Twaalf titels, en toch niet de beste

Eén Grand-slamtitel, de komende twee weken te verdienen in New York, scheidt Pete Sampras van een evenaring van het record van Roy Emerson....

door Wybren de Boer

DE OPVALLENDSTE beslissing die Roy Emerson in zijn loopbaan nam dateert uit november 1961, toen hij nee zei tegen een aanbod van 50 duizend dollar om professional te worden. Of eigenlijk waren het beslissingen, want een jaar later sloeg hij opnieuw een aanbieding om toe te treden tot Jack Kramers Tennis Circus af.

En in 1964 weer.

En in 1965.

En in 1966 opnieuw.

Het bedrag was toen inmiddels opgelopen tot 125 duizend dollar.

Terugkijkend op zijn carrière, in een interview met de Brisbane Telegraph, had Roy Stanley Emerson nog altijd geen spijt. 'Mijn liefde voor het tennis was te groot. Ik wilde de Australische kampioenschappen, Roland Garros, Wimbledon en New York niet missen. Zelfs voor geen miljoen.'

Die onvoorwaardelijke trouw aan de Grand-slamtoernooien onderscheidde hem van veel andere toptennissers in de jaren vijftig en zestig, van wie de meesten gezegend waren met meer talent dan Roy Emerson. Geroemd werd immer zijn niet aflatende trainingsijver, maar dat bleek onvoldoende om te concurreren met de gestileerde backhand van Rosewall, de brille van Hoad, de verwoestende forehand van Fraser, de strategische listen van Cooper en de veelzijdigheid van Laver. Zij echter bezweken wèl voor de verleidingen van het geld.

Tot 1968 was tennis een amateursport, hoewel ook toen de zuivere interpretatie van dat begrip al danig onder druk stond. Prijzengeld bestond nog niet - de winnaar van Wimbledon ontving een waardebon ter waarde van 25 pond te besteden bij het warenhuis Lillywhites - en de gangbare onkostenvergoeding was net toereikend om een eenvoudig pension te betalen. Via tal van slinkse constructies wisten de amateurs echter wel een tamelijk zorgeloos leven op te bouwen.

De organisatie van een toernooi in Perth wilde in 1965 graag Roy Emerson presenteren - op dat moment tweevoudig Wimbledon-kampioen - maar de vedette liet weten in zijn agenda geen ruimte meer te kunnen vinden. Toch kwam hij opdagen, nadat de toernooi-organisatie hem had voorgesteld een lezing te verzorgen voor veehouders uit de omtrek. De boerenzoon Roy Emerson ontving 750 dollar, vertelde dat koeienmelken de beste training was voor je armen, en won en passant het toernooi.

Vanwege dergelijke praktijken werden tennissers destijds in de volksmond aangemerkt als shamateurs - een samentrekking van de woorden shame (schaamte) en amateur. Hun verdiensten vormden niettemin een zwakke afspiegeling van de grote publieke belangstelling voor tennis, althans volgens de na-oorlogse Amerikaanse sterspeler Jack Kramer, onder wiens revolutionaire driften de basis werd gelegd voor het professionele tennis.

Kramer initieerde begin jaren vijftig de International Professional Tennis Players Association, een select gezelschap van tenniskampioenen dat overal ter wereld voor veel geld optredens verzorgde. Met het contracteren van de twintigjarige Pancho Gonzales, de Amerikaan met Mexicaans bloed en reeds twee Amerikaanse titels op zijn erelijst, beroofde Kramer het amateurcircuit prompt van zijn fraaiste diamant. Gonzales zou nadien nooit meer de kans krijgen zijn Grand-slamcollectie uit te breiden.

De International Lawn Tennis Federation, het overkoepelende orgaan van de amateurs, verklaarde het circus van Jack Kramer besmet en sloot alle professionals uit van deelname aan de kampioenschappen van Australië, Roland Garros, Wimbledon en New York. In het alternatieve circuit schreef Gonzales zeven keer op rij de Amerikaanse titel op zijn naam, de almaar toenemende concurrentie binnen het profcircus ten spijt.

Weinigen konden de lokroep van Jack Kramer weerstaan en de grondlegger van het professionale tennis viste vooral graag in de Australische vijver. Met Hoad, Rosewall, Fraser, Cooper, Rose en Anderson kwamen van down under zes spelers die tussen 1953 en 1960 achttien Grand-slamtitels vergaarden, een nadien nooit meer vertoonde suprematie. Binnen die dynastie kon Roy Emerson meestentijds slechts figureren.

In 1954 werd de zeventienjarige Roy Emerson voor het eerst gerecruteerd door de Australische keuzecommissie, een orgaan dat jaarlijks een selectie samenstelde van tennissers die goed genoeg werden bevonden om het land op de Grand Slams te vertegenwoordigen. Hoad en Rosewall, beiden twee jaar ouder, waren de vaandeldragers. Een incidentele kwartfinale was Emersons opvallendste verrichting, een bescheiden rol die aanvankelijk ook voor Rod Laver, in 1956 als zeventienjarige debuterend, was weggelegd.

Beide youngsters waren afkomstig uit Queensland, Laver uit het stadje Rockhampton, Emerson uit de negorij Blackbutt, waar hij op tienjarige leeftijd bij toeval door de op vakantie zijnde tennistrainer Norm Brimson werd ontdekt. Om hun zoon en zijn vriendjes in de desolate omgeving van Blackbutt, ruim tweehonderd kilometer ten noordwesten van Brisbane, enige vertier te bieden hadden Rodney en Phyllis Emerson op hun boerderij een tennisbaan laten aanleggen.

