AchtergrondHandbal

Wereldkampioenen van het handbal zijn weer bijeen in eigen land

Voor het eerst sinds het behalen van de wereldtitel (eind 2019) zijn de handbalvrouwen weer bij elkaar. Uit heel Europa zijn ze naar Nederland gekomen om zich voor te bereiden op oefeninterlands tegen Duitsland.

De Nederlandse Kelly Dulfer in actie tijdens de wedstrijd tegen Rusland, 13 december 2019.Beeld Hollandse Hoogte / AFP

De handbalzomer bracht slechts ellende voor de nationale vrouwenploeg, de regerend wereldkampioen. Naast het uitstel van de Olympische Spelen en de moeizame omgang met de coronacrisis waren er ernstige knieblessures voor de twee spelmakers van het Nederlands team, de gelouterde Estavana Polman en het kwikzilveren talent Delaila Amega.

Polman scheurde de voorste kruisband van de knie in juli in training, bij Amega (Borussia Dortmund) gebeurde dat in september in het Champions League-duel met Brest. De gedeeltelijk ontmanteling van de opbouwrij in het nationale team is een probleem dat moet worden opgelost door de Franse bondscoach Manu Mayonnade.

Zijn voornaamste opbouwschutter, WK-topscorer Lois Abbingh, zegt twee dagen voor de ‘oefendubbel’ tegen Duitsland het probleem te zien, maar te rekenen op de creativiteit van haar teamgenoten. Abbingh: ‘Ja, de afwezigheid van met name Estavana is een groot gemis. Maar we zijn gewend aan aanpassingen. Vanaf het stoppen van Yvette Broch en daarna Nycke Groot en Maura Visser zijn we telkens tijdens grote toernooien aan het bijsturen geweest.

‘We hebben geleerd flexibel te zijn. Dat kan onze ploeg aan. Op het EK van eind dit jaar hebben we twee weken om aan deze nieuw ontstane situatie te wennen. Dat lukt. Wij kennen elkaar al heel lang. We zijn, bij de Handbal Academie, allemaal op dezelfde manier opgeleid. We weten van elkaar hoe er gespeeld moet worden.’

Abbingh die bij het gewonnen WK in Japan op de linkeropbouw en de middenpositie, die van spelverdeler, voortdurend wisselde met intuïtiehandbalster Polman, zal de komende tijd veel samen spelen met Kelly Dulfer. Zij was in de nationale ploeg vaak de superverdediger – de beste van de wereld zelfs – en ook tijdelijk vervanger aan de cirkel, het worstelgebied op zes meter van het doel.

Dulfer, door coaches uitgeroepen tot handbalster van het jaar in Duitsland, krijgt dan in het oranje shirt dezelfde plek als bij haar club, Borussia Dortmund. ‘Bij mijn clubteams heb ik heel lang altijd op die positie van linkeropbouwer gespeeld. En vorig jaar op het WK heb ik op die plek ook veel minuten gekregen. Daarvoor bekleedde ik in de nationale ploeg andere rollen. Dat was logisch. Het had te maken met de enorme concurrentie op die plek. Polman, Abbingh, Maura Visser, Nycke Groot.

‘Toen Nycke stopte (in 2018, red.) kwam er een plaats vrij in de opbouw. En nu Estavana en Delaila zijn uitgevallen komt er veel ruimte voor mij om op te vullen. Ik denk toch wel dat ik een van de speelsters ben die heel veel gaat spelen. Het gaat de laatste tijd lekker. Laura van der Heijden en ik maakten vorig seizoen in de Duitse Bundesliga de meeste goals. Op het ranglijstje zonder strafworpen. Wij eindigden beiden op 96.’

Stevige duels 

In de naar de ziekenboeg leeggelopen rij van afstandsschutters gaat de pas 20-jarige Larissa Nusser een plaats innemen. De Limburgse, dochter van oud-international Harold, speelt indrukwekkend goed voor het Deense Kopenhagen en heeft haar favoriete positie op het oog: de middenopbouw. ‘Dat is de beste plek voor mijn speelwijze. Ik ben geen afstandsschutter. Ik zoek het een-tegen-een duel op, aan de cirkel, om van dichtbij te schieten. Dat is voor mijn lengte de beste rol.’

Nusser wijst als jonkie van dienst graag op twee meer ervaren speelsters die ook op die centrale aanvalsplek van grote waarde kunnen zijn. ‘We hebben nog Inger Smits en Jessy Kramer die daar kunnen spelen. We zullen deze week, met de twee oefenwedstrijden tegen Duitsland, een beetje proberen hoe het werkt in die nieuwe samenstelling.’

Alle speelsters zijn voorzichtig in de benadering van de ongetwijfeld stevige duels tegen Duitsland, geleid door hun ex-coach Henk Groener. Het heeft te maken met de naweeën van de lockdown in maart, april en deels mei. Abbingh: ‘In die periode ben ik voor het eerst in veel jaren echt helemaal uitgerust. Ik was van mijn pijntjes af, die nu weer allemaal terug zijn hoor. In juli ben ik in Odense (Deense topclub, red.) begonnen, maar waar je normaal op 80, 90 procent van je conditie de voorbereiding aanvangt, was nu iedereen op 30, 40 procent van zijn optimale conditie. Ik liep een bovenbeenblessure op. Kostte me vier, vijf weken.’

Nusser: ‘In Denemarken mochten we een hele tijd niets doen. Toen ben ik voor vier maanden terug naar Nederland gegaan. Ik probeerde thuis te trainen, handbalacties te maken, maar zulke werk in de tuin is toch anders dan dat je echt handbal speelt. Ik ben zonder blessures, afkloppen maar.’

Dulfer: ‘Wij mochten bij Dortmund best lang doortrainen in de crisis. In Duitsland is alles best goed. Eigenlijk is alleen het dragen van een mondkapje anders dan wat Nederland doet. Wel reizen we als handbalploeg veel. Met de bus naar Denemarken, we troffen Odense in de Champions League. Daarna met het privévliegtuig van de voetbalclub Borussia naar Kroatië. Extra veilig. In de wedstrijd mag je alles. Maar ervoor en erna is het heel veel afstand houden. Het knuffelen voor de wedstrijd, ja echt een ritueel in handbal, is nu niet meer aan de orde. Wij speelsters zagen elkaar dik negen maanden na het gewonnen wereldkampioenschap hier op Papendal voor het eerst, maar het was afstand houden. Op 1,5 meter met elkaar praten, schreeuwen bijna, maar best gezellig hoor. Maar bij de trainingen mag vervolgens weer alles. Praten, aanraken.’

Meer over