AnalyseSchaatsen

Welke schaatsers staan klaar om bij de Spelen van 2026 in de sporen van Wüst te treden?

Schaatsers prolongeren hun olympische titels zelden. In Beijing lukte het alleen Kjeld Nuis en Ireen Wüst. Nuis hoopt er over vier jaar in Milaan nog bij te zijn, ook al is hij dan 36. Wüst is gestopt. Wie zijn de kampioenen van 2026?

Erik van Lakerveld
De Noorse Ragne Wiklund (21) heeft de leeftijd en het talent om op de Spelen van Milaan nadrukkelijk te strijden om de medailles. In 2021 werd ze wereldkampioen op de 1.500 meter.  Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant
De Noorse Ragne Wiklund (21) heeft de leeftijd en het talent om op de Spelen van Milaan nadrukkelijk te strijden om de medailles. In 2021 werd ze wereldkampioen op de 1.500 meter.Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Zes van de negen olympisch kampioenen van Beijing sloten het schaatsseizoen bij de wereldbekerfinale in Thialf winnend af, maar de kans dat zij die onoverwinnelijkheid zullen behouden is klein. Schaatsen is als de aandelenbeurs: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

Een blik op de olympische uitslagen van deze winter zegt genoeg. Slechts twee schaatsers wisten in Beijing hun titels uit 2018 te verdedigen: Ireen Wüst en Kjeld Nuis. De overige winnaars in Beijing stonden vier jaar eerder in Pyeongchang niet op de hoogste podiumtrede. Wat zegt dat over de Spelen van 2026, in Italië? Wie zouden er dan de gouddelvers kunnen zijn?

Dat er ruimte komt voor nieuwe kampioenen bij de Winterspelen in Milaan en Cortina d’Ampezzo is duidelijk. Wüst en de Zweed Nils van der Poel reden afgelopen weekeinde in Thialf hun laatste schaatswedstrijd. Zij zullen hun titels hoe dan ook niet verdedigen.

En dat iemand als Irene Schouten, goed voor driemaal goud in Beijing, over vier jaar weer de scepter zwaait is geen zekerheid, hoe dominant ze afgelopen seizoen ook was. Het behalen van titels op opeenvolgende Spelen is maar weinigen gegeven. In deze eeuw slaagden naast Wüst en Nuis alleen Sven Kramer, Jorien ter Mors en de Tsjechische Martina Sablikova erin om zichzelf als kampioen op te volgen.

Wie naar de profielen van de regerend kampioenen kijkt, kan concluderen dat olympisch succes aan ervaren schaatsers toevalt. En dat de beste leeftijd tegen of net voorbij de 30 jaar ligt. De uitschieters naar beneden waren Gao Tingyu (24) en Van der Poel (25). Wüst was met haar 35 jaar veruit de oudste. Miho Takagi (27), Thomas Krol (29), Erin Jackson (29), Irene Schouten (29), Bart Swings (31) en Nuis (32) ontlopen elkaar wat leeftijd betreft niet veel.

Ervaring is een pre

Olympische ervaring is een pre. Die ervaring bij eerdere Spelen hoeft niet per se medailles te hebben opgeleverd. Swings, Gao, Schouten en Takagi behaalden al eerder een olympische podiumplaats, maar Jackson en Van der Poel reden in 2018 in de marge mee. Krol was de enige olympische debutant die goud veroverde in Beijing.

Voor een kijkje in de toekomst is het in de uitslagen van de afgelopen schaatswinter dus speuren naar schaatsers die erbij waren in Beijing, die over vier jaar zo’n 25 tot 30 jaar oud zijn en die ook al wat beloftevolle prestaties hebben laten zien. Bijvoorbeeld de Nederlandse sprintsters Jutta Leerdam (23) en Femke Kok (21), maar ook iemand als Ragne Wiklund.

De 21-jarige Noorse werd in 2021 verrassend wereldkampioene op de 1.500 meter in Heerenveen, maar lijkt net wat meer aanleg te hebben voor de langere afstanden. In Beijing behaalde ze zowel op de 3 als op de 5 kilometer de vijfde plaats. Bij de wereldbekerfinale was ze op de 3.000 meter bijna Schouten te snel af. Wiklund zag de Spelen in China nadrukkelijk als een toernooi om ervaring op te doen en heeft haar vizier op 2026 gericht.

Wisseling van de wacht. Ireen Wüst geeft na har laatste olympische race Jutta Leerdam een bemoedigende aai over de bol.  Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant
Wisseling van de wacht. Ireen Wüst geeft na har laatste olympische race Jutta Leerdam een bemoedigende aai over de bol.Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Dat geldt ook voor Wataru Morishige, de eveneens 21-jarige Japanse sprinter. Hij greep brons in Beijing, net als kampioen Gao, die in 2018 derde werd op de 500 meter. Morishige haalde afgelopen weekeinde bij de wereldbekerfinale tweemaal opnieuw de derde plek op de 500 meter en onderstreepte daarmee zijn talent.

Ook van de Amerikaan Jordan Stolz mag veel worden verwacht. Hij is over vier jaar pas 21, maar deed in Beijing als 17-jarige al wel ervaring op met de 13de plaats op de 500 meter en de 14de op de 1.000 meter. Op het WK sprint, twee weken na de Spelen werd hij vierde. En mocht het in 2026 nog niet lukken, dan heeft hij nog tijd genoeg om het in 2030 nogmaals te proberen.

De toekomstig olympisch kampioenen kunnen uit een bekendere hoek komen. Dat gold immers ook voor Takagi. Zij was in 2018 in Zuid-Korea al favoriet voor meerdere titels, maar maakte die verwachting toen niet waar. Pas in China slaagde ze eindelijk in haar jacht op goud, op de 1.000 meter.

Herkansing Patrick Roest

Wellicht zal Patrick Roest haar navolgen. Zijn plaaggeest in Beijing, Van der Poel, verwacht in ieder geval desgevraagd dat de Nederlander hem op de lange afstanden op zal volgen. En waarom niet? Van der Poel is er straks niet bij en Roest, die zilver overhield aan de 5 en 10 kilometer, is dan met 30 jaar nog zeker niet te oud.

Nuis ziet op de middellange afstanden de concurrentie toenemen vanuit Noorwegen. Hij verwacht veel van Peder Kongshaug, die als 20-jarige vierde werd op de olympische 1.000 meter en daarna ook nog even de vierde plek veroverde op het WK allround. En de 23-jarige Allan Dahl Johansson, die vooral op de 1.500 meter goed uit de voeten kan.

Maar vlak de Nederlander zelf ook niet uit. Nuis mag over vier jaar zelf 36 zijn, ouder dus dan net de afgezwaaide Wüst en Kramer, toch moet een derde gouden medaille op rij volgens hem nog kunnen. Hij is vast van plan om het ongelijk van de statistieken te bewijzen.

Meer over