Zo gaan de dingen nu eenmaal

De vriendin van Ronaldo wordt al de koningin genoemd en in Rio de Janeiro zijn nauwelijks mensen te vinden die niet in voetbal zijn geïnteresseerd....

PAUL ONKENHOUT

OP DE DEUR van kamer 312 in het gebouw van de deelstaatregering van Rio de Janeiro is een sticker geplakt, met daarop de naam van de deputado. De tweede O is een voetbal.

Op een houten bordje bedanken de bewoners van Vila Isabel de geliefde afgevaardigde voor de steun aan hun gemeenschap. Naast de woorden is een staaf dynamiet getekend. Het lontje brandt.

En in de werkkamer van Roberto Dinamite hangt een groot, geschilderd portret van Roberto Dinamite, in het shirt van Vasco da Gama vanzelfsprekend.

Roberto Dinamite is politicus en oud-voetballer, maar toch vooral oud-voetballer. Hij was een explosieve speler die voor Vasco da Gama 754 doelpunten maakte en in de nadagen van zijn loopbaan nog één seizoen met Romario samenspeelde.

Zevenhonderdvierenvijftig doelpunten, geen wonder dat de club hem in 1986 erelid maakte.

De oorkonde hangt naast het schilderij, ingeklemd door foto's van hemzelf en tal van andere onderscheidingen. Dit zou ook, pakweg, de kamer kunnen zijn van een voetbaltrainer.

Nooit speelde Roberto Dinamite tijdens zijn lange loopbaan bij Vasco en de nationale ploeg van Brazilië met de gedachte om de politiek in te gaan. Pas toen de sociaal-democratische partij PSDB hem polste, 'er was behoefte aan geloofwaardige mensen zoals ik', bedacht hij dat het hem wel wat leek, de politiek.

Prompt werd hij gekozen in de gemeenteraad van Rio de Janeiro. Sinds 1994 maakt Roberto Dinamite deel uit van het deelstaatparlement. Hij kreeg 68.516 stemmen. Slechts één politicus was populairder, zegt Roberto Dinamite.

De vraag waarom hij zo populair is in Rio, is inmiddels beantwoord. Hij was voetballer, en een goeie ook. Een videoband met hoogtepunten uit zijn loopbaan, Dinamite - A vocaçao do Gol, is kort geleden op de markt gebracht.

De band wordt aangeprezen op de achterzijde van een van zijn verkiezingsfolders. Op de voorzijde wordt bericht dat Roberto Dinamite de strijd tegen aids heeft ingezet.

De scheidslijn tussen voetbal en politiek is volgens deze aantrekkelijke veertiger met zijn geverfde haren, dure kostuum en gouden sieraden, maar dun.

'Als voetballer was ik een idool. Na een loopbaan vol triomfen was ik op zoek naar nieuwe veroveringen. Als voetballer gedraag ik me niet anders dan als politicus. Ik ben eerlijk, toegewijd en integer. En als voetballer was ik ook eerlijk, toegewijd en integer. Daarom hebben de mensen voor mij gekozen.'

Begrijp hem goed, in tegenstelling tot zoveel andere politici in Brazilië behartigt hij de belangen van de kiezers niet om er zelf beter van te worden. 'Dankzij het voetbal was ik al rijk.'

Maar wáárom, vraag ik, zou ik bij de volgende verkiezingen moeten stemmen op Roberto Dinamite?

Roberto Dinamite: 'Omdat ik weet wat de wensen van het volk zijn.'

Zonder dralen geeft hij toe dat het imago van een kandidaat in dit land zwaarder weegt dan diens politieke denkbeelden. Niet voor niets zijn twee andere beroemde oud-spelers, Pelé en Zico, minister van sport geweest. Maar op zijn gezag noteer ik dat Roberto Dinamite de éérste voetballer was die politicus werd.

De precieze rol van het voetbal in Brazilië is me nog niet geheel duidelijk. Maar dit is een begin.

Plotseling realiseer ik me dat Ronaldo, als hij zich beschikbaar zou stellen, bij de volgende verkiezingen zonder twijfel door een overgrote meerderheid van de bevolking zou worden gekozen tot president van Brazilië.

Koning van het op drie na grootste land ter wereld is Ronaldo al. Heilig ook trouwens. Hij is Santo Ronaldo. Zijn vriendin, Susana Werner, is koningin, blond en ook al een beetje heilig.

