COLUMNPeter Winnen

Zijn onderbewuste had, uitkijkend op een voorband, de beslissing voor Marcel Kittel genomen: het was op

null Beeld

Hij trapte in een sprint met gemak 1.000 watts weg. Daarbij gedroeg hij zich doorgaans niet als een skiër die tussen de poortjes door slalomde. Rechtdoor was de kortste en de snelste weg. Wie Marcel Kittel tegenkwam deed sowieso liever een pas opzij. Tegen het gietijzeren pantser reed een mens zich makkelijk te pletter. Wanneer de helm af ging kwam een blonde, gesteven kuif tevoorschijn als symbool van onoverwinnelijkheid.

Vorig jaar, midden in het seizoen, stopte Marcel Kittel abrupt met wielrennen. Op zijn 31ste. In zijn geval kun je je de vraag stellen of het pás op zijn 31ste moet zijn, of ál op zijn 31ste. Hij is een gevoelige jongen die eerder in zijn carrière te pletter was gelopen tegen de mores in wielerland.

Zijn laatste koers was de Scheldeprijs. Ik zat voor de televisie en zag hem als een beginneling uit het wiel gereden worden in de finale, terwijl de leiding van Katusha-Alpecin hem bevolen had de massasprint te winnen. Die avond schrijft hij in zijn dagboekje: ‘Je hangt als een halfdode met brandende benen en een nare hoge pols op je fiets en je kijkt naar je voorband’. Ik vermoed dat hij zich er nog niet van bewust was dat de Scheldeprijs zijn laatste koers was. Zijn onderbewuste had, uitkijkend op een voorband, de beslissing voor hem genomen: het was op.

In Cycling Weekly stelt Kittel vorige week dat hij weer gelukkig is. Hij studeert economie, is pas vader geworden, en de transitie naar ‘het normale’ leven verloopt gladjes. Het was precies het juiste moment geweest om te stoppen en dat moet niet als een zwakheid gezien worden. Hij was gewoon op de verkeerde plek.

Wielrennen is een reis van vermoeidheid naar vermoeidheid. Ik herinner me uit mijn dagen in het peloton dat, hoewel de feestdagen me gestolen konden worden, december de enige maand van het jaar was dat ik me uitgerust voelde. Marcel Kittel noemt het wielrennen een sport waarin het de bedoeling is om zo vermoeid mogelijk te raken, zowel fysiek als psychisch. Probleem is alleen dat je daar niet over mag nadenken. Je gevoeligheden uiten is helemaal taboe, al lijkt er volgens hem verbetering in te zitten.

Is de wielersport dan zo’n masculien bolwerk dat het er onmogelijk is gevoeligheden te bespreken? Ik heb niet de indruk dat ik in de jaren tachtig in een ijzeren korset was geperst. Als er maar gewonnen werd, met of zonder gevoeligheden. Sentimentaliteit was eerder een pré, al was sentimentaliteit aan voorschriften gebonden.

Vermoeidheid maakt kwetsbaar, zegt Kittel. De teams moeten een omgeving creëren waarin iedere coureur zijn kwetsbaarheid kan neerleggen. Dat een gevoelig mens als hij zo’n imposante erelijst kon opbouwen is het bewijs dat humane ploegen bestaan.

Meer over