Alchimist in Delft

Naam: Hans Mooij (1941) Beroep: bouwer van quantumstructuren Titels: prof. dr. ir. Wegens: toekenning Koninklijke/Shell Oeuvreprijs 1997 Ook: mogelijk dichter..

DOE HEM, als hij toch kiezen mag, maar zo min mogelijk poespas. Of hooguit zoveel dat de financiers van zijn chips-onderzoek in de krant komen, zoals ze graag hebben. Laat kortom Hans Mooij, hoogleraar natuurkunde te Delft en winnaar dit jaar van de prestigieuze Koninklijke/Shell Oeuvreprijs, maar een doodgewone fysicus zijn.

Ook al wordt zijn naam inmiddels internationaal met een zeker respect uitgesproken, hij blijft van nature een zachte prater in een wereld waar het bij de koffie over elektronen gaat, over tunneljuncties, over golffuncties en quantumdots. Over het merkwaardige universum van de ultrakleine structuren in halfgeleiders, waarin elektronen merkbaar door de quantumwetten worden bestuurd. En hoogst zelden gaat het over Hans Mooij zelf.

Doet het er ook iets toe? Doet het ertoe dat hij in 1958, nog geen zeventien jaar oud, na een schier eindeloze vliegreis vanuit Curaçao op Schiphol landde, een jongen nog, maar vastberaden om een goed en nuttig ingenieur te worden? Doet het ertoe dat het in zichzelf gekeerde Holland in niets dan de taal leek op het Caribische, op Amerika gerichte landje aan de andere kant van de wereldbol?

Is het van belang te weten dat zijn vader daarginds bij de grote Shell-raffinaderij werkte en dat de olie er alles, zijn hele leven, beheerste? Net als techniek? Dat daar dus waarschijnlijk zijn fascinatie voor de industrie wortelt? Dat hij nog weet hoe opwindend het was van zijn vader te weten waar precies de brand had gewoed, die eerder op de dag sirenes had doen loeien en brandweerwagens liet langsracen?

En wat is er te vertellen over zijn studietijd? Hij zat op kamers, als ieder ander. Niet alleen. Niet eenzaam. Hij studeerde als ieder ander, niet traag, niet bijster snel. Promoveerde. En begon daarna op het hoofdkantoor van Shell in Rotterdam, als controleur van de kraakstatistieken van raffinaderijen over de gehele wereld.

Dat het er daar flink betweterig aan toeging, zoals dat nu eenmaal gaat op hoofdkantoren. Is dat van belang?. Dat niemand werkelijk geïnteresseerd was in de vragen die uit dezelfde statistieken oprezen. Dat hij dat wel was, en dus na anderhalf jaar terugkeerde naar de universiteit, de plaats waar alleen onopgeloste vragen interessant zijn. Dat dit vlak voor de eerste bezuinigingsrondes was, begin jaren zeventig, wie wil dat allemaal nog weten?

Doet het inmiddels uitgestrekte verleden er echt toe? De avonturen in de jaren zeventig, met voor die tijd piepkleine supergeleidende structuurtjes waar je achteraf bijna om lachen moet zo groot als we ze nu vinden? De eerste vondstjes? Zijn de oude verhalen interessant, die hem laten zien als bezoeker van Nobelprijswinnaar Bardeen, die ooit een jaar in Leiden verbleef en die gebiologeerd was geraakt door de Delftse resultaten?

Of de herinnerigen aan de eerste triomf, op een congres over supergeleiding, waar zijn metingen pardoes een belangrijke theoretische discussie beslechtten? Kan ons het schelen dat hij wel kon dansen van vreugde?

Moet nog eens worden opgerakeld hoe de natuurkundigen in Nederland in eerste instantie nauwelijks zagen wat er bij die ingenieurtjes in Delft gaande was? En dat men uiteindelijk van collega's uit het buitenland begon te begrijpen dat die Mooij uit Delft toch wel erg leuke dingen deed? Moet dat?

Wat ertoe doet, is zijn onderzoek. Althans, het onderzoek dat zijn vakgroep verricht, want onderzoek is groepswerk, zeker in zijn vak, waarin techniek en wetenschap hecht zijn verknoopt. Hans Mooij maakt in zijn laboratorium dingen die hij pas achteraf probeert te begrijpen, denkt de buitenwereld vaak. Maar zo rechtlijnig gaat het doorgaans niet. Je maakt een kleine structuur omdat je vermoedt dat daaraan iets wezenlijks te zien zal zijn. Je meet. Past aan. Stapje naar links. Naar rechts. Heel intuïtief.

De belangrijkte resultaten kwamen daarbij min of meer uit de lucht vallen. De trapsgewijze geleiding in een superdun draadje, wereldnieuws. De transistor op basis van één elektron, wereldnieuws. Tweedimensionale atomen. Wereldnieuws.

Maar wie denkt dat de natuur Mooij en zijn groep vaker welgezind is dan veel anderen, staart zich blind op die paar spraakmakende publicaties. Daarnaast is er de oeverloze dagelijkse frustratie over alles wat niet lukken wil. Moeder Natuur laat veel toe, maar alleen omdat ze het toelaat. Haar maak je niets wijs.

Zo kunnen we wel denken dat de volkomen platte atomen die Mooijs groep de laatste jaren vervaardigde, tegennatuurlijk zijn. Alchimie. Uiteraard bestaan ze niet in het gewone heelal, maar daarmee zijn ze nog niet tegennatuurlijk. Hooguit onnatuurlijk. De natuurwetten staan het immers toe.

