en ontroerend is in het leven en de dorre zielen die erop uit lijken anderen te infecteren met hun chronische chagrijn. Zelf behoort zij tot het eerste type, altijd bereid aardige kanten aan iets te zien, gretig van plan zich te laten verrassen. Al dat getob leidt volgens Portnoy nergens toe. Wat geeft het, als mensen 'niet slagen in het onderhouden van een 'stabiele relatie'? (. . .) Wie zegt dat dit moet? (. . .) Wat mensen van deze tijd, overladen met schuldcomplexen, niet begrijpen, is dat ze vrij zijn om verhoudingen wel of niet aan te gaan, en zich daar niet schuldig over hoeven voelen. Ieder van ons kan nu zijn eigen versie van Casanova zijn.'

Het mooiste essay waarin Portnoy zich ongeremd overgeeft aan het genot, is 'In bed met de grote componisten'. Luisteren naar mooie muziek is voor haar het toppunt van welbehagen: 'Hier binnen is het warm, de oven staat aan. En er is glorieuze muziek. Wij leven zoals in het verleden alleen koningen geleefd kunnen hebben.' Een nog groter genot is het om zelf muziek te maken. Portnoy was al vijftig toen ze piano begon te spelen. Ze pingelde en stuntelde, maar 'het voelde voor mij aan als het paradijs'. Naarmate zij langer speelde, begon zij 'door te dringen in de hersens van de grote componisten'. Hun muziek onthult hun kwaliteiten als minnaar. 'In bed moet Schubert ontroerend zijn geweest, maar een beetje zielig, terwijl Mozart daarentegen op een aanbiddelijke en volmaakte manier de liefde moet hebben bedreven.'

Maar het kan nog beter: 'Neuken met Bach: alsof je het met God doet.' Dit is Portnoy op haar best: iemand die zich zonder gêne laat meevoeren door haar fantasieën, maar daarbij wel weer op de nuchtere aarde landt. Ze voelt niet alleen van alles, ze vindt iets: 'Het heerlijke van dienstbaarheid aan de muziek is dat men iets dient dat groter is dan men zelf - zonder dat het een godsdienst of een politieke overtuiging is.'

Maar voor argumentatie is bij al dit heerlijk-heerlijker-heerlijkst geen ruimte.

Dat is prettig, want een eikenhouten betoogvorm hebben haar stukken daardoor nooit. Soms leidt die losjes ponerende stijl tot wonderlijke uitspraken. Zo vindt Portnoy dat alleen een schrijver het talent van een andere schrijver kan herkennen. 'Alleen een andere schrijver kan door de hype heenkijken.' Als schrijver ken je namelijk alle trucjes, 'maar ook oprechtheid en zuiverheid kun je op slag onderscheiden'. Dat moet een heerlijke gave zijn. Het is natuurlijk wel de vraag of ook slechte schrijvers die loepzuivere blik bezitten en wie dat dan wel kan vaststellen.

Het essay is het genre waarin Portnoy excelleert. Zij schreef ook mooie, autobiografische verhalen, waarin zij met heimwee, maar nooit larmoyant, vertelt over het land van haar jeugd dat voorgoed verdween. De roman is niet haar sterkste genre. Haar laatste, Bange mensen, viel een beetje schools en harkerig uit; er moest uit alle macht een passende structuur worden bedacht, waarin fictieve mensen haar voorliefde en afkeer konden belijden. In haar essays doet ze dat rechtstreeks, en dat is een stuk overtuigender.

Portnoy laat haar lezer opgeruimd achter. Kom op, geen geknies, ga je een beetje zitten schamen, roepen deze stukken. Er is altijd een oplossing. Houd je van kijken naar mannen, schrijft ze, en is er toevalling zelden eentje in je buurt? Geeft niets: 'Hoewel ik in mijn kluizenaarsbestaan niet bijzonder veel mannen ontmoet, heb ik altijd films, televisie en video om ze me voor te toveren.'

Dat is nog eens optimisme. Die onverwoestbare drang tot genieten is heel aanstekelijk.

Aleid Truijens

Ethel Portnoy: Genietingen.

Meulenhoff; 141 pagina's; * 24,90.

ISBN 90 290 5606 1.

Meer over