Van het honkbalstadion naar de onderwereld DON DELILLO VERBEELDT CREATIE VAN MYTHEN IN AMERIKA

IN AMERIKA, waar de meeste dingen vroeg of laat openbaar worden, heeft zelfs de literatuur een publieke functie. Een nieuw boek van een bekende schrijver is een sociale gebeurtenis, een feest waarbij het werk in kwestie vaak een ondergeschikte rol speelt....

Dat de meeste schrijvers niet zijn toegerust om een sociale rol van betekenis te spelen, is kennelijk geen bezwaar voor degenen die hen een podium geven voor grote of hele grote gezelschappen. Het gevolg is dat bepaalde auteurs meer aanzien genieten dan hun werk, dat niet zij maar hun boeken na verloop van tijd een natuurlijke dood sterven. Wat toch neerkomt op een mislukt bestaan.

Don DeLillo is een van de weinige auteurs over wiens persoonlijke leven we minder willen weten dan over zijn werk, omdat hij in zijn werk steeds dichterbij komt; het is alsof hij dingen weet waarvan wij hooguit een vermoeden hebben. In de jaren zeventig schreef hij briljante boeken waarin hij Amerika als het ware 'overdeed', opnieuw bedacht; hij liet een geniale jongen van veertien stoeien met de meest abstracte wiskunde, en hij schreef over een rockmusicus die onder dwang kennismaakt met een experimentele drug en zijn taalvermogen verliest. Er mankeerde aan die boeken eigenlijk niets, maar je kon ze ook ongelezen laten.

Maar na de verschijning van zijn roman over de aanslag op John F. Kennedy (Libra, in 1988) was DeLillo ineens het onderwerp van soms heftige discussies; politieke commentatoren beoordeelden het boek op zijn historische merites, zoals ze dat later ook zouden doen met de film JFK van Oliver Stone. Drie jaar na Libra gaf DeLillo ons Mao II, een roman die zich deels afspeelt in de wereld van het terrorisme en gelezen kan worden als een uitspraak over artistieke onschendbaarheid; velen hebben toen gedacht aan de kwestie-Rushdie.

Sinds een paar weken hebben we Underworld, aangekondigd als een soort geschiedenis van de Koude Oorlog; het is geschreven met een voorschot van (naar verluidt) een miljoen dollar, en uitgegeven door het machtige Scribner. Underworld is met veel lawaai op de markt gebracht, meteen besproken in alle belangrijke Amerikaanse kranten, het zal waarschijnlijk een of meer prijzen winnen - moeten we nog zeggen dat het een prachtig boek is?

DeLillo heeft - min of meer tot zijn eigen verbazing - naam gemaakt bij een groot publiek. Toch is het duidelijk dat hij zeer bewust risico's heeft genomen, dat hij zich vooral in de keus van zijn onderwerpen heel kwetsbaar maakt. Hij vindt de stof voor zijn laatste boeken in een verleden dat nog steeds zeer intens beleefd wordt, zo intens dat hij bij voorbaat verzekerd kon zijn van enige opwinding over zijn lezing van de gebeurtenissen. De aanslag op JFK is een open wond waar iedereen zout in kan strooien. De terroristen uit Mao II spookten al jaren door het Amerikaanse bewustzijn, en ze worden sinds de verschijning van dat boek zelfs angstwekkend reëel.

Tegelijkertijd hebben dit soort episodes in het door menigeen beleefde epos van Amerika zo'n welomschreven plaats, zijn de personen om wie het gaat, zo eng gekenschetst, dat schrijvers maar zelden een poging wagen om de geschiedenis een nieuwe dimensie te geven. Robert Coover probeerde het in The Public Burning met de Rosenbergs, en hij werd afgemaakt door de critici. DeLillo oogstte veel meer succes met zijn roman over de moord op Kennedy, misschien omdat hij meer inzicht had in de mainstream van het Amerikaanse leven, waar karakters vaak zo plat zijn als een dubbeltje. Hij maakte van Lee Harvey Oswald een Mensch; deze Oswald vertoont weliswaar veel gelijkenis met de hoofdfiguren uit andere boeken van DeLillo, maar dat hindert niet. Integendeel zelfs.

Ook in Underworld raakt DeLillo een gevoelige zenuw. Het boek begint met een legendarische honkbalwedstrijd, gespeeld op 3 oktober 1951 tussen de New York Giants en de Brooklyn Dodgers. Het verslag van die wedstrijd, met al zijn perspectiefwisselingen en subtiele observaties, is een sterk staaltje van de traditie die begint met de paardenrace in Anna Karenina; het is alsof je door de ogen van verschillende toeschouwers een glimp krijgt van het moment in al zijn gradaties en nuances. Dit wisselen van perspectief is inmiddels een bekende techniek, toegepast door vele journalisten, en DeLillo geeft zijn observaties ook een journalistieke draai. Hij heeft informatie, niet alleen over het verloop van de wedstrijd en de voorafgaande prestaties van elk team, maar ook over het publiek (J. Edgar Hoover, Frank Sinatra en Jackie Gleason zijn in het stadion) en over de nasleep: de mensen die het veld op komen, de spelers in het clubhuis, - de verteller is overal. Dit is honkbalproza waar de groten op dat gebied een puntje aan kunnen zuigen.