Willen we werkelijk weten dat hij wel eens oprecht wakker kan liggen van zijn werk, hoe goed het de laatste jaren ook blijkt te gaan? Niet onprettig wakker, maar wakker uit onstilbare nieuwsgierigheid, doorgaans over een hardnekkig onverklaarbaar resultaat.

Het stadium dat je nog niet begrijpt waar je naar kijkt en maar blijft proberen, dat is zijn moment. Het gevoel dat je elk moment het inzicht kunt krijgen dat nodig is. Leuker is dat, dan de tijd na de doorbraak. Dan is zijn werk gedaan. Dan moet er iets nieuws komen. Iets echt nieuws, liefst. En zie daarvoor maar weer eens interesse en geld te vinden.

Niet dat het onderhand niet helpt om Hans Mooij te heten en diens staat van dienst te bezitten. Dat helpt, zeker. Maar zelfs hij kan het zich pas de laatste jaren veroorloven zelf prioriteiten te stellen met het geld van de groep. Iedereen wil steeds nieuwe mooie dingen van je, maar geen financier geeft graag geld voor iets waar hij nog nooit van heeft gehoord. Dus regel je dat onderling.

Financiers hebben de neiging steeds weer wat van de budgetten af te romen en te steken in de dingen die hun goeddunken. In prioriteitenprogramma's, stipendia, stimuleringsfondsen. Noem maar op. Tientallen potjes moet hij soms aanspreken voor een enkel project van de groep. Dat is een massa papierwerk, steeds maar weer dikke verhalen ophangen, anderen beoordelen, inschrijven, verdedigen. Hemeltergend, soms.

0 AT DE samenleving wil weten wat er met haar goede geld gebeurt, is volkomen terecht. Maar zoals het nu gaat, weet de samenleving eigenlijk nog steeds niet of we het geld goed gebruiken. Sterker, de versnippering slokt tijd op die beter in onderzoek kan worden gestoken.

Toch is Nederland is goed voor zijn onderzoekers. Er is weliswaar te veel papierwerk, het beoordelingssysteem deugt niet echt, maar Nederland is zijn onderzoekers welgezind. Hijzelf heeft voor miljoenen aan laboratoria gerealiseerd. Er zijn momenten dat hij zich over zoveel voorspoed oprecht verbazen kan.

Succesvol onderzoek, merkt hij, is een magneet voor talent. Goeie studenten willen erbij horen. Daarover hoort niemand hem klagen. Succes genereert succes. Daarop kan hij nou tevreden terugblikken.

Maar de mens Mooij? Doet het er ook maar iets toe dat hij tegenwoordig op vrije momenten zowaar poëzie is gaan lezen? Dat dit zo gekomen is toen hij naar teksten begon te speuren die als grondstof konden dienen voor zijn enige liefhebberij, de kalligrafie? Dat met name Hans Andreus hem bovenmatig ontroert en boeit?

Interesseert het werkelijk iemand dat hij heeft gemerkt hoe poëzie pas volledig tot haar recht komt in je eigen moedertaal? En dat hij juist daardoor al lezend optimale afstand kan nemen tot zijn academische werk, waarin alles in het Engels gebeurt. Of Engels: dat rare steenkolentaaltje dat wetenschappers internationaal onder elkaar preken en dat, net als vroeger het Latijn, de geleerden en hun gedachten bindt. Interesseert het iemand dat hij ergens diep bij hem van binnen ook een dichtader vermoedt, maar dat hij nog twijfelt of hij er wel echt naar moet boren?

Nee, laat Hans Mooij maar gewoon een natuurkundige zijn. In Delft en niet eens, zoal het laatst even heeft geleken, aan een universiteit elders. Maar wel vanaf binnenkort ook enkele maanden per jaar in Boston. Niet omdat het Amerika is, want wat ze daar kunnen kan hij in Delft ook en soms zelfs beter. Nee, de afstand tot het Hollandse gewoel, even verlost van de verleiding zich er toch weer mee te bemoeien, dat is het.

Even alleen zal hij daar zijn met het fascinerende idee om een echte quantumcomputer te bouwen. Een apparaat dat ongehoord veel berekeningen tegelijk aankan, omdat het in talloze toestanden tegelijk bestaat. In theorie kan het, en misschien is Moeder Natuur hem ook ditmaal welgezind.

Hij blijft wat dat betreft altijd een beetje de ingenieur die hij ooit op Curaçao in zichzelf dacht te voelen. Altijd een lichte aversie tegen l'art pour l'art. Altijd een stemmetje in het achterhoofd: als we dit allemaal in de vingers hebben, kunnen we er mooie dingen mee gaan doen. Bedrijven als Siemens en Eriksson voelen dat, ook al heeft hij ze nog lang niets concreets te bieden. Zolang híí bepaalt wat er gebeurt, mogen ze best meekijken. Best.

Quantumcomputers, bionische implantaten, het zal ooit allemaal kunnen, daarvan is hij gaandeweg steeds zekerder geworden. Wanneer, dat moet maar gewoon blijken. Niet op termijnen die hij nog mee gaat maken. Maar wie is Hans Mooij in Delft wat dat betreft ook helemaal?

Martijn van Calmthout

Meer over