Zelfs een serieuze krant als O Globo noemt haar 'de eerste dame van het Braziliaanse voetbal' en huilt paginagroot met haar mee als ze zich er over beklaagt dat haar vriend in Milaan zo vaak van huis is.

Toch heeft ze geluk gehad: Ronaldo kan héél veel meisjes krijgen, zegt Nelinho, zijn broer.

En hij dan? Nou, eerlijk gezegd, sinds zijn broer zo beroemd is, heeft hij zelf ook niets meer te klagen.

Nelinho draagt vandaag een T-shirt met het opschrift Planet Hollywood Barcelona. Op zijn broek, kousen en schoenen prijkt het logo van Nike, de sponsor van zijn broer.

Hij is een jaar ouder dan Ronaldo. De gelijkenis is treffend, op de gestalte na. Nelinho is lang niet zo atletisch als zijn broer.

Toch wordt hij vaak aangezien voor Ronaldo. Hij laat het dan maar zo. 'Soms willen de mensen niet luisteren. Dan deel ik maar handtekeningen uit. Hier valt het wel mee, maar in Nederland, daar dacht iedereen dat ik hem was.' Nelinho is een aardige jongen.

Hij is gestopt met een studie diergeneeskunde. Op kosten van zijn broer studeert hij nu immunologie.

We hebben met Nelinho afgesproken in Jacarepagua, in het grote huis met zwembad dat Ronaldo heeft geschonken aan Sonia, zijn moeder. Zijn ouders zijn gescheiden.

Op de huishoudster na is er niemand thuis. Ze doet open, brengt glazen water en laat ons alleen.

Muziek van Madonna schalt door het huis. Het geluid is afkomstig uit de schatkamer die Sonia heeft ingericht. Waar je ookt kijkt, overal zie je Ronaldo, of prijzen die hij heeft gewonnen.

Ronaldo op de foto met Edgar Davids. Ronaldo in Volendammer kostuum. Ronaldo samen met Harry Vermeegen. Ronaldo op de voorkant van de Playboy. Ronaldo op de voorkant van Voetbal International.

Ronaldo als kind.

Ronaldo als puber.

Ronaldo als man.

En één foto, in dat grote, mooie, ommuurde huis, van Nelinho, als discjockey.

Hij begroet ons vriendelijk en gaat ons met de auto voor naar Bento Ribeiro, naar de Rua General Cesar Obino. Daar blijkt dat het idee om de oude woning van Sonia en haar drie kinderen te bekijken, niet origineel is.

Een Amerikaanse cameraploeg is net verdwenen. De Noorse verslaggevers zijn er nog wel.

Zo ongeveer één keer per maand keert Nelinho terug naar Bento Ribeiro om journalisten de plek te laten zien waar alles is begonnen. Aan oude vrienden die bereid zijn herinneringen aan Ronaldo op te halen, geen gebrek. Zo langzamerhand heeft iedere jongeman in de wijk vroeger gevoetbald met Ronaldo.

De nieuwe bewoners van het kleine huisje waar de familie Nazário de Lima tot 1993 woonde, kijken allang niet vreemd meer op als zwetende buitenlandse mannen in lange broeken hun woning inspecteren. Gretig beantwoorden jeugdvrienden uit de wijk vragen.

Ze herinneren zich Ronaldo als een rustige jongen die een hekel had aan school. Dat hij zó goed zou worden, dat hadden ze nooit gedacht. Het opvallendst aan hem was dat hij altijd voetbalde. Zij wilden wel eens iets anders doen, maar Ronaldo niet, die voetbalde, dáár, op straat, bij die huizen.

Hij is zijn vrienden uit Bento Ribeiro niet vergeten. Soms neemt hij ze wel eens mee naar een discotheek of restaurant, zoals met Kerstmis. Nee, over Ronaldo geen kwaad woord.

Nelinho: 'Voor mij is het leven alleen maar beter geworden.'

Geldt dat voor zijn broer ook, de op 21-jarige leeftijd al heilig verklaarde Ronaldo? 'Niet in alle opzichten. Hij is zijn vrijheid kwijt.'

Eén jeugdvriend, Carlos Peixoto Magelhaes, neemt afscheid. Hij heeft dienst in het Maracana, het stadion waar vanavond Brazilië met Ronaldo tegen Argentinië speelt, en moet zich haasten want op de brommer is hij een uur onderweg.

