SPORT

Wat haar bloed vertelt over Kromowidjojo

Voor de WK zwemmen in Doha zette hij zijn naald weer in vele oorlellen: Jan Olbrecht, inspanningsfysioloog. Geen Nederlandse zwemkampioen gaat het water in zonder dat hij hun bloed heeft gelezen.

Ranomi Kromowidjojo rekt zich uit voor een wedstrijd. Haar trainingsschema's zijn deels gebaseerd op de informatie van Jan Olbrecht. Beeld anp
Ranomi Kromowidjojo rekt zich uit voor een wedstrijd. Haar trainingsschema's zijn deels gebaseerd op de informatie van Jan Olbrecht.Beeld anp

Topzwemmers denken onwillekeurig aan hun oorlellen als ze Jan Olbrecht zien. Tientallen malen heeft hij daar bloed bij ze geprikt. Het rode vocht bevat een schat aan verborgen informatie. Als hij de code kraakt, vergroot hij de kans dat een zwemmer topprestaties levert.

Bloed heeft in de sport een kwalijke reputatie gekregen door illegale transfusies en verboden stimulerende middelen als epo. Olbrecht (56) is aan bloed verslingerd. In de druppels ziet hij de zwemmer. Wat zijn mogelijkheden zijn, wat hij nodig heeft aan training en rust, of de trainer aan zijn conditie of techniek moet werken: het bloed spreekt tot hem.

Pieter van den Hoogenband, Ranomi Kromowidjojo, Inge Dekker, Femke Heemskerk: sinds 1996 heeft de Vlaamse hoogleraar inspanningsfysiologie alle Nederlandse zwemkampioenen geanalyseerd. Dat geldt ook voor veel deelnemers aan de WK zwemmen in Doha, die vandaag beginnen. Zelfs de Australische zwemmers zitten in zijn computer sinds Jacco Verhaeren, de Nederlandse coach achter de vele olympische medailles, voor dat land werkt.

Jan Olbrecht, inspanningsfysioloog Beeld Frederiek Van de Velde
Jan Olbrecht, inspanningsfysioloogBeeld Frederiek Van de Velde

Naaimachine

Vier tot zes maal per jaar komt Olbrecht prikken. Hij stelt een antiek ogend apparaat met het formaat van een naaimachine op langs de rand van het zwembad. De zwemmers krijgen de opdracht 400, 200, 150 en 100 meter af te leggen, van relatief rustig tot snel. Na elke afstand staan ze via hun oorlel een beetje bloed af. Dat gaat het apparaat in. Er rolt een waarde uit in millimol, van de hoeveel melkzuur in het bloed. Die slaat Olbrecht op in de computer.

'Wat we nodig hebben, is bloed dat rechtstreeks uit het hart komt, het zogeheten arterieel bloed', zegt Olbrecht in het Amsterdamse Sloterparkbad, terwijl licht hijgende jongens en meisjes zich om beurten in hun oorlel laten prikken. 'Als je bloed uit het hart neemt, wordt de meting niet beïnvloed door de spier waar het bloed toevallig uitkomt. Je hebt een mooi gemiddelde van gans het lichaam.'

Olbrecht meet melkzuur, ook wel lactaat genoemd. De doctor spreekt liever van een tussenproduct. De hoeveelheid melkzuur in het bloed geeft een indicatie van de energie die een zwemmer heeft verbruikt tijdens het zwemmen. Heeft hij zich nauwelijks ingespannen? Zit hij stuk? Heeft hij reserves?

Energie

De lactaatmeting wordt in veel sporten gedaan. Olbrecht onderscheidt zich door niet alleen inzicht te verschaffen in de hoeveelheid energie die de zwemmer opwekt, maar ook in wijze waarop dat gebeurt. Hij laat zien hoe de 'motor' van de zwemmer werkt, wat de sterke en zwakke onderdelen zijn. En hij suggereert betere manieren om energie op te wekken.

Olbrecht: 'Een zwemmer kan denken dat hij de weg naar Rome heeft gevonden. Als ik zie dat hij via allerlei binnenweggetjes rijdt, stel ik een andere route voor die misschien beter is.'

Uit het bloed kan Olbrecht twee belangrijke getallen halen: de zogeheten VO2max, een indicatie voor iemands conditie, en de VLAmax, dat wat zegt over het gemak waarmee een sporter lactaat aanmaakt. Een juiste balans tussen beide waarden is essentieel om maximaal te presteren.

Via zijn computermodel kan Olbrecht voorspellen welke trainingen nuttig zijn: bijvoorbeeld meer aandacht voor conditie, meer voor techniek, via korte of juist lange sessies. Olbrecht: 'Het heeft geen zin te proberen een slot met een ronde sleutel te openen als het is bedoeld voor een platte sleutel. Wij kijken welk slot de zwemmer heeft, zorgen dat we de juiste sleutel vinden en geven die aan de trainer.'

Die sleutel is een niet te onderschatten hulpmiddel voor trainers. Veel objectieve informatie hebben ze niet om hun schema's mee te onderbouwen. Ze voelen niet wat zwemmers voelen. Ze vragen naar hun ervaringen, maar weten dat die per definitie gekleurd zijn. Zwemmers ervaren pijn en vermoeidheid verschillend, of gebruiken andere woorden om die te omschrijven.

Individu

Er bestaat wel fysiologische kennis over de reactie van het lichaam op inspanning, maar die is gebaseerd op gemiddelden. In de topsport telt het individu.

