Zelfs ’meneer 60 procent’ Riis kan niet langer liegen

Oud-wielrenner Bjarne Riis heeft als eerste Tourwinnaar toegegeven dat hij zijn successen te danken had aan doping. Als ploegbaas van CSC is zijn geloofwaardigheid zwaar aangetast...

Zijn gele trui uit de Ronde van Frankrijk van 1996 heeft hij opgeborgen in een kartonnen doos. „Ze mogen hem komen halen.” Bjarne Riis verklaarde gisteren in Lyngby dat hij zich niet meer als een waardig winnaar van die Tour beschouwt. De 43-jarige Deen vertelde dat hij zijn successen als renner heeft opgebouwd met doping, vooral epo. Het was ’deel van het dagelijks leven als renner.’

Een schok kon het niet meer zijn. Deze week bekenden zes oud-collega’s uit het Team Telekom uit de jaren negentig gebruik van verboden middelen. Riis kon niet langer zwijgen. Net als Erik Zabel en Rolf Aldag eerder bood ook hij zijn excuses aan voor jaren liegen. Tussen 1993 en 1998 heeft hij doping gebruikt. Hij nam alle verantwoordelijkheid voor zijn daden. „Ik ben trots op mijn resultaten hoewel ik niet eerlijk ben geweest. Ik doe dit nu voor een betere toekomst van de wielersport.”

Riis was al jarenlang het schrikbeeld van de enorme invloed die het dopingmiddel epo had op de resultaten in de wielersport. De Deen was jaren een bescheiden renner met weinig talent. In 1993 begon hij bij de zeer beruchte Gewiss-ploeg met epo. De ploegarts Michele Ferrari, de latere trainer van Lance Armstrong, vond epo net zo onschuldig als sinaasappelsap. Riis zette zijn praktijken door toen hij in 1996 bij Telekom kwam. In het peloton werd hij ’Meneer 60 procent’ genoemd.

Dat sloeg op zijn extreem hoge hematocrietwaarde, die het volume van de rode bloedcellen weergeeft. Bij een normaal mens schommelt die tussen de 40 en 50, Riis voerde die kunstmatig op. En hij ging volgens oud-verzorger Jef D’hont levensgevaarlijk ver. In zijn vorige maand verschenen memoires noemt de Belg Riis ’een grootverbruiker’ die geen gevaren zag met het toen niet opspoorbare epo.

In de Tour van 1996 spoot hij elke twee dagen eenheden epo en groeihormoon in, zijn hematocrietwaarde liep zelfs op tot 64. Volgens D’hont kon Riis zijn vingers amper nog bewegen en was zijn lichaam verkrampt. „Zijn bloed was slijmerige stroop geworden, zo dik dat hij elk moment kon overlijden aan een hartstilstand.”

Op de fiets was hij griezelig sterk. In de Pyreneeënrit naar Hautacam vernederde de farmaceutisch opgepompte Deen zijn rivalen. Hij werd een nationale held en schatrijk. In 1997 won hij de Amstel Gold Race en hielp hij Ullrich aan de Tourzege. In 1998 ontpopte hij zich als de woordvoerder van het peloton, dat staakte uit protest tegen de ’schandalige’ dopingjacht van de Franse justitie.

Als ploegleider werd hij ook omstreden. Hij vierde zijn eerste successen met Laurent Jalabert, ook een kampioen van de epo-generatie, en de in 1996 betrapte Tyler Hamilton. Riis bracht ook Ivan Basso naar de top. Toen vorig jaar bekend werd dat de Italiaan met dopingarts Fuentes had gewerkt, zei Riis van niets te weten. Riis en Basso hadden dezelfde trainer in Italië, de omstreden Cecchini. Volgens de Deen behaalde hij vooral successen door zijn onconventionele aanpak waarin teambuilding centraal staat. Dit jaar haalde hij de Deense dopingjager Ramsus Damsgaard bij zijn CSC-ploeg, om interne controles te houden.

Zelf kon hij niet langer liegen over zijn eigen verleden, na alle onthullingen. „Ik doe dit in het belang van mijn ploeg”, zei hij. Hij pleitte voor een sluitend controlesysteem, zodat renners niet meer in de verleiding komen. Maar zijn geloofwaardigheid als toonaangevend ploegleider is door zijn jarenlange leugens niet groter geworden.

Hij is de eerste Tourwinnaar die doping toegeeft. Zijn zege blijft staan, de verjaringstermijn voor doping is verstreken. Maar Riis zal met onder anderen Pantani de geschiedenis ingaan als de aanvoerder van een generatie die glorieerde in een tijd waarin wielrennen een chemische danse macabre was, op leven en dood.

Meer over