Alles is een verhaal

Naam: Jona Oberski (1938)..

DEGENE die tegenover hem gaat zitten, ziet zichzelf in die grote, lichte ogen. Die een eeuwige opgewektheid suggereren, zelfs op dagen dat die er helemaal niet is. Wordt daarmee zelf een beetje Jona Oberski: in 1938 geboren in Amsterdam, Duits-joods oorlogskind toen, experimenteel natuurkundige nu, en ook schrijver en dichter, om te kijken waartoe dat leidt.

Tot wereldfaam, zo bleek, waar hij zich, na vele jaren, nog steeds even oprecht over kan verbazen als toen die beroemdheid hem overviel. Het was eind jaren zeventig, na een poëzieworkshop bij Judith Herzberg. In zes weken tijd schreef hij Kinderjaren, 's nachts vooral. Deels herinneringen aan zijn vroege jeugd in Westerbork, in Bergen-Belsen, aan zijn vermoorde ouders, aan Amsterdam vlak na de bevrijding, deels fictie. Precies honderd pagina's argeloos verslag uit een half begrepen hel.

Honderd pagina's korte zinnetjes. Kindertaal. Meer was er niet, mocht er niet zijn. Vederlicht en juist daardoor loodzwaar. Lezers huiveren om wat ze achteraf meer weten dan de Jona van toen. Stikken uiteindelijk haast in wat het bovenhaalt, weet hij. En dat moet ook. Nog steeds.

En dus is Jona Oberski van Canada tot Zweden, van Denemarken tot Japan een gerespecteerd schrijver die in het dagelijks leven niettemin experimenteel natuurkundige is. Die overdag peinst over het waarnemen van kerndeeltjes, gravitatiegolven, neutrino's, die sleutelt aan detectoren, deeltjesversnellers. Die opgetogen zijn collega's aan het hoofd zeurt tot ze precies zeggen wat ze eigenlijk bedoelen.

En die nu en dan 's nachts de kristallen zinnen schrijft die hij tot zijn grote plezier soms gepubliceerd ziet. Als de doormalende wetenschapper hem tenminste niet ook daar in de weg zit.

Maar wat, sta hem even toe, is eigenlijk het veronderstelde verschil? De schrijver, een echte schrijver, onderzoekt evengoed als de natuurwetenschapper. Peilt en meet, theoretiseert, toetst hypotheses, ziet met spanning waarheen zijn materiaal hem leiden zal.

De één levert het best mogelijke verhaal over zijn persoonlijke binnenwereld. De ander over de materiële buitenwereld. Maar wat zouden we anders kunnen hebben dan woorden om uit te leggen wat we naar beste weten kunnen denken?

Wat bepaald niet wil zeggen, hou hem ten goede, dat wetenschappers ook maar wat verzinnen. Niks ervan. De wereld, de werkelijkheid bestaat. Daar ligt steeds de toetssteen voor elk verhaal. Klopt het, of klopt het niet? Dat is de kwestie. De natuurwetenschappen hebben het een stuk eenvoudiger dan andere disciplines.

Dit, alles wat we nu weten, dit is óns verhaal over de natuur en het klopt vaak verbluffend goed. Maar sociale constructies blijven het, mentale modellen van de werkelijkheid, laag na laag na laag opgebouwd. Over een paar honderd jaar, houdt hij zijn studenten graag plagend voor, kunnen ze heel goed een totaal ander beeld van de werkelijkheid hebben. Wat dan? Geen idee. Niet beter, maar anders. Efficiënter hooguit, of eleganter. Lacherig, misschien, over het gestuntel in de twintigste eeuw.

Geen hond op het lab, overigens, die er ook zo over denkt, dat weet hij best. En zelf wordt hij er ook wel eens moe van, van die argwaan jegens zijn eigen brein. Maar het is meer dan filosofie, daar is hij zeker van. Er zijn implicaties. Als kennis een verhaal is, namelijk, wat is dan waarheid? Wanneer is een proef geslaagd? Wanneer deugt een berekening? Om geen enkele andere reden dan dat we het zo wel best vinden. En wanneer vinden we het best? Als onze vooroordelen bevestigd worden. Gevaarlijk terrein, dus.

Zelfanalyse, steeds maar weer nagaan waarom je denkt wat je denkt, voortdurend proberen te begrijpen hoe je hersens je parten zouden kunnen spelen, iets anders zit er niet op. En des te onvergeeflijker dus, dat studenten dat nou net niet wordt bijgebracht. Natuurkunde leren ze, maar niet natuurkunde te bedrijven. Het zou allemaal zoveel efficiënter kunnen. Niet onze onze intelligentie of gebrek aan geld bepalen hoe snel de wetenschappen gaan, maar onze tomeloze onhandigheid.