Ronaldo is profvoetballer geworden, Carlos brandweerman, zo gaan de dingen nu eenmaal.

Ik vraag Fernando Horacio da Matta of er ook Brazilianen bestaan die voetbal relativeren. Die, bijvoorbeeld, niet in het minst zijn geïnteresseerd in de verrichtingen van de Seleçao tijdens het komende wereldkampioenschap en niet heet of koud worden van Ronaldo.

Nee, zegt Fernando, die zijn er niet, nou ja, misschien een enkeling, maar hij kent ze niet.

Brazilië heeft ruim 150 miljoen inwoners en Fernando is voetbalcommentator van het grootste financiële dagblad van Brazilië, Gazeta Mercantil. Sinds een enquête uitwees dat een enorme meerderheid van de lezers naast het financiële nieuws ook over voetbal wil lezen, schrijft hij een column.

Het was vanzelfsprekend dat hij daarvoor werd gevraagd. Fernando was eerder chef-sport van Jornal do Brasil en schreef jubileumboeken voor drie clubs in Rio, Fluminense, Flamengo en Vasco da Gama.

Voetbal, zegt Fernando, schenkt de Brazilianen respect en eigendunk. Voetbal is hier geen spel, voetbal is hier passie en wie het niet serieus neemt, is zelf ongeloofwaardig.

'Wij hebben nooit een oorlog gewonnen. En Nobelprijs-winnaars hebben we ook niet. Maar Brazilië heeft het voetbal. Dit land heeft in de wereld geen goede reputatie. Alleen het voetbal kan ons eerherstel schenken.'

Hij is het eens met de Braziliaanse antropoloog Roberto Da Matta die schreef dat het voetbal een metafoor is van de ideale samenleving, en daarom in zijn land zo populair is. Een voetbalwedstrijd is als het leven zelf.

De spelregels zijn voor iedereen, arm of rijk, zwart of blank, hetzelfde. Ieders kansen om te winnen zijn gelijk, iedereen kan pech hebben, of geluk, het is maar wat God met de spelers voorheeft.

Onrechtvaardigheid bestaat niet, op een voetbalveld. En in Brazilië, een bontgekleurde natie, komt daar nog iets anders bij: 'Voetbal is de enige plek waar de rassen zich zonder problemen mengen.'

Volgens Fernando heeft Flamengo in Brazilië 35 miljoen aanhangers. 'Zoveel mensen wonen er in Argentinië! Het is drie keer het inwonertal van Chili! Tien keer dat van Uruguay! Zeven keer dat van Paraguay'

Moet hij nog meer zeggen?

Nou, misschien iets over de specifieke stijl van het Braziliaanse voetbal. Hij wijst op de cruciale rol van zwarte spelers. 'Zij hebben speciale vaardigheden en geven daardoor ons voetbal een beslissende voorsprong. Blanke spelers hebben die geniale ingevingen, dat onvoorspelbare niet.'

Niet dat Fernando nou zou opgetogen is over de kwaliteit van het voetbal in zijn land. 'Wat is Ronaldo nou vergeleken met spelers als Cruijff, Puskas, Di Stefano en Pelé? Niets toch. Hij is lang niet zo behendig als zij waren. Ronaldo mág niet eens in dezelfde rij staan als Maradona en Pelé'

Toen Brazilië in 1994 wereldkampioen werd, wendde Fernando het hoofd beschaamd van het televisiescherm af. Dat een vriend coach van de nationale ploeg was, Carlos Alberto Parreira, verlichtte de pijn geenszins.

'Parreira was een lafaard en dat heb ik hem ook gezegd. Het was een schande dat Brazilië de finale met strafschoppen moest winnen.'

Fernando omschrijft zichzelf als een purist: als Brazilië niet mooi speelt, verliest hij liever. Als hij refereert aan het toernooi van 1994, spreekt hij over 'het vervloekte WK'.

Ik moet goed begrijpen dat Fernando een Braziliaan is, hij houdt van samba, vrouwen, zon en drank, zoals alle Brazilianen, maar van resultaten houdt hij niet.

'Het gaat om het gevoel, niet om de resultaten. In 1982 werd Brazilië geen wereldkampioen, maar als ik somber ben, denk ik aan dat elftal. Dát was Brazilië.'

