Wachten op het nieuwe zwemtalent

Vrijdag zwommen vier Nederlandse vrouwen, zonder Inge de Bruijn, een wereldrecord kortebaan (4x50 vrij). Een goed moment om naar de toekomst te kijken....

Door John Volkers

De dag dat het Nederlandse zwemmen het voortaan zonder de supertalenten Inge de Bruijn en Pieter van den Hoogenband zal moeten doen, was voorzien voor eind 2005. De Bruijn, de drievoudig olympisch kampioen van Sydney, stopt na haar titelverdediging in Athene 2004. Haar motivatie is al enige jaren aan erosie onderhevig.

VdH zou aanvankelijk een jaar langer door trekken: hij wil bij de WK van 2005 in Montreal zijn ontbrekende wereldtitel langebaan veroveren. Maar het wonderkind, goed voor olympisch goud op 100 en 200 vrij in Australië, zal zijn loopbaan daarna nog met enkele maanden verlengen. Hij wil begin 2006, na de opening van het Nationaal Zwemstadion in zijn woonplaats Eindhoven, een stel baanrecords op zijn naam zetten.

Daarna, als het illustere duo zich op andere zaken gaat concentreren, zal het stil worden rond het Nederlandse topzwemmen, `want talenten als Pieter en Inge die worden zelfs wereldwijd maar eens in de 25 jaar geboren', is de mening van Cees Vervoorn, oud-zwemmer, oud-coach en tegenwoordig voorzitter van de ambitieuze stichting Top Zwemmen Amsterdam (TZA).

Het is blijven ademen en voorkomen dat het zwemmen verdrinkt. Dat het bij enkele gerenommeerde clubs minder gaat - in de schaduw van de topteams Philips, TZA en TWN is het kil - hoeft volgens insiders niet te betekenen dat het Nederlandse zwemmen in de glijvlucht naar beneden is beland.

Het zal straks, vanaf 2006, anders zijn, maar het is niet zo dat overal het water tot aan de lippen zal staan zoals nu is gebeurd met aloude opleidingsinstituten als De Dinkel (Denekamp) en AZ & PC (Amersfoort). `Heus, niks nieuws onder de zon', zegt de optimistische Vervoorn. `De geschiedenis leert dat talent over de hele populatie verdeeld is. Ze kunnen overal opstaan, zelfs bij een klein clubje als De Whee in Goor.

'Soms meer, vijftien per cyclus van zes jaar. Soms minder, dan moet je het in zo'n periode met tien talenten doen.' Er is een ijzeren wet dat de ontwikkeling van dergelijk talent gecentreerd wordt rond enthousiaste trainers en dat toegewijde ouders de rest doen. Er is iets meer nodig: het gaat bij de ontwikkeling van opvolgers van Pieter & Inge verder om clubs en baden, en om een bulk leden.

Om met het laatste te beginnen: er heeft zich na de Spelen van Sydney een kortstondig, minuscuul P & I-effect voorgedaan. De zwembond KNZB dobberde na jaren van afkalvende ledenaantallen juist onder de 150 duizend leden (149.479). Dat werden er door plusjes van 0,6 procent (2000) en 2,0 (2001) 153.410. Vorig jaar was het grootste effect al weer weggeëbd: een min van 0,8 procent (152.148).

Van dat ledental zijn er vijftigduizend wedstrijdzwemmers. Dat smaldeel is verdeeld in 52 procent zwemmers, 43 procent waterpoloërs, 4 procent synchroonzwemmers en 1 procent schoonspringers.

Ter vervolmaking van het bulkverhaal: een half miljoen kinderen haalt jaarlijks een zwemdiploma, maar doet dat vaak op een dermate jeugdige leeftijd dat er nog geen vervolg in wedstrijdzwemmen geboden kan worden. Ten slotte zijn er in Nederland 4,8 miljoen mensen (28 procent van de populatie) die aan zwemmen doen. Daarmee is zwemmen voor wandelen, fitness, hardlopen en fietsen de meest beoefende sport.

Baden zijn er in een redelijk aantal: 740 in totaal, waarvan 320 overdekte en 155 combi-baden, de door glijbanen en whirlpools gedomineerde accommodaties. Oud-zwemcoach Ad van de Ven: `Er zijn te weinig topaccommodaties en er is een oververtegenwoordiging van 25-meterbaden. Niet ideaal, maar het kan.'