Jawel, Jona Oberski, met zijn opgetogen buitenkant, is een ergeraar van binnen. Al dat gestommel en gestruikel in zijn vak, het gebrek aan zelfreflectie, de brede onwil om de grondbeginselen van sociale organisatie te leren begrijpen; soms vliegt het hem allemaal danig naar de strot. Maar zelfs van woede maken zijn ogen hooguit spot.

Het was 1956. Een week voor het eindexamen schreef zijn natuurkundeleraar nog snel een formule op het bord die volstrekt uit de lucht kwam vallen, maar die de week erop van pas zou komen. Die formule bleek een machine. Er ging wat in en er kwamen antwoorden uit. Het ijverige ventje van Oberski was verbluft, definitief gegrepen, wilde meer van die formules. Was met zijn pleegvader wel eens bij de studie rechten wezen kijken, maar had geen woord begrepen van wat daar werd gezegd. Recht is mensenwerk, heeft hij zich pas veel later gerealiseerd.

Het was de tijd van het Atomium, kranten schreven over kernfysica en aan de rand van Amsterdam stond het nieuwe IKO, het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek. Hij liep er stage en deed er in de jaren zestig zijn promotie-onderzoek. Doelgericht werk in een gevoelsarme omgeving. Nog steeds is hij er niet uit of hij daarop uit was, of dat het zo uitkwam. Maar het beviel tot het misging, jaren later. Pas na jaren vastberaden therapie begreep hij dat een mens zich zo geen raad kan weten dat hij nergens last van denkt te hebben. Zelfbescherming. Begreep eindelijk waarom hij op school graag schreef, maar nooit zijn fantasie de vrije loop dorst te laten.

ZIJN vrienden vonden hem veranderd, nadien. Hijzelf zag het verschil niet echt. Jona was de Jona van altijd, vond hij. Een beetje toneelspeler, steeds, in de goede zin van het woord. Een mens is een vaste kern met een deel dat zich aanpast aan waar hij is en met wie.

Hij had het daar ooit moeilijk mee, zag zichzelf zich voortdurend voegen naar de mensen met wie hij werkte. Een mensenleven ouder weet hij: iedereen doet dat, maar slechts een enkeling beseft het net zo scherp als hij.

En natuurwetenschappers al helemaal niet. In het lab torsen ze de mythe mee van objectiviteit, van droge emotieloosheid. Wie goed kijkt, weet beter. Het is één en al passie en eergevoel. Maar onderkennen, ho maar.

Zodat hij, toen hij de jarenlange beleidsfunctie na zijn promotie een beetje zat was en terug wilde het onderzoek in, stuitte op een muur van onwil en wantrouwen, aanvankelijk. Terugkomen, na al die tijd? Hoe dacht hij dat weer in te halen, dan?

Bijna had hij opgegeven. Tot hij zich realiseerde dat verdomme elke student, iedere promovendus toch zeker ook ergens moet beginnen. Waarom hij dan niet?

Omdat hij een generatiegenoot was. Iemand die tegelijk begint, een kolossale omweg maakt en dan toch weer opgewekt aanschuift, dat relativeert het allemaal wat al te zeer. Vrienden hebben hem erdoorheen gesleept, goddank. In CERN bij Genève hervond hij zijn stiel. In die anonieme onderzoeksfabriek nota bene, waar niemand precies alles meer weet, waar iedere persoonlijke ambitie ten dienste van de groep moet staan, en waar niettemin als door een wonder prachtige en solide resultaten worden geboekt. Een heerlijke tijd.

Al geldt ook daar: wilden de onderzoekers maar wat beter leren begrijpen hoe het wonder van hun zo doodgewone mensenwerk in elkaar steekt, dan zou het allemaal nog veel efficiënter en doeltreffender gaan. Keken ze maar eens wat beter naar zichzelf, naar elkaar.

En hij? Na al die jaren weet hij wat hem drijft. Niet de botsende neutronen die hij onderzocht, niet de gravitatiegolven die hij had willen gaan meten als NWO er niet vorig jaar achteloos een streep door had gehaald, niet de neutrino's met krankzinnig hoge energie die hij binnenkort gaat vangen met een onderzees observatorium.

Een Jona Oberski kun je overal neerzetten. Mits het opdrachten betreft die eigenlijk niet kunnen, spelden in een hooiberg, een paar piekjes in een zee van troep en ruis. Een handvol spookdeeltjes in een bombardement van irrelevante kosmische straling. Miljoenste millimeters vervorming van een metersgrote perfecte koperen bol, omdat lichtjaren verder twee sterren om elkaar heen waggelen.

Alles in de natuur spat en klotst en dreunt en rammelt en daarvan raak je pas verlost als je heel precies weet waarom en hoe.

Alleen wat je tot in alle details begrijpt, mag je met een gerust hart weggooien.

Meer over