Als ik hem vertel dat Tostao er precies hetzelfde over denkt, zegt Fernando dat hij daar zéér trots op is.

Eduardo Gonçalves de Andrade, kortweg Tostao, is de voormalige adjudant van Pelé. In 1970 maakte hij deel uit van het magistrale Braziliaanse elftal dat in Mexico wereldkampioen werd.

Wie hem er om vraagt, krijgt zijn telefoonnummer, zomaar. Altijd mag hij worden gebeld, want over voetbal raakt hij nooit uitgepraat.

Hij heeft er zijn beroep van gemaakt: hij schrijft een column in Jornal do Brasil en is televisiecommentator. 'Ik praat de hele dag over voetbal.'

Tostao is een kleine, blanke man met een uitgesproken mening. Toen Brazilië in 1994 wereldkampioen werd, voelde hij slechts verdriet. 'Zoals alle supporters. Wij willen dat Brazilië mooi voetbal speelt, én wint. Met minder zijn we niet tevreden.'

Maar Parreira, werp ik tegen, moest toch een compromis vinden tussen schoonheid en resultaat?

Nee, nee, nee, zegt Tostao. Cruciaal zijn de individuele kwaliteiten van spelers, de vaardigheden die in geen enkel script staan. 'Ik verzoen me niet met de gedachte dat een elftal een collectief moet zijn dat speelt zoals de coach het voorschrijft. Individuen geven de doorslag.'

Evenals Fernando is hij somber gestemd over de titelkansen van Brazilië. 'We hebben maar twee, drie goede spelers. De rest is middelmatig. Zonder Ronaldo en Roberto Carlos, en in mindere mate Romario en Denilson, blijft er niets over.'

Niets?

Niets!

'Hier denkt iedereen altijd maar dat er wel vier, vijf selecties van gelijke sterkte kunnen worden samengesteld. Dat is grote onzin.'

Een cultuuromslag bedreigt volgens Tostao het Braziliaanse voetbal. Om zijn woorden kracht bij te zetten, wappert hij met zijn handen. De kleine man met de grote bril is bezorgd.

'Wat was de grote kracht van het Braziliaanse voetbal? De arme kinderen! En dit is een groot land, met veel arme kinderen. Maar de laatste jaren krijgen ze geen kansen meer. Hun talenten worden genegeerd. Ouders moeten rijk zijn om hun kind bij een club te laten spelen. Voor miljoenen mensen zijn de opleidingen van de clubs onbetaalbaar. Voetbal wordt een sport van de rijken.'

En dan is er nog iets anders, zegt Tostao.

Ruimte om te voetballen hebben kinderen in een stad als Rio de Janeiro nauwelijks nog. Elk stuk grond wordt bebouwd.

'Er kan niet meer worden gespeeld. Het gevolg is dat de kinderen zich op straat moeten vermaken.'

En dat is erg.

'Want dan gaan ze drugs gebruiken. Of ze worden boef.'

Tweeëntwintig jongens van wie de ouders hopen dat ze geen boeven zullen worden, in kleur variërend van bruin tot zwart, staan op een rij, naast een voetbalveld zonder gras.

Hun ogen glinsteren. Ze worden toegesproken door Joao Jorge die hier door iedereen JJ, Zjotta-Zjotta, wordt genoemd.

JJ maakt de opstellingen bekend. De lichting 1986-'87 is net uitgespeeld, de groep 1984-'85 van de 120 leerlingen tellende voetbalschool Nova Safra, Nieuwe Oogst, begint zo dadelijk aan een wedstrijd.

Zonder uitzondering zijn de kinderen die JJ toelaat op zijn voetbalschool op de Aterro do Flamengo, straatarm, mager, klein voor hun leeftijd en talentvol, zoals Rodrigo Paulo Cesar Brandau.

Vanochtend is hij met zijn vader om zes uur opgestaan en om half zeven op de bus gestapt. Onderweg moest hij één keer overstappen. Om acht uur stond hij op het veld. Een kaartje voor de heen- en terugreis kost zes realen, zo'n twaalf gulden.

De meeste kinderen hebben een soortgelijke reis achter de rug. Ze zijn afkomstig uit de sloppenwijken en arme delen van de stad, ver weg van het centrum.

