achtergrond

Wat maakt dat geletruidrager Pogacar zich senang voelt bij hondeweer?

In de twee bergritten in de Ronde van Frankrijk van afgelopen weekend bloeide Tadej Pogacar, de 22-jarige leider in het algemeen klassement, op in de regen en de kou.

Tadej Pogacar tijdens de loodzware bergetappe van afgelopen zondag. Beeld AP
Tadej Pogacar tijdens de loodzware bergetappe van afgelopen zondag.Beeld AP

‘Ik weet zeker dat veel jongens vandaag hebben afgezien’, zei de geletruidrager na afloop van de rit op zondag toen hij zijn voorsprong op zijn concurrenten nog vergrootte. ‘Ikzelf maak me meer zorgen over de warme etappes die ons nog te wachten staan dan over de koude ritten. Ik zie op hete dagen meer af.’

Hoe kan het dat de ene renner klappertandde terwijl Pogacar onder aan de laatste klim doodleuk zijn jasje met lange mouwen uittrok en in zomertenue naar de finish snelde?

Het zou te maken kunnen hebben met zijn bloedvaten. Die zijn een van de elementen die bepalen hoe goed een mens tegen de kou kan, vertelt Hein Daanen, hoogleraar thermofysiologie aan de Vrije Universiteit. Als het koud wordt, trekken de bloedvaten samen om zo de lichaamswarmte vast te houden. Hoe goed dat gaat, verschilt van persoon tot persoon.

Bibberen

Ook bibberen is een manier waarop het lichaam de kou te lijf gaat. ‘Daar produceert je lichaam warmte mee, in rust zelf vier tot vijf keer meer dan wanneer je niet bibbert’, zegt Coen Bongers. Hij is als thermofysioloog vanuit Radboud UMC betrokken bij Thermo Tokyo, een onderzoeksproject dat de Nederlandse olympiërs moet helpen tijdens de hete dagen op de Zomerspelen in Japan.

Toch is het goed dat de Sloveen afgelopen weekend geen moment zat te bibberen. ‘Het rillen verlaagt de efficiëntie van de renner’, zegt Daanen. ‘Die wil al die energie in het fietsen steken.’ Gevaarlijk is het ook. Het is al lastig genoeg om van een Alpencol af te dalen als de kou je spieren en gewrichten wat stijver heeft gemaakt, helemaal hachelijk wordt het met bibberende handen aan het stuur.

Wat tegen Pogacars koudebestendigheid spreekt is zijn lichaamsbouw. Lichaamsvet speelt bij de tourrenners, die allemaal mager zijn, nauwelijks mee, maar wel de verhouding tussen spieren en huidoppervlak. Spieren functioneren als verwarming, de huid als koelelement. Wie gespierd en gedrongen is, produceert meer warmte en koelt minder snel af dan iemand die lang en dun is.

Spierweefsel

Met zijn pezige lijf heeft de geletruidrager relatief weinig spierweefsel en door zijn lengte wel een groot huidoppervlak. Dat betekent dat hij aardig wat warmte kwijtraakt. Dat is een nadeel ten opzichte van gespierde en kleinere coureurs, die hun warmte goed vasthouden.

Maar het belangrijkste? Het dikke gele jack dat Pogacar gedurende het grootste deel van de etappe droeg. Daanen: ‘Wij zijn tropische dieren. De enige echte methode die we tegen de kou hebben is kleding.’ Het beste, zeker in de omstandigheden van afgelopen weekend, is kleding die zowel de wind tegenhoudt als isoleert.

Er was nogal wat verschil te zien in de kleren die de renners droegen, zag Daanen. ‘Er is wel veel progressie gemaakt ten opzichte van de krant die de renners vroeger onder hun shirt propten, maar er is nog steeds een wereld te winnen.’ Pogacar had het goed voor elkaar en werd bovendien ook nog eens tot de slotklim uit de koude wind gehouden door ploeggenoten.

En dan de warmte? Daar zou Pogacar met zijn lichaamsbouw goed mee moeten kunnen omgaan. Dus klinkt het vreemd dat hij de hete dagen meer zegt te vrezen. Tegelijkertijd is hitte tijdens het sporten over het algemeen een stuk problematischer dan kou.

Marges

De lichamelijke marges zijn dan kleiner, legt Bongers uit. Een mens kan een behoorlijke daling van de lichaamstemperatuur aan, maar een verhoging is snel riskant. ‘Als je kerntemperatuur boven de 40 graden komt, loop je kans op een hitteberoerte.’

Als de lichaamstemperatuur te hoog wordt, grijpt het lijf in. ‘Dan remt het lichaam de inspanning met als doel een verdere stijging te beperken’, zegt Bongers. ‘Dit is natuurlijk zeer ongewenst voor het leveren van een topprestatie.’

Aan warmte kan een mens zich wel aanpassen. Wie bewust de hitte opzoekt, zet veranderingen in zijn lijf in gang en gaat bijvoorbeeld sneller en meer zweten. Bij kou werkt dat niet. Trainen in een koelcel, zoals Elfstedenschaatsers dat vroeger deden, heeft vanuit fysiologisch opzicht geen zin. Wel verandert blootstelling aan lage temperaturen de perceptie van kou. Het lijkt dan minder koud. Daanen: ‘Misschien traint Pogacar er wel op.’

De mentale weerbaarheid van de renner speelt ook een sleutelrol. En wie fit is, lekker in zijn vel zit en, zoals Pogacar, zijn concurrenten ziet zwoegen, voelt zich sneller senang in herfstachtige weer. Het verklaart zijn uitspraak, denkt Bongers. ‘Daar klinkt de moraal van de winnaar in door. Als hij een draak van een rit had gereden, had hij het misschien niet zo verwoord.’

Of de Sloveen zo kwetsbaar is in de hitte als hij zelf zegt, zal moeten blijken. Misschien al de komende week, als het peloton naar het zuiden van Frankrijk trekt en met hogere temperaturen te maken krijgt.

Meer over