Op zijn privé-baan ontwikkelde Emerson de karakteristieke stijl die hem altijd eigen bleef. Zijn onorthodoxe service ontlokte zijn collega's meermalen schampere opmerkingen - 'als Roy serveert lijkt het of hij in een bord pap staat te roeren' - maar daarbij genoot hij respect vanwege zijn uitzonderlijke fysieke kracht en snelheid. Op zijn veertiende liep hij de 100 yards (circa 90 meter) in 10,6 seconden en Ken Rosewall noemde hem 'meer atleet dan tennisser'.

Pas in 1961, toen van de erkende Australische elite alleen Fraser nog niet tot Jack Kramers profcircuit was toegetreden, drong Emerson voor het eerst door tot de finale van een Grand Slam. Hij won de Australische titel en voegde daar een half jaar later de Amerikaanse titel aan toe. Beide keren versloeg hij in de eindstrijd Rod Laver. Die won op zijn beurt Wimbledon en mede daardoor stonden beide Australiërs aan het eind van dat jaar 1 en 2 op de wereldranglijst voor tennis-amateurs.

Een jaar later greep Laver de macht. Als tweede tennisser in de geschiedenis, na Don Budge in 1938, eiste hij in één seizoen alle vier de Grand Slam-titels op, waarvan drie door in de finale Emerson te verslaan. Maar Rod Laver voelde zich allerminst de beste tennisser te wereld, zoals hij schreef in zijn biografie.

'Budge was in zijn amateurperiode zonder twijfel de beste speler ter wereld, maar ik kon dat als amateur beslist niet van mezelf zeggen. Gonzales, Hoad, Rosewall, Olmedo, Gimeno, MacKay en Anderson speelden buiten het amateurcircuit en hadden al veel meer gewonnen dan ik. Zolang ik hen niet verslagen had, kon ik geen aanspraak maken op de eerste plaats. Ik moest me met hen meten.'

Daarom accepteerde Laver het aanbod van Kramer. Uit vrees dat het amateurtennis geheel ontmanteld zou worden, bekokstoofde de International Lawn Tennis Federation een bijzondere deal. Officials van de ILTF vonden via zakelijke relaties een Amerikaanse sigarettenfabrikant bereid om Roy Emerson als manager public relations in dienst te nemen, een constructie waarmee de laatst overgebleven top-amateur uit de klauwen van Jack Kramer gered werd.

De truc maakte van Roy Emerson een welgesteld man, maar bovenal een koning in een tak van sport waar zijn heerschappij niet serieus betwist werd. Zesmaal won hij de Australische kampioenschappen, tweemaal Roland Garros, tweemaal Wimbledon en tweemaal de Amerikaanse titelstrijd. Om zijn grootheid te accentueren voegde Emerson aan die serie zestien Grand-slamdubbelspeltitels toe.

BOVENDIEN WAS Emerson bij uitstek een speler die in de vier bekendste tennistheaters kon schitteren. Tot 1974 werden drie van de vier Grand Slam-toernooien op gras afgewerkt - in Parijs ligt van oudsher gravel - wat zelfs nu nog in Australië de gangbare ondergrond voor tennis is. Het is niet toevallig dat na 1974, toen New York het gras verruilde voor hardcourt, aan de Australische heerschappij in tennis een einde kwam.

HET KONINKRIJK van Emerson was al eerder ineen gestort, op 30 maart 1968 om precies te zijn, toen de International Lawn Tennis Federation tijdens een speciale bijeenkomst in Parijs besloot de toernooien 'open' te stellen voor profs. Jack Kramer was weliswaar een jaar eerder van het toneel verdwenen, maar zijn initiatieven waren nadien van nieuw bloed en meer miljoenen voorzien door twee gefortuneerde zakenmannen, de oliemagnaat Lamar Hunt en sportpromotor George McCall. In hun stal bevond zich onder andere Tom Okker.

Twee Grand-slamtitels had Roy Emerson in 1967 nog veroverd, de Australische en de Franse, en aan de Brisbane Telegraph vertelde hij zich fit genoeg te voelen om nog enkele jaren op topniveau te acteren. Enkele maanden later maakte hij zijn opwachting bij de British Hardcourt Championschips in Bournemouth, het eerste tennistoernooi in de geschiedenis waar amateurs en profs elkaar ontmoetten. Emerson verloor in de derde ronde; de finale ging tussen zijn landgenoten Rosewall en Laver.

Net als in de tweede helft van de jaren vijftig werd Roy Emerson in de Open Era - het open tijdperk - door zijn landgenoten verwezen naar het tweede gelid. Zijn oude rivaal Laver won in 1968 opnieuw Wimbledon, eiste een jaar later zelfs alle vier de Grand Slam-toernooien op, werd de eerste tennismiljonair en zwaaide af als beste tennisser aller tijden. Rosewall zou nog vier Grand Slams winnen, waarvan de laatste in 1972 op 38-jarige leeftijd.

Tot 1974 bleef Roy Emerson actief op de Grand Slams, maar verder dan de kwartfinale wist hij de laatste zes jaar van zijn loopbaan niet meer te komen. Hij sloot nog wel een contract af. Tegen een jaarlijkse vergoeding van 1000 dollar verplichtte hij zichzelf met Slazenger-rackets te spelen.

Meer over