Klagen doen ze niet, integendeel: wie wordt toegelaten tot de school van JJ, heeft geluk gehad. JJ laat de kinderen niets betalen.

Rodrigo zit van elf tot drie uur op school. Zijn vader verkoopt in een caravan snacks, worstebroodjes en zo. Rodrigo wil net zo goed worden als Ronaldo.

'Ik wil héél goed spelen en dan hoop ik dat iemand me meeneemt naar het buitenland.' Iedereen op school kent de jongens van Nova Safra die bij Feyenoord op bezoek zijn geweest. Feyenoord schenkt de school twee vliegtickets per jaar.

En als Rodrigo nou eens niet goed genoeg is voor een loopbaan in het buitenland? 'Dan ga ik bij Botafogo spelen.'

En als dat ook niet lukt? 'Dat lukt wel.'

Zijn vader mengt zich in het gesprek. 'Hij houdt alleen van voetbal, niet van leren.'

Rodrigo heeft twee vrienden uit de wijk mee naar het veld genomen. Een van hen mag volgende week terugkomen, de ander niet, wegens gebrek aan talent. JJ is onverbiddelijk: 'Ik mag een kind niet bedriegen.'

JJ is een zestiger die de belangstelling heeft gewekt van de Braziliaanse media. Wat is dat voor een man die, zonder vergoeding, straatarme kinderen uit Rio de Janeiro op zaterdagen en zon- en feestdagen wedstrijdjes laat spelen, op een veld dat ligt ingeklemd tussen twee drukke wegen?

Een idealist?

Of een wolkenridder?

Ik hou het op het eerste. JJ is bijzonder openhartig, welbespraakt en strijdvaardig bovendien.

'Ik hunker er de hele week naar om hier te zijn. Ik weet niet wat ik met mijn leven zou moeten doen zonder de school. Na mijn scheiding hebben mijn drie kinderen en de school me op de been gehouden.'

JJ wil ruwe edelstenen pakken en geduldig slijpen tot een diamant.

JJ wil 'goede mensen' van de jongens maken. 'Want voetballer ben je maar even, mens altijd.'

JJ wil 'de gruwelijke chaos' in het Braziliaanse voetbal te lijf gaan.

'Niets reflecteert de Braziliaanse samenleving zo goed als het voetbal. De chaos in de maatschappij zie je daarin terug. Overal is corruptie, dus ook in het voetbal. Bij de clubs krijgen de jeugdtrainers een hongerloontje. Dus wat doen ze? Ze nemen geld onder de tafel aan. Ze zijn zakenman geworden. In ruil voor geld of een percentage van een eventuele transfersom stellen ze kinderen op.'

Zijn kinderen zijn déze kinderen. JJ heeft ze lief: 'Deze jongens hebben niet eens geld genoeg om de bus te betalen. De beste spelers wonen in de sloppenwijken, maar in Brazilië kijkt niemand naar ze om. Alle kinderen willen voetballen, maar ze krijgen er geen gelegenheid en ruimte voor.'

Een vrouw onderbreekt het gesprek. Ze wil een plek op de voetbalschool voor haar zoon die stilletjes schuin achter haar zit.

Alleen als hij goed is, zegt JJ. De moeder: 'Ja ja, en als hij goed is, gaat hij naar het buitenland.'

JJ vraagt door. De moeder zegt dat haar zoon zich schaamt. JJ: 'Als hij goed kan voetballen, schaamt hij zich niet. Goede voetballers schamen zich nooit.'

Plotseling schiet iedereen in de lach, JJ, de moeder en haar verlegen zoon. Ik vraag wat JJ heeft gezegd.

'Een goede neuker schaamt zich nooit voor zijn pik.'

JJ neemt afscheid met een handdruk én de twee woorden Engels die hij kent, my en friend. Hij loopt tijdens de wedstrijd het veld op, de kant op van de jongen van wie ik het meest ben gecharmeerd. JJ heeft al gezegd dat hij inderdaad talentvol is, maar onvoldoende moed heeft.

Als de jongen wordt aangevallen door een veel grotere tegenstander, deinst hij terug. JJ wendt woede voor en schreeuwt het uit. Het joch kijkt verschrikt.

Wie in dit land de top wil halen, zegt JJ, mag zijn been nóóit terugtrekken.

Paul Onkenhout

Met medewerking van Ineke Holtwijk.

Meer over