Adolphe's liefde is een spel

CONRAD BUSKEN HUET wijdde in 1875 een lange beschouwing aan de kleine roman Adolphe van Benjamin Constant, een boekje dat hij vergeleek met Werther van Goethe en René van Chateaubriand, twee 'onsterfelijke kleine geschriften', waarmee Adolphe 'in één adem genoemd en op één lijn verdient gesteld te worden'....

Tussen Chateaubriand en Constant in het bijzonder zag Busken Huet een treffende overeenkomst. 'Beiden in de grond skeptische geesten, hebben zij ieder tot verheerlijking der christelijke godsdienst een groot boek geschreven hetwelk alleen nog gelezen wordt door de mannen van het vak; doch beiden schreven ook een klein verhaal, of liever, beiden teekenden in weinige bladzijden een mannekarakter; en terwijl al hunne andere geschriften in het vergeetboek zijn geraakt, leven hunne namen in die twee schijnbaar vlugtig geschetste typen onsterfelijk voort.

'Naast le Génie du christianisme en naast het groote werk de la Religion gelegd, maken René en Adolphe den indruk van een roeibootje aan de zijde van een linieschip; maar de linieschepen hebben plaats moeten maken voor de gepantserde fregatten van den nieuweren tijd, en intusschen gaat onze geest bij voortduring en met welgevallen uit spelevaren in de twee kleine sloepen. Evenals een halve eeuw geleden wiegen zij ook nu nog den lezer op de golven van het gemoedsleven, en stemmen hem tot weldadige zelfbespiegeling.'

Zo enthousiast betoont Busken Huet zich ('Als kunstwerk is Adolphe boven iedere lof verheven'), zo trefzeker typeert hij het boekje ('Hier valt niet de veder der historie in den schoot der fabel; hier is de verdichting zelve geschiedenis geworden') en zo 'modern' is zijn interpretatie ('onedelmoedigheid is een voorname trek van het manlijk karakter') dat je je afvraagt wat hier nog aan toegevoegd moet worden, nu Adolphe opnieuw is vertaald. De belangstelling voor Benjamin Constant en zijn tijd (mede dank zij ónze belangstelling voor Belle van Zuylen, wier vriend hij was) blijft groot, iets wat Tzvetan Todorovs nieuwe biografie (Benjamin Constant. La passion démocratique) ten goede kan komen.

Lees Adolphe, luidde de boodschap van Busken Huet ruim honderd jaar geleden, en je raakt niet alleen onder de indruk van de knappe, haast terloopse wijze waarop Constant zijn verhaal heeft ingekleed, maar ook van zijn 'moraal', die geen andere is dan dat de ene mens steeds weer in staat blijkt de ander door liefdeloosheid te vernielen. 'En het ergste', schrijft Busken Huet, 'is niet dat het kwaad zich voordoet, maar dat het onvermijdelijk is, dat het een noodwendig onderdeel van het menschelijk leven is, dat het een zonder het ander misschien denkbaar, maar zeker niet bestaanbaar is.'

Met die woorden geeft Busken Huet aan dat de betekenis van Adolphe verder strekt dan het verhaal over een uitzonderlijke liefde. En daarmee geeft hij ook aan dat Constant in zijn enorme oeuvre nooit zo de vinger op de wonde plek van het menselijk reilen en zeilen heeft gelegd als in dit kleine boekje, dat hij zelf een 'anekdote' noemde. Liefde tussen mensen loopt altijd het gevaar gefnuikt te worden - eenvoudigweg omdat de mens dat in zich heeft -, en dat geeft het bestaan, ook in de door Constant bepleite liberale democratie (die op dit punt nog de meeste garanties biedt) zijn in wezen tragische grondslag.

Lezen we Adolphe bijna twee eeuwen later - het boekje verscheen in 1816, quasi als een toevallig gevonden manuscript - nog steeds zo als Busken Huet het in een heel andere tijd las? Waarschijnlijk wel, want al dobberen de sloepjes waarin we tegenwoordig weldoorvoed mogen spelevaren niet langer in de buurt van 'gepantserde fregatten', maar dreigen ze overvaren te worden door de mammoettankers van almaar uitdijende financiële bureaucratieën, het verhaal van Adolphe en Ellénore heeft, literair gezien, zijn betekenis ten volle behouden.

Uiteraard zijn wij niet blind voor de historische uitdossing die thuishoort in de tijd na de Franse Revolutie en het doorbreken van de Romantiek in Duitsland (die mede door toedoen van mevrouw De Staël, de andere minnares van Benjamin Constant, in Frankrijk bekend werd), maar dat is achtergrond, decor. Constant richt zich volledig op die twee mensen, op de jonge Adolphe, die zich verveelt, en de tien jaar oudere Ellénore, die haar min of meer comfortabele positie als minnares van een belangrijk man opgeeft als ze van Adolphe's liefde overtuigd raakt. Maar Adolphe houdt een slag om de arm. Zijn liefde is een spel, totdat hij zichzelf de illusie aanpraat dat hij werkelijk van Ellénore houdt. Maar een illusie blijft het. Als die taant, laat hij Ellénore vallen, en dat wordt haar dood.

Goed, die omstandigheden, die tragische afloop ook, zijn ons vreemd (als we er niet ook uit een natuurlijke behoefte aan het exotische van houden), maar het zakelijke verslag dat Constant geeft van de ontwikkeling van deze verbintenis, onttrekt zich in essentie aan tijd en plaats. De subtiliteit waarmee Constant zin voor zin de liefde tussen de twee geliefden blootlegt, tegen de verdrukking van de omstandigheden in en met een scherp oog voor de innerlijke verwarring die zij teweegbrengt, kan ook de moderne lezer nog steeds raken. Wat Constant duidelijk heeft willen maken, leent zich nog steeds voor 'bespiegeling', al zal dit geen 'zelfbespiegeling' meer zijn.

'Over de plaats welke Adolphe in de litteratuur van het begin dezer eeuw vervult', schrijft Busken Huet verder nog, 'over den persoon van Benjamin Constant als bondgenoot van mevrouw De Staël en mededinger van Chateaubriand; over de politieke rol door hem gespeeld vóór en na de Restauratie; over de grenzen waarbinnen men Adolphe heeft aan te merken, zoo niet als een hoofdstuk uit de geschiedenis zijner jeugd, dan toch als een schildering van zijn eigen gemoedsbestaan, - zou een boekdeel te schrijven zijn.'

Dat blijft waar, al is er inmiddels over Constant heel veel geschreven. Oninteressant is dat geenszins. Maar wie dwars door de tijd heen de mens (of zo men wil: de man) in zijn hart wil kijken, heeft aan Adolphe genoeg, een gedachte die ook Busken Huet al was toegedaan. In zijn essay nam hij een integrale vertaling van het boekje op. Die laat zich nog heel goed lezen, maar wie er de nieuwe editie naast legt, zal bemerken dat Adolphe verjongd uit het restauratieproces te voorschijn is gekomen. Alsof het klassieke 'sloepje' een moderne 'fluistermotor' heeft gekregen.

Willem Kuipers

Benjamin Constant: Adolphe.

Vertaald uit het Frans door Martin de Haan.

Athenaeum - Polak & Van Gennep; 109 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 253 0643 8.

Meer over