Olbrecht: 'Je hebt twee mogelijkheden. We doen duizenden metingen en zeggen: als de je dit doet in de training, dan is de kans dat de atleet zich op die manier aanpast, zoveel procent. Dat is statistiek, niet de beste manier om iemand naar de wereldtop te brengen. Op het podium staat geen gemiddelde, statistisch representatieve zwemmer. Het is de uitzondering die daar staat, de ene die net iets anders is en iets meer kan dan de gemiddelde zwemmer. Je moet dus zoeken naar het unieke van mensen en kijken hoe je de zwakke punten kunt verbeteren en de sterke kunt aanscherpen.'

Het bloedprofiel kan bijvoorbeeld aantonen dat twee zwemmers die de 100 meter vrije slag afleggen in een toptijd van onder de 50 seconden, toch zeer verschillend zijn. Olbrecht: 'Het kan zijn dat de een zijn lichamelijke mogelijkheden spectaculair uitbuit, terwijl de andere die tijd bij wijze van spreken zwemt met één been. Die kan beter. Je kunt nooit alleen afgaan op de wedstrijdprestatie. Er zijn mensen die goed zwemmen, maar met wie het misgaat zodra ze te veel trainen. Dan moet je dat dus niet doen, ook al doet de wereldkampioen dat wel. Door te kopiëren, ga je de fout in.'

undefined

Andere sporten

Olbrecht verricht ook melkzuurmetingen in andere sporten, zoals roeien, hardlopen en triatlon. Maar zijn hart ligt bij het zwemmen. Zijn vrouw en hij liepen deelname aan de Olympische Spelen van Moskou (1980) net mis. Hij stortte zich nadien op de wetenschap. Hij promoveerde in Duitsland aan de Sporthochschule van Keulen op het computermodel dat hij nog steeds gebruikt.

Zwemmen leent zich beter dan andere sporten voor zijn methode. Een binnenbad lijkt meer op een laboratorium dan een roei- of atletiekbaan. De omstandigheden zijn altijd dezelfde: geen wind of temperatuurverschillen. Daardoor zijn metingen makkelijker te vergelijken.

Hoe nauw het luistert, blijkt uit het feit dat Olbrecht nooit bloed afneemt tijdens de examenperioden van zwemmers. Dat is waardeloos. De stress heeft het lichaam ontregeld, de balans is verstoord. Het melkzuur vertoont onvoorspelbare reacties.

Zwemmen is volgens de fysioloog complexer dan atletiek. Water is vloeibaar, niet vast. Een zwemmer gaat niet tweemaal zo hard als hij tweemaal zo veel kracht gebruikt. Techniek speelt een grote rol, evenals de lichaamsbouw van de zwemmer. Grote voeten en handen zijn een voordeel, net als een lang, smal lichaam.

Brood

'Als uit het bloedprofiel blijkt dat iemand conditioneel enorm sterk is, maar hij wordt vierde op een NK, dan weet een trainer dat hij niet aan die conditie hoeft te werken. Dan ligt het probleem ergens anders, bij de techniek misschien, of de mentale instelling. Je kunt het zo zien: als je een brood nodig hebt, moet je niet bij de beenhouwer zijn, hoe lekker een stuk vlees ook kan zijn. Je moet de weg naar de bakker vinden.'

In de moderne trainingsleer draait het om maatwerk. Hoe beter het lichaam in kaart is gebracht, hoe gerichter het programma. Die aanpak verklaart voor een belangrijk deel waarom zwemmers tegenwoordig zonder doping harder gaan dan 25 jaar geleden, toen verboden middelen vooral sporters uit de voormalige Oostbloklanden in staat stelden meer trainingsuren te draaien zonder er kapot aan te gaan.

Verstandig trainen

Olbrecht: 'De tijd dat je kon winnen door het meeste trainen, is voorbij. Het gaat er niet meer om hoeveel je traint, maar om hoe verstandig je dat doet. Als je effectief werkt, hoef je je energie niet te verspillen aan zaken die niet nodig zijn. En je kunt toch progressie maken.'

Het bloed brengt soms pijnlijke beperkingen aan het licht. Sommige zwemmers zitten conditioneel niet aan hun limiet, maar raken steeds geblesseerd. Ze worden als jongvolwassenen geconfronteerd met fouten die tien jaar eerder zijn gemaakt tijdens jeugdtrainingen. Die zijn meestal niet meer te herstellen. Het fundament deugt niet. 'Sterke motor, zwakke carrosserie', zeggen trainers dan in navolging van Olbrecht.

Topzwemster Ranomi Kromowidjojo werd van jongs af aan getest door Jan Olbrecht. Beeld ANP
Topzwemster Ranomi Kromowidjojo werd van jongs af aan getest door Jan Olbrecht.Beeld ANP

Potentiële kampioenen vinden

Een potentiële kampioen is lastiger te ontdekken via de bloeddruppels. Soms ziet Olbrecht aan de metingen dat een zwemmer fysiek enorm getalenteerd is. Ranomi Kromowidjojo heeft hij van jongs af aan getest. 'Bij haar kon ik direct zien dat we niet met een 4-cilinder te maken hadden, maar een 6-cilinder. Dat was iemand met wie je verder kon werken. Al heb je nooit de garantie dat er wat uitkomt.'

Een topprestatie is van meer afhankelijk dan conditionele of technische aanleg voor zwemmen. De sociale omgeving telt mee: de hulp van ouders, de nabijheid van een zwembad, de medewerking van school. Ook de mentale kracht van de zwemmers is van belang, net als het niveau van hun jeugdcoach.

Wat dat betreft, kent Olbrecht zijn plaats. De trainer is de dirigent, de inspanningsfysioloog blijft een orkestlid. Met de arts, de video-analist en de fysiotherapeut. 'De coach staat op de bok. Er mag dan een virtuoos van een violist meespelen, als hij niet synchroon loopt met de al die andere orkestleden, wordt het een chaos. Dan klinkt het stuk nergens naar.'

null Beeld
Beeld
Meer over