Aap, noot, Mies

Veel Marokkanen spreken Frans, maar wie de taal wil leren, moet tegen winkeliers, taxichauffeurs, obers, schoenpoetsers en pindaverkopers Dariezja praten....

Ik heb me er al eerder over beklaagd dat Marokko lastig is omte leren kennen, omdat het zo divers is, maar ik ga me daar nietweer over beklagen - trouwens, een echte klacht was het niet wantdie enorme diversiteit brengt het voordeel met zich mee dat erveel te ontdekken valt, en ontdekken is leuk. Maar het kost welmoeite.

Zoals het moeite kost het Arabische alfabet te leren. DeMarokkaanse variant van het standaard-Arabisch, het Dariezja, ikschrijf het hier op zoals je het uitspreekt, is zoals gezegd noggeen geschreven taal, het wordt alleen gesproken. Maar in hetCentre for Cross Cultural Learning, het instituut in Rabat waarik mijn taalcursus volg, schrijven we het wel degelijk.Abderrahman, onze docent, schrijft alle nieuwe woorden die weleren op het bord, en hij gebruikt daarvoor het Arabischealfabet. Ik noteer zo'n nieuw woord dan in mijn schrift enluister intussen goed naar hoe Abderrahman het uitspreekt, enschrijf het dan nog een keer op, zoals het klinkt, fonetisch -daarvoor gebruik ik weer het Nederlands. De eerste week van detaalcursus ging heen met het leren van de Arabische letters.Abderrahman heeft ze een voor een behandeld. Dat was nog een heelkarwei, want veel van die letters nemen een andere vorm aan alsze op een andere plaats in het woord staan. Dus een h aan hetbegin van een woord schrijf je anders dan een h in het midden vanhet woord of aan het eind.

Na die eerste week werden we geacht alledrie de vormen van de25 letters te herkennen, gelukkig verschillen ze meestal niet zoveel, maar toch. Ja, na die eerste week werden we geacht tekunnen lezen, het heeft nog twee weken geduurd eer ik dat gevoelzelf ook had en niet voortdurend moest opzoeken welke letter ditof dat ook alweer was. Intussen lees ik nog steeds zoals mijnkleine neefje dat doet, de letters een voor een uitsprekend, waarmijn neefje het voordeel heeft dat hij de woorden die hij aldusuitspreekt, kent, en herkent. Ik moet het zonder doen.

Maar ik oefen zoveel ik kan, als ik ergens een woord zie,bijvoorbeeld een straatnaam, blijf ik stilstaan en probeer ik diete lezen. Vooral de laatste dagen kom ik er wel uit, tenzij deletters al te mooi zijn geschreven, dan raak ik ergens halverwegehet woord onherroepelijk de weg kwijt, soms al direct in hetbegin. Maar ik klaag niet, het is leuk. En Abderrahman doet hetgoed, hij is enthousiast en energiek, geduldig ook, en hijspreekt zoveel mogelijk in het Dariezja tegen ons.

Veel Marokkanen spreken Frans, en de Arabist Jan Hoogland,docent aan de Radboud Universiteit Nijmegen en auteur van hetcursusboek Marokkaans Arabisch raadt mij in zijn weblog aan nutoch vooral te beginnen met Dariezja te spreken tegen winkeliers,taxichauffeurs, obers, schoenpoetsers en pindaverkopers, met ditsoort mensen niet Frans te blijven praten. Ik noem Jan Hooglandzo nadrukkelijk, omdat hij regelmatig reageert op wat ik hierschrijf en de lezer daarin geïnteresseerd zou kunnen zijn(www.volkskrant.nl/weblog). Maar ook omdat hij bezig is in Rabateen soort Nederlands Cultureel Instituut op te zetten, wellichtin samenwerking met het CCCL, het instituut waar ik mijn cursusvolg.

Het is om het aardig te zeggen toch vreemd dat er niet allangzo'n instituut in Rabat is, gegeven de interesse van Nederlandersin Marokko, al was het maar als vakantieland, gegeven ook hetaantal Marokkanen in Nederland. Landen als Duitsland en Frankrijken Spanje hebben hier al tijden een culturele vestiging, waar menook Duits, Frans of Spaans kan leren, ja zelfs Oostenrijk is hiermet een instituut vertegenwoordigd. Wij hebben hier alleen eenambassade en een consulaat - maar daar komt nu dus snelverandering in. Ik hoorde dat het kabinet er geld voor had, hetinstituut zou er in januari 2006 moeten zijn, dus over tweeweken, en ik hoorde ook dat de nestor van de Marokko-kenners, desociaal-geograaf Paolo de Mas, de leiding op zich zou nemen. MaarJan Hoogland kan er op zijn weblog meer over vertellen.

Nu werd een literaire avond als die van vorige week, waaropschrijver Abdelkader Benali en dichter Mustafa Stitou voorlazenuit eigen werk, noodgedwongen op het Institut Français gehouden,een groot, pas gerenoveerd gebouw aan de voet van de kathedraalin het centrum van Rabat. Het was een avond georganiseerd in hetkader van vierhonderd jaar Nederlands-Marokkaanse betrekkingen,en er traden ook twee Marokkaanse dichter-schrijvers op, YassinAdnan en Jalal el-Hakmaoui, die hun werk in hetstandaard-Arabisch voordroegen, op een scherm werd tegelijkertijdeen Franse vertaling geprojecteerd.

Tijdens de discussie na afloop, die deels over taal ging,zeiden beide schrijvers dat zij zich het meest thuis voelden inhet standaard-Arabisch - het kwam me voor dat ze daar ook wat meepronkten. Maar, zeiden ze ook nog, ze probeerden datklassiek-Arabisch wel zo levendig mogelijk te maken, ja zo dichtmogelijk bij het gesproken Marokkaans te brengen, het Dariezja - en dat had weer wat neerbuigends.

Waarom dan niet gewoon in het Dariezja geschreven? Maar diemogelijkheid werd door de schrijvers nauwelijks serieus genomen.Met het klassiek-Arabisch bereikten ze weliswaar minderMarokkanen maar wel meer lezers buiten de landsgrenzen, al metal een veel groter publiek - of ze dat publiek ook werkelijkbereikten, bleef de vraag. Maar belangrijker dan hetverkoopargument leek toch het prestige van hetstandaard-Arabisch, over het Dariezja bleven ze maar spreken alsover een 'dialect'. Dat dialect, zo begint mij steeds duidelijkerte worden - en met dat dialect de Marokkaanse lezer - heeft eenpaar angry young men nodig, deze gevestigde eind-dertigers warendat in ieder geval niet.

Meer over