Probleem zijn eerder de kosten. Gerard Meurs, al 47 jaar zwemtrainer, en nu werkzaam bij LZ 1886: `Zwembadwater huren is vrij kostbaar. Dan kom je al gauw in de vroege uren terecht. Om in Leiden mijn training te kunnen geven, ben ik er om half vijf uit. Om kwart voor zes begint de training. Het kan, we zijn er aan gewend zullen we maar zeggen. Maar voor middagtrainingen van geselecteerde pupillen moet ik soms naar Beverwijk of Amersfoort reizen om aan water te komen. Dat is wel heel pittig. Zoals met veertig man op zes baantjes van 25 meter liggen ook niet meevalt.'

De clubs in Nederland zijn meestal breedtesportclubs. Ad van de Ven: `Er zijn er misschien zeventig die dagelijks training aanbieden.' Zijn geliefde AZ & PC heeft hij een half jaar geleden verlaten, `en dat ligt nu op zijn gat'. De Dinkel kent hetzelfde verhaal. Goeroe Gerhard Oudenijeweme, de opleider van Kenkhuis en Keizer, is gestopt, zijn opvolger Jeroen Rademaker is als te ambitieus opzij geschoven en nu is de club geïmplodeerd.

In de Twentse nabijheid gaat De Whee uit Goor, kweker van talenten als Marleen Veldhuis en Hinkelien Schreuder, onverdroten voort, in een bad van 20 meter met 4 banen. `Wij hebben onze zaken heel goed voor mekaar', zegt coach Hennie Alink. `Maar wij kunnen geen massaclub zijn. Ze willen wel naar ons toekomen, maar 45 is ons maximum. En de doorstroming van eigen leden staat voorop.'

Clubs hebben het moeilijk, nu de profteams de eredivisie zijn geworden en zij als de nieuwe eerste divisie worden beschouwd. Er is afbraak, maar ook nieuw elan. Bondscoach André Cats: `We maken ons zorgen over dat deel van de opleiding, maar we zien ook dat bij bolwerken als PSV en De Dolfijn nieuwe impulsen komen.'

Injecties van kwaliteit gaanin een nieuw zwembeleidsplan 2004-2012 komen van de Stichting Topzwemmen Nederland (STN). Vervoorn is betrokken en rept van het Franse model. `We gaan aan recycling van kennis doen. Trainers, vooral de bondscoaches, moeten het land met hun kennis en ervaring overdragen aan de clubs.'

Kenner Van de Ven: `We hebben misschien vier fulltimers in de Nederlandse top, maar we zouden er wel twintig moeten hebben voor de opleiding en de verwaarloosde scouting en dan nog eens acht voor de top, plus een stel wetenschappers. Dat is het ideale plaatje om niet achterop te raken. Want in het buitenland lopen ze allemaal wel heel erg hard.'

Het geheim van de zwemclubs berust meestal op het enthousiasme van de trainers. `Het draait om een beperkt aantal gekken dat ergens aan de slag gaat', aldus Van de Ven. Het houdt meestal op na twaalf jaar. `Dan treedt de metaalmoeheid in.' Het is slecht betaald enthousiasme. Soms, zoals in Drachten bij DZ & PC, wordt een trainer fulltime in dienst genomen door de club. Cees Robbertsen overkwam het en hij omschrijft zich als de witte raaf inde Nederlandse zwemwereld. Meurs: `Ik ben 69, was marineman en mijn hobby, het zwemmen, is nu mijn baan. Maar in dienst van LZ? Nee, dat kan de club zich niet veroorloven.'

Al deze min of meer toevallige elementen vormen het Nederlandse zwemgebouw. Het dak, het profzwemmen, staat er goed op. Vervoorn: `We hebben ontdekt dat we onze talenten een andere toegangsweg naar de top moeten bieden dan die van de verenigingen. We hebben nu organisaties in Eindhoven, Amsterdam en Dordrecht die daar zorg voor dragen.'

Het fundament van dat gebouw, de clubcultuur, is in een overgang beland. `Maar die begint te wennen aan zijn nieuwe status', zegt bondscoach Cats. `Ik zie de risico's maar heb ook het gevoel dat de zaak zich normaliseert.'

De Spelen van Athene moeten een nieuwe impuls geven, meent Vervoorn. `Op basis van de olympische successen die er deze zomer zeker gaan komen, moeten wij een stevige basis realiseren. We moeten in het zwemmen achter elkaar gaan staan. Ik zie de contouren van een nieuw gebouw, het staat er alleen nog niet.'

Wat bijna iedereen wel denkt te zien, is een nieuw supertalent, mogelijk van de categorie-De Bruijn. Marleen Veldhuis, kweelt iedereen, `onthoud die naam, zij kan heel ver reiken'.

Meer over