Maar de journalistieke techniek is ook een middel om veel verder te komen dan het verslag of de reportage. DeLillo laat zijn boek uit die wedstrijd ontstaan, hij creëert een atmosfeer waarin alles betekenis krijgt, al is het jaren nadien, een atmosfeer die in de kern zintuiglijk is, feitelijk, 'echt'. Hij is geen fabulist die een denkbeeldig net van associaties uitwerpt; hij begint met een datum, en hij laat zien dat wat wij geschiedenis noemen in de kern een open vraag is, een project van onze psyche dat nooit kan worden voltooid.

De wedstrijd tussen de Giants en de Dodgers is zozeer verbonden met een tijd en een plaats, dat je als Nederlandse lezer in eerste instantie buitengesloten bent. Maar dat is bij dit soort verhalen nooit een permanente hindernis. Je ondergaat het moment, maar je ondergaat vooral de metamorfoses van het moment. Na achthonderd pagina's is het alsof die wedstrijd niet op 3 oktober 1951 werd gespeeld, maar in een lang vervlogen tijdperk dat iedereen zich herinnert, ook al was men toen nog niet geboren. Het verhaal van die wedstrijd is een verhaal waarin fictie en realiteit met elkaar zijn vervlochten omdat het verschil niet langer relevant is; het is een verhaal dat eindeloos veel andere verhalen in zich bergt, verhalen die we nooit allemaal zullen kennen.

De creatie van mythes - daar gaat het over - is een proces dat zich niet of nauwelijks door personen laat beïnvloeden. Het is interessant om te zien hoezeer die eenvoudige waarheid in Amerika wordt genegeerd. Keer op keer ontstaat in de publieke waarneming het idee dat een bepaald individu - het kan een kunstenaar zijn, een sportman, maar ook een tot dan toe anonieme burger - het vermogen heeft om waarheden die iedereen aangaan te onthullen, ja, te openbaren. Het eeuwig terugkerende thema van The Great American Novel is een goed voorbeeld; iedereen weet dat die nooit geschreven zal worden, maar iedereen voelt een leegte zolang hij er niet is.

Bij de verschijning van Underworld is de term opnieuw gebruikt, maar het is alsof de aandacht zich vanzelf verplaatst van het object, het boek, naar de maker. De bespreking van Underworld in The New York Times werd geïllustreerd met een kleurenfoto van DeLillo, iets wat in de geschiedenis van die krant nog niet eerder is gebeurd. Daar was de maker, de man zelf: hij zal nog een boek schrijven, misschien veel sensationeler en beter dan dit, hij heeft zeker nog meer te zeggen.

DeLillo heeft deze gang van zaken regelmatig beschreven in zijn vroegere werk. Zijn hoofdfiguren zijn bijna altijd mensen die in het nauw komen, omdat ze hun conflicten niet op een bewust niveau kunnen hanteren. De rockmusicus uit Great Jones Street weet dat hij op een doodlopend spoor zit, en duikt halverwege een grote tournee onder. De televisiemaker uit Americana (DeLillo's debuut) laat alles vallen en begint een lange, eenzame tocht door Amerika. Ze hebben iets losgemaakt, in hun eigen leven, bij anderen, iets dat niet meer te bevatten is, zoals de boodschap uit de ruimte die moet worden opgelost door de jonge wiskundige in Ratner's Star. Lee Harvey Oswald is zo iemand: terwijl hij in zijn dagboek schrijft, voelt hij de realiteit als zand tussen zijn vingers verdwijnen.

Maar in Underworld zie je een doorbraak. De hoofdpersoon, ene Nick Shay, heeft aan het eind van het boek iets geleerd. Hij is de ik-verteller, een succesvolle zakenman van middelbare leeftijd, verdwaald op het pad des levens. Hij bezit de honkbal die Bobby Thomson in 1951 het veld uit sloeg voor de winnende homerun. Hij heeft er absurd veel geld voor betaald, en weet niet zeker waarom.

Met regelmatige tussenpozen vertelt hij over zichzelf, daarbij steeds verder gravend in zijn verleden. Zijn vrouw neukt met een collega, eigenlijk een vriend. Als hij erachter komt, maakt het hem geen sodemieter uit. Niets houdt hij over, maar ten slotte is hij in staat om het grootste geheim van zijn jeugd met haar te delen.

Hij maakt een reis naar de onderwereld, in de meest klassieke zin van het woord. Hij heeft zelfs zijn eigen Beatrice, een mooie schilderes die op hem als jongen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. Jaren later, zijn queeste bijna volbracht, ontmoet hij haar opnieuw. Hij ziet de installatie die haar meesterwerk moet wezen, en heeft er geen woorden voor. Het is zo mooi dat hij er eigenlijk niet naar kan kijken.

Zulke momenten zijn niet goed in woorden uit te drukken. Het tragische leven van Nick Shay komt langzaam maar zeker in een wijder perspectief. Hij moet terug naar het moment dat er geen hoop meer was, terug naar de kern van zijn angst, zijn eigen hel. Daar komt hij anderen tegen, daar komen de diepste geheimen van een generatie, van een land, bloot te liggen. Het is eigenlijk niet juist om te zeggen dat DeLillo zich kwetsbaar maakt in de keus van zijn onderwerpen. Hij ziet hoe kwetsbaar wij allemaal zijn, en daarom kon hij dit magnifieke boek schrijven.

Frank van Dixhoorn

Don DeLillo: Underworld.

Scribner; import Van Ditmar; 827 pagina's; ¿ 54,75.

ISBN 0 684 84269 6.

Meer over